Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:6039

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
24-08-2015
Zaaknummer
C/10/453756 / HA ZA 14-659
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadestaatprocedure. Welke schadeposten kunnen in de schadestaatprocedure aan de orde komen? Geen nieuwe schadeposten die in de hoofdzaak nog niet zijn opgevoerd. Het Hof heeft de causaliteitsvraag met betrekking tot alle opstallen op het terrein van eisers beantwoord. Benoeming deskundigen ten aanzien van de omvang van de schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/453756 / HA ZA 14-659

Vonnis van 15 juli 2015

in de zaak van

1 [eiser1] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente Maasdriel,

2. [eiser2],

wonende te [woonplaats] , gemeente Maasdriel,

eisers,

advocaat mr. Th.J.H.M. Linssen te Tilburg,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde1],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde2],

gevestigd te [vestigingsplaats] , kantoorhoudende te Rotterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOSKALIS NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden,

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam.

Eisers zullen hierna afzonderlijk worden aangeduid als [eiser1] en [eiser1] - Schrama dan wel tezamen als [eisers] Gedaagden zullen worden aangeduid als [gedaagde1] , [gedaagde2] en Boskalis dan wel tezamen als [gedaagde1] c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 17 september 2014;

  • -

    de incidentele conclusie houdende een provisionele vordering;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident houdende de provisionele vordering;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 26 november 2014;

  • -

    de akte van [eisers] van 21 januari 2015;

  • -

    de akte van [gedaagde1] c.s. van 21 januari 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft bij arrest van 23 oktober 2010 - samengevat en voor zover thans van belang - voor recht verklaard dat:

- Boskalis, [gedaagde1] en [gedaagde2] door haar zandwinningsactiviteiten in de Hedelsche Bovenwaarden, respectievelijk door het ter beschikking stellen van haar vergunning aan derden waardoor de zandwinningsactiviteiten konden worden uitgevoerd, onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eisers] ;

- Boskalis, [gedaagde1] en [gedaagde2] uit dien hoofde aansprakelijk zijn voor 50% van de door [eisers] geleden schade aan hun opstallen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen dat [gedaagde1] c.s. bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad hoofdelijk worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] te betalen:

a. a) een bedrag van € 419.419,63, zijnde 50% van de schade van € 838.839,26 (bouwkosten), althans een zodanig bedrag als uw rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 april 2001, althans vanaf 9 augustus 2001, althans vanaf 24 augustus 2001, althans vanaf de door uw rechtbank te bepalen datum tot de dag der algehele voldoening;

b) een bedrag van € 400,- per maand, zijnde 50% van de aanvullende schade (vervangende

woonruimte), vanaf 1 oktober 2013 tot 12 maanden na uitkering van de schade gevorderd onder a), althans een zodanig bedrag als uw rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van indiening van deze schadestaat, althans vanaf een door uw rechtbank te bepalen datum tot aan de dag der algehele voldoening;

c) de kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand, ter hoogte van twee punten van het toepasselijke liquidatietarief, althans ter hoogte van een door uw rechtbank naar redelijkheid en billijkheid vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

d) een bedrag van € 2.420,00, zijnde de kosten voor het vaststellen van de schade, althans een zodanig bedrag als uw rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van indiening van deze schadestaat, althans vanaf een door uw rechtbank te bepalen datum tot aan de dag der algehele voldoening;

e) de kosten van deze procedure, te vermeerderen met nakosten à € 131 (zonder betekening) respectievelijk € 205 (met betekening), vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten als [gedaagde1] c.s. deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis heeft betaald.

3.2.

[gedaagde1] c.s. voeren verweer en concluderen tot niet ontvankelijk verklaring van [eisers] in hun vordering althans hen deze te ontzeggen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [eisers] in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In het incident is ter comparitie een schikking bereikt waarna [eiser1] c.s de incidentele provisionele vordering strekkende tot betaling van een voorschot heeft ingetrokken.

