Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:6172

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
26-08-2015
Zaaknummer
C/10/461223 / HA ZA 14-1025
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 431 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/461223 / HA ZA 14-1025

Vonnis van 15 juli 2015

in de zaak van

de vennootschap naar buitenlands recht

TT INSAAT SANAYI VE TICARET A.S.,

gevestigd te Istanbul, Turkije,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. N. Köse-Albayrak te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te Gorinchem,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. P.H.J.G. van Huizen te Rotterdam.

Partijen zullen hierna TT Insaat en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 1 oktober 2014, met 3 producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie, met 13 producties;

  • -

    het tussenvonnis van 18 februari 2015;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, met 6 producties (doorgenummerd als producties 4 tot en met 9);

  • -

    de ter gelegenheid van de comparitie van partijen door [gedaagde] overgelegde producties 14 en 15;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 21 mei 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties waarop beroep is gedaan, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast.

2.1

[gedaagde] en [bedrijf2] behoren tot het [bedrijf1] - concern. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf1] houdt alle aandelen in [bedrijf2] en bijna alle aandelen in [gedaagde] (te weten 95,25 % van de aandelen, de overige aandelen worden door een directeur gehouden).

2.2.

Op of omstreeks 1 september 2006 zijn [bedrijf1] en TT Insaat een samenwerkingsovereenkomst aangegaan, waartoe zij een Memorandum of Understan-ding hebben getekend. In het Memorandum of Understanding is onder meer bepaald dat [bedrijf1] 30 % van de aandelen in TT Insaat verkreeg en is een winstgarantie verstrekt. Daarnaast is in het Memorandum geregeld dat [bedrijf1] via [gedaagde] materiaal aan TT Insaat beschikbaar zou stellen tegen scherpe tarieven en voorwaarden.

2.3.

Op of omstreeks 15 september 2006 heeft [bedrijf2] een horizontale boormachine aan TT Insaat verkocht voor een bedrag van € 258.000,-.

2.4.

TT Insaat bleek niet in staat om het verschuldigde bedrag van € 258.000,- onder de koopovereenkomst aan [gedaagde] te voldoen, waarop [bedrijf1] aan TT Insaat een geldlening heeft verstrekt op 18 juni 2007. De voorwaarden van deze lening zijn vastgelegd in de leningovereenkomst d.d. 18 juni 2007.

2.5.

In artikel 7 van de geldleningsovereenkomst is bepaald dat de horizontale boormachine als zekerheid voor [bedrijf1] zou gelden voor de terugbetaling van de geleende gelden.

2.6.

TT Insaat is de overeengekomen ‘payment scedule’ van de geldlening niet nagekomen en heeft een bedrag van € 193.250 onbetaald gelaten.

2.7.

In onderling overleg werd besloten om de horizontale boormachine naar Nederland te verschepen, teneinde de machine in Nederland te werk te stellen met de intentie om met de opbrengst uit deze werkzaamheden de crediteuren gedeeltelijk te betalen.

[gedaagde] en TT Insaat hebben vervolgens een overeenkomst gesloten waarbij partijen overeengekomen zijn dat [gedaagde] de horizontale boormachine van TT Insaat zou huren en waar mogelijk bij een derde partij te werk zou stellen (hierna: de huurovereenkomst).

2.8.

De horizontale boormachine kwam op 18 september 2008 aan in Nederland.

2.9.

[gedaagde] heeft de op grond van de (onder r.o. 2.7 vermelde) huurovereenkomst verschuldigde huurpenningen niet betaald.

2.10.

TT Insaat heeft [gedaagde] gedagvaard in Turkije en naast betaling van de huurpenningen teruggave van de horizontale boormachine gevorderd. Deze vordering is toegewezen. In hoger beroep is het vonnis bekrachtigd waarna [gedaagde] in cassatie is gegaan. De hoogste gerechtelijke instantie in Turkije heeft cassatie afgewezen waarmee het vonnis definitief is geworden.

2.11.

Op 18 september 2009 heeft [bedrijf1] aan de voorzieningenrechter te Dordrecht verlof gevraagd en gekregen voor het leggen van conservatoir derdenbeslag onder [gedaagde] en [bedrijf2]

2.12.

Op 22 september 2009 heeft [bedrijf1] conservatoir derdenbeslag doen leggen onder [gedaagde] en [bedrijf2]

2.13.

Bij vonnis van de voorzieningenrechter d.d. 4 maart 2010 is TT Insaat bij verstek veroordeeld om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, aan [bedrijf1] te betalen de som van € 193.250, ter zake van de geldleningsovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente te berekenen vanaf de vervaldata van de respectievelijke termijnen overeengekomen in de ‘payment scedule’ achter de geldleningsovereenkomst, tot aan de dag der voldoening, met veroordeling van TT Insaat in de kosten van het geding, begroot op € 6.080,26.

