Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:6105

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-08-2015
Datum publicatie
01-09-2015
Zaaknummer
ROT 14/6794
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wwb. Uitspraak na tussenuitspraak. Gegrond beroep, gebrek niet hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 14/6794

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , te Rotterdam, eiseres,

gemachtigde: mr. H.H. Veurtjes,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. J.A. Karreman.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 1 oktober 2014 (het bestreden besluit), waarbij het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om bijstand en het bezwaar tegen de terugvordering van een voorschot ongegrond zijn verklaard.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en door J. van der Eijk-Van Splunter. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij tussenuitspraak van 3 juni 2015 heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit een gebrek vertoont en verweerder in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen.

Verweerder heeft bij brief van 8 juni 2015 meegedeeld dat verweerder niet van de gelegenheid gebruik wil maken het gebrek te herstellen, en de rechtbank verzocht zonder nadere zitting uitspraak te doen.

Eiseres heeft bij faxbericht van 22 juni 2015 gereageerd, en daarbij meegedeeld dat een vervolg van de zitting niet noodzakelijk is.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Bij beslissing van 6 juli 2015 heeft de rechtbank het onderzoek heropent omdat het beroep verder zal worden behandeld door een andere rechter dan de rechter die de zaak op een eerdere zitting heeft behandeld.

Nadat partijen toestemming hebben gegeven voor het achterwege laten van een nadere zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 11 maart 2014 een aanvraag ingediend voor een Wwb-uitkering voor een alleenstaande ouder. Deze aanvraag is bij besluit van 23 mei 2014 (het primaire besluit 1) afgewezen op de grond dat eiseres onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt.

2. Bij besluit van eveneens 23 mei 2014 (het primaire besluit 2) heeft verweerder een bedrag van € 900,- dat als voorschot was verstrekt, van eiseres teruggevorderd.

3. Ter zitting is door verweerder erkend dat het recht op bijstand met de inmiddels overgelegde stukken kan worden vastgesteld.

4. De rechtbank heeft 3 juni 2015 tussenuitspraak gedaan. De feiten en omstandigheden als genoemd in de tussenuitspraak worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.

5. Inhoudelijk heeft de rechtbank in de tussenuitspraak overwogen dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij het vaststellen van het recht op bijstand van eiseres rekening moet worden gehouden met de stortingen die op de rekening met nummer rekening [rekeningnummer] zijn gedaan. Dit is een ING Jongerenrekening ten name van de inwonende dochter van eiseres.

6. Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om alsnog inhoudelijk op de aanvraag van eiseres te beslissen onder verrekening van de middelen van eiseres.

7. De rechtbank blijft bij hetgeen zij in de tussenuitspraak heeft overwogen. Alleen al daarom zal de rechtbank het verzoek afwijzen van eiseres dat zij bij faxbericht van 22 juni 2015 heeft gedaan en dat de strekking heeft te bepalen dat zij per 11 maart 2014 recht heeft op bijstand en dat bij het bepalen van de hoogte van de uitkering geen rekening wordt gehouden met de stortingen die hebben plaatsgevonden op de bankrekening op naam van haar dochter. De rechtbank constateert dat verweerder, ondanks dat hij wel meent dat het recht op bijstand kan worden vastgesteld, weigert dit recht vast te stellen.

8. Aangezien geen grond is voor het standpunt dat het recht van eiseres op bijstand met ingang van 11 maart 2014 wegens schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld, dient het bestreden besluit te worden vernietigd.

9. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om het recht op bijstand van eiseres zelf vast te stellen, omdat daarvoor onvoldoende zekerheid bestaat over de middelen van eiseres. In het dossier is bijvoorbeeld opgenomen dat eiseres alimentatie ontvangt van de vader van haar kinderen, maar de hoogte daarvan is ongewis.

10. Omdat de terugvordering van het voorschot is gebaseerd op het besluit dat het recht op bijstand van eiseres niet kan worden vastgesteld, en dit besluit geen stand houdt, kan de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit (primair besluit 2) ook geen stand houden.

11. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak en in de tussenuitspraak van 3 juni 2015.

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder voorts in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.225,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en een halve punt voor de reactie op de reactie van verweerder op de tussenuitspraak met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1). Bij het nemen van het besluit op bezwaar zal verweerder tevens dienen te beslissen op het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak en de onderliggende tussenuitspraak is overwogen;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.1225,-, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door C.A. Schreuder, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. van Giezen-Groenewoud, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.