4.2.

De onderhavige zaak betreft een schadestaatprocedure. Tegen voormeld arrest van het Gerechtshof Den Haag is geen cassatie ingesteld zodat dit in kracht van gewijsde is gegaan. Op grond van artikel 236 Rv hebben de beslissingen van het Gerechtshof Den Haag, die de rechtsbetrekking in geschil betreffen, in dit geding bindende kracht tussen partijen.

4.3.

[gedaagde1] c.s. hebben aangevoerd dat het debat in de hoofdzaak (in de procedure bij het Gerechtshof Den Haag) zich heeft toegespitst c.q. beperkt tot de (schade aan de) woning. De door [eisers] opgevoerde schade aan de landbouwstal, de paardenstal, de tuinberging, de mestvaalt en de gierkelder en het terrein vormen nieuwe schadeposten, die in de hoofdzaak nog niet zijn opgevoerd, aldus [gedaagde1] c.s.. [gedaagde1] c.s. betwisten het causaal verband tussen deze nieuwe schadeposten en de aan [gedaagde1] c.s. verweten gedraging. De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak (Hoge Raad 16 mei 2008 ECLI:NL:HR:2008:BD1674) dient de hoofdprocedure ertoe om de grondslag van de verplichting tot schadevergoeding, zoals in dit geval de onrechtmatige daad, vast te stellen. Dat brengt mee dat in de schadestaatprocedure slechts die schadeposten aan de orde kunnen komen die zijn veroorzaakt door het in de hoofdprocedure vastgestelde onrechtmatig handelen van [gedaagde1] c.s.. Voor de beantwoording van de vraag welke schadeposten, als veroorzaakt door het onrechtmatig handelen, in de schadestaatprocedure aan de orde kunnen komen, is van belang welk onrechtmatig handelen in de hoofdprocedure is vastgesteld.

4.5.

Het Hof Den Haag heeft in zijn arrest van 23 oktober 2012 – voor zover thans van belang – als volgt overwogen:

“4.Ten aanzien van de vraag of Boskalis c.s. en [gedaagde1] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eisers] , waarop grief I betrekking heeft, heeft het hof in zijn arrest van 30 september 2008 het volgende overwogen:

"Vooropgesteld moet worden dat professionele partijen als Boskalis c.s. en [gedaagde1] , die zoals in het onderhavige geval ingrijpende zandwinningswerkzaamheden (gaan)

verrichten die het gevaar van schade aan opstallen van derden meebrengen, verplicht zijn voldoende maatregelen te nemen om zulke schade te voorkomen. Daarbij gaat het allereerst om een verplichting tot onderzoek vóór aanvang van de werkzaamheden, waarbij dient te worden onderzocht aan welke opstallen mogelijkerwijs schade zou kunnen ontstaan. Bij opstallen waar in de gegeven omstandigheden schade als gevolg van de werkzaamheden zou kunnen ontstaan, dienen vervolgens de nodige (bouwkundige) maatregelen ter voorkoming van schade te worden genomen. Tijdens de uitvoering van zandwinningswerkzaamheden (en zonodig ook nog daarna) moet door bedoelde partijen worden zorggedragen voor deugdelijke monitoring van opstallen waaraan schade als gevolg van de werkzaamheden zou kunnen ontstaan. Indien komt vast te staan dat Boskalis c.s. en [gedaagde1] in verband met de boerderij van [eisers] onvoldoende onderzoek hebben gedaan respectievelijk onvoldoende maatregelen hebben genomen, leidt dat ertoe dat zij aansprakelijk zijn voor schade die als gevolg van de zandwinningswerkzaamheden aan de boerderij is ontstaan, ook wanneer die schade mede heeft kunnen ontstaan door een gebrek of gebreken van de boerderij zelf.”