Er is geen hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld.

2.14.

[bedrijf1] heeft de vordering uit hoofde van het onder 2.13 vermelde vonnis alsmede alle uit de geldleningsovereenkomst voortvloeiende rechten gecedeerd aan [gedaagde] .

Bij brief van 22 maart 2012 is aan TT Insaat mededeling gedaan van de cessie van de vordering.

2.15.

[bedrijf1] heeft vervolgens op 24 september 2014 conservatoir derdenbeslag doen leggen onder [gedaagde] en [bedrijf2] op de horizontale boormachine en de vordering die aan TT Insaat in Turkije is toegewezen, ten behoeve van haar vordering ter zake van de winstgarantie die TT Insaat aan [bedrijf1] in het Memorandum of Understanding heeft toegekend.

2.16.

[bedrijf1] heeft ter zake van de onder r.o. 2.15 vermelde vordering een gerechtelijke procedure aanhangig gemaakt voor de Turkse rechter.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

TT Insaat vordert - verkort weergegeven - dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen overeenkomstig haar veroordeling bij het arrest van 19 oktober 2012, gewezen door het 6e departement juridische zaken van het Hof van Cassatie te Istanbul, Turkije, in de procedure met rolnummer 2001/13205 en met vonnisnummer 2012/561, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

TT Insaat heeft aan haar vordering, verkort weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd.

3.2.

TT Insaat wenst het Turkse vonnis hier in Nederland ten uitvoer te leggen, nu [gedaagde] in Nederland is gevestigd. Tussen Nederland en Turkije bestaat geen verdrag op grond waarvan het Turkse vonnis voor erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland in aanmerking komt, zodat TT Insaat beroep doet op het bepaalde in artikel 431 lid 2 Rv.

Het Turkse vonnis heeft in Turkije kracht van gewijsde gekregen en is in het land van herkomst - Turkije - voor tenuitvoerlegging vatbaar. Daarnaast heeft een behoorlijke rechtspleging plaatsgevonden en is [gedaagde] in het geding verschenen en verzet de openbare orde zich niet tegen erkenning van het Turkse vonnis.

3.3.

[gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van TT Insaat in haar vordering althans tot afwijzing van de vordering van TT Insaat, met veroordeling van TT Insaat in de kosten van de procedure.

[gedaagde] heeft daartoe onder meer het volgende, verkort weergegeven, aangevoerd:

1) TT Insaat is niet ontvankelijk in haar vordering, omdat - kort gezegd - niet voldaan is aan de vereiste reciprociteit en formele voorschriften waaraan een uitspraak moet voldoen om hier tenuitvoer te kunnen worden gelegd, nu de gerechtelijke stukken niet zijn vergezeld van een notarieel waarmerk en apostille, noch voldoen aan de overige waarmerken;

2) [gedaagde] is middels cessie van de geldvordering onder de geldleningsovereenkomst vorderingsgerechtigde geworden jegens TT Insaat en heeft derhalve het recht om haar vordering te verrekenen met de vordering van TT Insaat. [gedaagde] heeft terzake conform artikel 6:127 BW aan TT Insaat mededeling gedaan. Deze verrekening wordt geëffectueerd zodra de gelegde beslagen zijn opgeheven of zijn komen te vervallen.

3) [gedaagde] is niet verplicht tot afgifte van de horizontale boormachine aan TT Insaat. [gedaagde] is door de cessie van de vordering onder de geldleningsovereenkomst vuistpandhouder geworden. Daarnaast is door [bedrijf1] ten behoeve van haar claim ter zake van de winstgarantie ten laste van TT Insaat op de boormachine beslag gelegd, zodat [gedaagde] niet verplicht kan worden tot afgifte van de boormachine.

in reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert, verkort weergegeven, dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor recht verklaart dat;

  1. hetgeen [gedaagde] verschuldigd mocht zijn, is verrekend met hetgeen TT Insaat verschuldigd is aan [gedaagde] , althans is verrekend zodra de onder [gedaagde] ten laste van TT Insaat gelegde beslagen zijn opgeheven c.q. zijn komen te vervallen;

  2. voor zover na verrekening [gedaagde] nog een schuld heeft jegens TT Insaat, zij niet gehouden is tot betaling van hetgeen zij jegens TT Insaat verschuldigd is, zolang de onder [gedaagde] gelegde beslagen niet zijn opgeheven c.q. zijn komen te vervallen;

  3. [gedaagde] een pandrecht heeft op de horizontale boormachine en zij in die hoedanigheid niet gehouden is jegens TT Insaat tot afgifte van de boormachine;

  4. [gedaagde] niet gehouden is tot afgifte van de horizontale boormachine aan TT Insaat nu [gedaagde] de boormachine houdt voor [bedrijf1] in haar hoedanigheid van eigenaar;

  5. [gedaagde] niet gehouden is tot afgifte van de horizontale boormachine aan TT Insaat zolang de ten laste van TT Insaat onder [gedaagde] gelegde beslagen niet zijn opgeheven/komen te vervallen;

met veroordeling bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, van TT Insaat in de proceskosten en de buitengerechtelijke kosten.

3.5.

TT Insaat voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

De vordering van TT Insaat strekt tot erkenning van het onder r.o. 3.1 genoemde Turkse vonnis (hierna: het Turkse vonnis).

4.2.

Nu tussen Turkije en Nederland geen verdrag bestaat op grond waarvan het Turkse vonnis in aanmerking komt voor erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland, heeft TT Insaat een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 431 lid 2 Rv. Volgens deze bepaling kan het geding opnieuw bij de Nederlandse rechter worden behandeld en afgedaan. De rechtbank dient te beoordelen of en in hoeverre zij, gelet op de omstandigheden van dit geval, aan de beslissing van de Turkse rechter gezag toekent.

In een geding op de voet van artikel 431 lid 2 Rv dient bij de beantwoording van de vraag of een buitenlandse beslissing voor erkenning vatbaar is, tot uitgangspunt dat een buitenlandse beslissing in Nederland in beginsel wordt erkend indien (i) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, (ii) de buitenlandse beslissing tot stand gekomen is in een gerechtelijke procedure die aan de eisen voldoet van een behoorlijke, met voldoende waarborgen omklede rechtspleging, (iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde, en (iv) de buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is. Daarnaast is van belang dat de voor erkenning vatbare buitenlandse beslissing in het land waar de buitenlandse beslissing is gegeven (nog) uitvoerbaar is.

4.3.

Indien aan de hiervoor genoemde voorwaarden is voldaan en de ingestelde vordering strekt tot veroordeling tot datgene waartoe de wederpartij in de buitenlandse beslissing is veroordeeld, zoals hier het geval is, dient de rechter de gebondenheid van partijen aan die beslissing tot uitgangspunt te nemen en is de vordering in beginsel toewijsbaar.

4.4.

Tussen TT Insaat en [gedaagde] staat vast dat de tussen hen gesloten huurovereenkomst in artikel 7 een exclusief forumkeuzebeding bevat voor de rechter van de Republiek Turkije.

Evenmin is tussen partijen in geschil dat het Turkse vonnis - na de behandeling van het rechtsmiddel door het 6e departement juridische zaken van het Hof van Cassatie te Istanbul, Turkije, waarbij het in eerste aanleg gewezen Turkse vonnis in stand is gelaten, zoals blijkt uit de beslissing van 19 oktober 2012 met rolnr. 2001/13205 en vonnisnr. 2012/561 - kracht van gewijsde heeft gekregen.

4.5.

Nu vaststaat dat het gerecht te Turkije exclusief bevoegd was ingevolge het forumkeuzebeding, leidt dit tot de conclusie dat de Nederlandse rechter het Turkse vonnis in beginsel dient te erkennen, tenzij erkenning in strijd zou komen met de Nederlandse openbare orde dan wel anderszins niet voldoet aan de onder r.o. 4.2. genoemde vereisten voor erkenning.

Partijen zijn het erover eens dat namens [gedaagde] een advocaat in het geding voor de Turkse rechtbank is verschenen die namens haar verweer heeft gevoerd. Uit het verschijnen van [gedaagde] voor de Turkse rechtbank blijkt dat deze tijdig op de hoogte is gesteld van het geding. Indien de gedaagde partij in de buitenlandse procedure tijdig in het geding is verschenen zoals met het oog op een behoorlijke verdediging is vereist, behoeft de Nederlandse rechter niet te onderzoeken of de gedaagde partij behoorlijk is opgeroepen.

Gesteld noch gebleken is voorts dat [gedaagde] niet in de gelegenheid is geweest om in de in Turkije gevoerde procedure behoorlijk verweer te voeren.

Gelet op het hiervoor overwogene concludeert de rechtbank dat er ten aanzien van de oproeping voor de Turkse rechtbank, de verschijning in het geding en de daarop gevolgde hoger beroepsprocedure geen fundamentele beginselen zijn geschonden en dat het vonnis tot stand is gekomen na een behoorlijke rechtspleging, zodat erkenning niet in strijd zal komen met de Nederlandse openbare orde.

4.6.

Evenmin is de rechtbank gebleken dat de buitenlandse beslissing onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust. Ten overvloede wijst de rechtbank er op dat het onder r.o. 2.13. genoemde vonnis van de voorzieningenrechter niet tussen dezelfde partijen is gewezen.