5. Het hof is van oordeel dat Boskalis c.s. en [gedaagde1] onzorgvuldig hebben gehandeld jegens [eiser1] c.s door voorafgaande aan de uitvoering van de zandwinningswerkzaamheden niet te onderzoeken of in de gegeven omstandigheden schade aan de boerderij van [eisers] zou kunnen ontstaan. (…)

Het hof acht voorts voldoende aannemelijk dat bij een dergelijk onderzoek, indien dit zou zijn uitgevoerd, gebleken zou zijn van de bijzondere kwetsbaarheid van de

boerderij van [eisers] en van de ter plaatse (als gevolg van andere oorzaken) in lichte mate reeds aanwezige zettingsproblematiek, en daarmee tevens van de reële en voorzienbare kans op schade bij een plotselinge (verdere) daling van de grondwaterstand. Het had op de weg van Boskalis c.s. en [gedaagde1] gelegen om in verband met deze reële kans op schade de nodige (bouwkundige) maatregelen te nemen ter voorkoming daarvan, althans om [eisers] te waarschuwen voor het treffen van (bouwkundige) maatregelen voor zover deze niet voor rekening van Boskalis c.s. en [gedaagde1] zouden komen. Tevens hadden Boskalis c.s. en [gedaagde1] de boerderij van [eisers] tijdens de uitvoering van de zandwinningswerkzaamheden deugdelijk moeten monitoren. Door dit alles niet te

doen hebben Boskalis c.s. en [gedaagde1] onzorgvuldig jegens [eisers] gehandeld. Grief I in de beide zaken wordt derhalve verworpen. (…)

7. Uit het bovenstaande vloeit voort, zoals het hof in zijn arrest van 30 september 2008 heeft overwogen, dat Boskalis c.s. en [gedaagde1] aansprakelijk zijn voor schade die als gevolg van de zandwinningswerkzaamheden aan de boerderij (cursivering rechtbank) is ontstaan, ook wanneer die schade mede heeft kunnen ontstaan door een gebrek of gebreken van de boerderij zelf. (…)

9. Grief II in de beide zaken betreft de vraag of er causaal verband is tussen de door Boskalis en [gedaagde1] uitgevoerde zandwinningswerkzaamheden en de scheurvorming die sinds 2001 in de boerderij van [eisers] is ontstaan. (…) Vast staat dat de boerderij van [eisers] voorafgaande aan de zandwinningswerkzaamheden slechts in lichte mate zettingsverschijnselen vertoonde (zoals klemmende deuren en beperkte scheurvorming), terwijl kort na de aanvang van de zandwinningswerkzaamheden plotseling zeer hevige scheurvorming is opgetreden. Het hof concludeert op basis daarvan, in samenhang met het rapport van de deskundige, dat voldoende is aangetoond dat sprake is van conditio sine qua non-verband tussen de zandwinningswerkzaamheden en de scheurvorming in de boerderij van [eisers] ”

4.6.

Kort gezegd heeft het Hof vastgesteld dat [gedaagde1] c.s. onzorgvuldig hebben gehandeld door niet te onderzoeken of schade zou kunnen ontstaan aan de boerderij, na te laten voldoende bouwkundige maatregelen te nemen ter voorkoming daarvan, en na te laten zorg te dragen voor deugdelijke monitoring van de opstallen.

Zowel in de hiervoor onder 4.5 weergegeven overwegingen als in de overige overwegingen wordt de term ‘de schade aan de boerderij’ gebruikt. Het Hof heeft in het dictum bepaald dat [gedaagde1] c.s. jegens [eisers] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor 50 % van de schade aan hun opstallen. Volgens Van Dale is de betekenis van ‘boerderij’ (1) complex van cultuurgronden met de daarop staande gebouwen en/of (2) het bedrijfs- en woongebouw. Ter comparitie is aan de hand van de door [eisers] overgelegde plattegrond vastgesteld dat de boerderij een zogeheten ‘kop hals romp boerderij’ betreft en er dus opstallen aan de woning vast zijn gebouwd. Uit het gebruik van het woord ‘boerderij’ door het Hof, gelezen in de context van het gehele arrest, alsmede uit het feit dat het Hof in het dictum de term ‘opstallen’ gebruikt, leidt de rechtbank af dat het Hof de causaliteitsvraag met betrekking tot alle opstallen, die zich op het terrein van [eiser1] c.s aan de Drielse Veldweg 35 te Velddriel, heeft beantwoord. Het hiervoor onder 4.3 weergegeven verweer wordt derhalve verworpen.