4.7.

Hieruit volgt dat aan de gestelde voorwaarden voor erkenning is voldaan, zodat de vordering in beginsel kan worden toegewezen.

[gedaagde] heeft bovendien niet betwist dat er voldaan is aan de onder r.o. 4.2. genoemde vereisten voor erkenning. Wel heeft [gedaagde] aangevoerd dat TT Insaat niet-ontvankelijk is in haar vordering, reeds omdat niet voldaan zou zijn aan de vereiste vormvoorschriften. Turkije zou onder meer de eis stellen dat een buitenlandse beslissing notarieel is gewaarmerkt en dat dit waarmerk middels een apostille is bekrachtigd.

Ter gelegenheid van de comparitie van partijen is door TT Insaat alsnog een door de notaris gewaarmerkte en door een apostille bekrachtigde versie van het Turkse vonnis aan rechtbank en [gedaagde] getoond en overgelegd. De rechtbank acht dan ook genoegzaam gebleken dat aan de vereiste vormvoorschriften is voldaan, terwijl eveneens vaststaat dat het Turkse vonnis in Turkije uitvoerbaar is.

4.8.

Ook het verweer van [gedaagde] dat het Turkse vonnis een verklaring voor recht behelst en niet geëxecuteerd kan worden omdat er geen veroordeling in staat, treft geen doel.

Anders dan [gedaagde] heeft betoogd, staat de wijze van formulering van het dictum van het vonnis niet in de weg aan tenuitvoerlegging daarvan. Dat het Turkse vonnis, anders dan in Nederland gebruikelijk is, in het dictum een opdracht aan de deurwaarder toekent en dus een andere wijze van formulering kent, laat onverlet dat het dictum van het Turkse vonnis in de kern neer komt op een veroordeling tot afgifte van de ten processe bedoelde horizontale boormachines door [gedaagde] en tot betaling aan TT Insaat van de huurpenningen. Dit staat niet in de weg aan erkenning en tenuitvoerlegging van het vonnis.

4.9.

[gedaagde] heeft tot slot ten verwere aangevoerd dat 1) [gedaagde] middels cessie van de geldvordering onder de geldleningsovereenkomst vorderingsgerechtigde is geworden jegens TT Insaat en daarom het recht heeft om haar vordering te verrekenen met de vordering van TT Insaat en dat 2) [gedaagde] niet verplicht kan worden tot afgifte van de boormachine omdat door de cessie van de vordering onder de geldleningsovereenkomst het pandrecht naar [gedaagde] is overgegaan en [gedaagde] vuistpandhouder is geworden.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Gelet op de aard van de ingestelde vordering (‘verkapte exequatur’-procedure) en de hiervoor weergegeven maatstaf waaraan het Turkse vonnis c.q de ingestelde vordering dient te worden getoetst, moet aan die weren voorbij worden gegaan, nu deze weren geen betrekking hebben op het toetsingskader van artikel 431 lid 2 Rv, maar betrekking hebben op het inhoudelijk debat waar de rechtbank niet aan toekomt nu het Turkse vonnis dient te worden erkend en waarvoor overigens - zoals onweersproken is gesteld - voldoende gelegenheid is geweest bij de Turkse procedures. Dit geldt ook voor het beroep van [gedaagde] op het vuistpandrecht: dit betreft een geschil over executie en valt buiten het beoordelingskader van de conventie.

4.10.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de Nederlandse rechter de gebondenheid van partijen aan het Turkse vonnis tot uitgangspunt moet nemen en dat het Turkse vonnis door de Nederlandse rechter dient te worden erkend. De vordering zal derhalve worden toegewezen.

4.11.

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

in reconventie

4.12.

Nu alle reconventionele vorderingen betrekking hebben op het inhoudelijke geschil waarover in Turkije door partijen reeds in twee instanties is geprocedeerd, ligt in de toewijzing van de conventionele vordering de afwijzing van de reconventionele vordering besloten.

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

5 De beslissing

rechtbank

in conventie

veroordeelt [gedaagde] overeenkomstig haar veroordeling bij het arrest van 19 oktober 2012, gewezen door het 6e departement juridische zaken van het Hof van Cassatie te Istanbul, Turkije, in de procedure met rolnummer 2001/13205 en met vonnisnummer 2012/561;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van TT Insaat bepaald op € 608,- aan vastrecht, op € 93,80 aan overige verschotten en op € 904,- aan salaris voor de advocaat;

in reconventie

wijst de vordering af;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van TT Insaat bepaald op nihil aan verschotten en op € 452,- aan salaris voor de advocaat;

in conventie en in reconventie

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2015.

1182/1573