4.7.

Subsidiair maken [gedaagde1] c.s. bezwaar tegen de opneming van deze nieuwe posten in de schadestaat nu zij daardoor onredelijk in hun verdediging worden bemoeilijkt.

[gedaagde1] c.s. hebben dit standpunt bij conclusie van antwoord niet onderbouwd.

4.8.

Bij de beoordeling van dit bezwaar wordt vooropgesteld dat in de schadestaat alleen schadeposten aan de orde kunnen komen die zijn veroorzaakt door de in de hoofdprocedure vastgestelde tekortkoming, waarbij het onverschillig is of die posten in de hoofdprocedure al waren gesteld (vgl. HR 25 januari 2013 ECLI:NL:HR:2013:BY1071 rov. 3.4.2). Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven namens [gedaagde1] c.s. terwijl dit wel op hun weg had gelegen, valt niet in te zien op welke wijze [gedaagde1] c.s. onredelijk in hun verdediging zijn bemoeilijkt. De rechtbank gaat dan ook aan het bezwaar voorbij.

4.9.

De omvang van de schade aan de opstallen is tussen partijen in geschil. [eisers] stellen dat moet worden uitgegaan van herbouw en [gedaagde1] c.s. stellen dat kan worden volstaan met herstel van de aan de opstallen opgetreden schade. Beide partijen hebben een expertiserapport overgelegd en de experts zijn ter comparitie gehoord. Ing. [expert1] , expert namens [gedaagde1] c.s., is bij zijn rapportage uitgegaan van de veronderstelling dat de bodem tot rust is gekomen. Indien de bodem niet tot rust is gekomen, deelt ing. [expert1] , de mening van ir. [expert2] , expert namens [eisers] , dat reparatie geen zin heeft.

4.10.

Ter comparitie heeft de rechtbank overwogen dat zij ten aanzien van de omvang van de schade aan de opstallen behoefte heeft aan voorlichting door een deskundige.

4.11.

De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld overleg te voeren over de persoon van de deskundige(n), de kosten daarvan en de aan de deskundige te stellen vragen. Partijen zijn het over de persoon en de aan de deskundige te stellen vragen niet eens geworden. De rechtbank heeft kennis genomen van het tussen partijen gevoerde debat omtrent het aantal te benoemen deskundigen, de persoon van de deskundige(n) en de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Mede gelet op dat debat zal de rechtbank de onder de beslissing vermelde deskundigen benoemen. Aan deze deskundigen zullen de in de beslissing vermelde vragen worden voorgelegd. Uitgangspunt bij deze vragen is dat het Hof reeds heeft beslist over de vraag in welke mate de schade aan de opstallen moet worden toegerekend aan de zandwinningswerkzaamheden van [gedaagde1] c.s., te weten voor 50 %

(rov. 10 en 11). De rechtbank gaat er vanuit dat de deskundigen zullen ingaan op de door partijen in de door hen voorgestelde vragen genoemde details. Voor zover partijen menen dat de deskundigen dat in hun rapport onvoldoende hebben gedaan, kunnen partijen daarover opmerkingen maken dan wel verzoeken doen na toezending van het concept rapport.

4.12.

De deskundigen hebben de kosten begroot op in totaal 70 uren (32 uren bouwkundig adviseur, 32 uren geotechnisch adviseur en 6 uren kostendeskundige) tegen een uurtarief van € 156, derhalve een totaalbedrag van € 10.920 exclusief BTW (€ 13.213 inclusief BTW). De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geding, te weten de aansprakelijkheid van [gedaagde1] c.s. voor de schade aan de opstallen, aanleiding om te bepalen dat het voorschot op de kosten van de deskundigen door [gedaagde1] c.s. moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door [gedaagde1] c.s. moeten worden betaald.

4.13.

De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundigen. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.

4.14.

Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundigen doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.

4.15.

De rechtbank ziet geen aanleiding om tussentijds hoger beroep van deze tussenbeslissing toe te staan. Zij zal de beslissing over het voorschot ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

beveelt een onderzoek door twee deskundigen ter beantwoording van de volgende vragen:

1. Welke wijze van herstel van de schade aan de opstallen (woonhuis, landbouwstal, paardenstal, wagen/machineberging, mestvaalt en gierkelder, erfverharding) is geïndiceerd? Wilt u daarbij gemotiveerd aangeven hoe u tot een keuze voor herbouw dan wel herstel bent gekomen en waarom herbouw dan wel herstel een reële optie is?

2. Wilt u voor beide scenario’s, zowel voor herbouw als voor herstel, de daarmee gemoeide kosten begroten?

3. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

5.2.

benoemt tot deskundigen:

1) [deskundige1] [deskundige1]

[deskundige1]

[deskundige1]

[deskundige1]

[deskundige1]

[deskundige1]

[deskundige1]

2) [deskundige2] [deskundige2]

[deskundige2] [deskundige2]

[deskundige2]

[deskundige2]

[deskundige2]

[deskundige2]

[deskundige2]

[deskundige2]

het voorschot

5.3.

stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundigen vast op het door de deskundigen begrote bedrag van € 13.213,

5.4.

bepaalt dat [gedaagde1] c.s. het voorschot dient over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van MvJ arrondissement Rotterdam 545 onder vermelding van "voorschot deskundigenrapport" en het zaak- en rolnummer, en wel binnen twee weken na een daartoe strekkend betalingsverzoek van de griffie,

5.5.

draagt de griffier op om de deskundigen onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,

het onderzoek

5.6.

bepaalt dat [gedaagde1] c.s. haar procesdossier in afschrift aan de deskundigen dient te doen toekomen,

5.7.

bepaalt dat de deskundigen het onderzoek zelfstandig zullen instellen op de door de deskundigen in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,

5.8.

wijst de deskundigen er op dat:

  • -

    de deskundigen voor aanvang van het onderzoek dienen kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),

  • -

    de deskundigen het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dienen aan te vangen,

  • -

    de deskundigen het onderzoek onmiddellijk dienen te staken en contact dienen op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,

  • -

    de deskundigen partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid dienen te bieden dit onderzoek bij te wonen; indien slechts één partij, althans niet alle partijen, bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundigen dit onderzoek niet mogen uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan,

  • -

    indien partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan, en hoe de deskundigen hierop hebben gereageerd.

5.9.

bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundigen dienen te verstrekken indien dezen daarom verzoeken, de deskundigen toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundigen ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,

het schriftelijk rapport

5.10.

draagt de deskundigen op om uiterlijk drie maanden na deze beslissing

- een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,

5.11.

wijst de deskundigen er op dat:

  • -

    uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundigen is gebaseerd,

  • -

    de deskundigen een concept van het rapport aan partijen moeten toezenden, opdat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundigen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundigen in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundigen daarop moeten vermelden,

5.12.

bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundigen nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundigen geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,

overige bepalingen

5.13.

bepaalt dat de zaak op de parkeerrol zal komen van 6 april 2016,

5.14.

draagt de griffier op de zaak op een eerdere rol te plaatsen:

  • -

    indien het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen aan beide zijden op een termijn van twee weken of

  • -

    na ontvangst ter griffie van het deskundigenbericht: voor conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van (eerst) [eisers]

  • -

    op een termijn van vier weken,

5.15.

verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad,

5.16.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2015.

1573/1729