Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:6000

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-08-2015
Datum publicatie
21-12-2016
Zaaknummer
ROT 14/372
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

AKW woonlandbeginsel.

Anders dan in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4182, woont eiser in Nederland. De rechtbank ziet hierin geen reden om ten aanzien van de toetsing aan de internationaalrechtelijke bepalingen tot een ander oordeel te komen.

Het beroep dat eiser doet op Besluit 3/80 van de Associatieraad en het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid slaagt evenmin.

Gelet op de rechtspraak bestaat geen grond om te oordelen dat de wetgever met de overgangsperiode van zes maanden de belangen van rechthebbenden, zoals eiser, onvoldoende in acht heeft genomen.

Beroep ongegrond

Wetsverwijzingen
Algemene Kinderbijslagwet 12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 14/372

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 augustus 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. N. Türkkol,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder,

gemachtigde: J.Y. van den Berg.

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers recht op kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) vanaf het eerste kwartaal van 2013 vastgesteld op € 328,54.

Bij besluit van 8 januari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2015. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Op 1 juli 2012 is in werking getreden de Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid (Wwsz). Met deze wet is onder meer artikel 12 van de AKW gewijzigd. Volgens het daarbij gegeven overgangsrecht treedt voor personen die voor 1 juli 2012 recht hebben op kinderbijslag de wijziging in werking met ingang van 1 januari 2013.

1.2.

Artikel 12, eerste lid, van de AKW bepaalt dat het basiskinderbijslagbedrag over een kalenderkwartaal € 273,78 per kind bedraagt.

Op grond van het tweede lid bedraagt het basiskinderbijslagbedrag voor een kind dat woont buiten Nederland, een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland, een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van het bedrag, genoemd in het eerste lid. Het percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land waar het kind woonachtig is en dat van Nederland. Het percentage bedraagt maximaal 100.

1.3.

In de bijlage bij de Regeling woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2012 is het percentage bedoeld in het tweede lid van artikel 12 van de AKW voor Turkije vastgesteld op 60% (woonlandfactor).

2. Eiser komt voor twee kinderen in aanmerking voor kinderbijslag. Deze kinderen wonen bij eisers echtgenote in Turkije. Eiser woont in Nederland.

3.1.

Bij het bestreden besluit is het primaire besluit - waarbij kinderbijslag is toegekend met toepassing van de woonlandfactor voor Turkije - gehandhaafd. Daarbij is overwogen, kort weergegeven, dat geen internationaalrechtelijke bepaling in de weg staat aan vaststelling van de hoogte van de kinderbijslag met toepassing van de woonlandfactor.

3.2.

Eiser betoogt in beroep dat het bestreden besluit in strijd is met diverse internationaalrechtelijke bepalingen. Voorts betoogt eiser dat een overgangsperiode van een half jaar onvoldoende compensatie biedt. De in het beroepschrift opgeworpen grond dat geen evenredige verhouding meer bestaat tussen de hoogte van de kinderbijslag en de zogenoemde onderhoudsbijdrage, heeft eiser ter zitting niet langer gehandhaafd.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. De Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft bij uitspraak van 12 december 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:4182) de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 januari 2014 (ECLI:NL:RBAMS:2014:50) bevestigd. In deze uitspraken was de toepassing van het woonlandbeginsel op kinderbijslag aan de orde voor in Turkije wonende rechthebbenden met in Turkije wonende kinderen. De Raad heeft geoordeeld dat toepassing van de woonlandfactor op grond van de Wwsz niet in strijd komt met internationaalrechtelijke bepalingen. Daarbij is, gelezen in samenhang met de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, getoetst aan onder meer artikel 9 van de overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Associatieovereenkomst) en het daarbij horende Aanvullend Protocol, de artikelen 8, eerste lid, en 59, leden 2 en 3, van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid (EVSZ) artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 van het Eerste en artikel 1 van het Twaalfde Protocol daarbij, en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). De rechtbank ziet in het feit dat eiser, anders dan de belanghebbenden in de zaken waarover de Raad heeft geoordeeld, in Nederland woont geen reden om ten aanzien van de toetsing aan de bovengenoemde internationaalrechtelijke bepalingen tot een ander oordeel te komen. In zoverre faalt het betoog van eiser.

5. Desgevraagd is namens eiser ter zitting betoogd dat het kenmerkende verschil tussen de situatie van eiser in de onderhavige zaak en die van de belanghebbenden in de zaken waarover de Raad in de uitspraak van 12 december 2014 heeft geoordeeld, is gelegen in het feit dat eiser in Nederland woont. Dit brengt volgens eiser mee dat de toetsing aan de artikelen 3 en 6 van het Besluit 3/80 van de Associatieraad en artikel 33 van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije (NTV) tot een andere beoordeling dient te leiden dan in de uitspraak van de Raad. De rechtbank volgt eiser daarin niet en overweegt daartoe als volgt.

6. Besluit 3/80 van de Associatieraad

6.1.

De Associatieraad is ingesteld bij de Associatieovereenkomst. In artikel 39 van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst is bepaald:

“ 1.

Vóór het einde van het eerste jaar na de inwerkingtreding van dit Protocol, stelt de Associatieraad bepalingen vast ter zake van de sociale zekerheid ten behoeve van werknemers van Turkse nationaliteit die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en ten behoeve van hun binnen de Gemeenschap woonachtige gezinnen.

2.

Door deze bepalingen dient het de werknemers van Turkse nationaliteit mogelijk te worden gemaakt om, volgens nader te bepalen regels, de periodes waarin zij verzekerd of werkzaam waren in de verschillende Lid-Staten, bijeen te tellen voor wat betreft ouderdoms-, overlijdens- en invaliditeitspensioenen, alsmede de gezondheidszorg voor de werknemer en zijn binnen de Gemeenschap woonachtig gezin. Deze bepalingen kunnen voor de Lid-Staten van de Gemeenschap geen verplichting vormen om de perioden in aanmerking te nemen waarin zij in Turkije verzekerd of werkzaam waren.

3.

Bovengenoemde bepalingen dienen het mogelijk te maken, de uitbetaling van de gezinstoelagen te waarborgen wanneer het gezin van de werknemer woonachtig is binnen de Gemeenschap.

4.

De ouderdoms-, overlijdens- en invaliditeitspensioenen die zijn verworven op grond van bepalingen uit hoofde van toepassing van lid 2 moeten naar Turkije kunnen worden uitgevoerd.

5.

De in dit artikel bedoelde bepalingen doen geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit bestaande bilaterale overeenkomsten tussen Turkije en de Lid-Staten van de Gemeenschap, voor zover daarbij voor de Turkse onderdanen een gunstiger regeling is vastgesteld.”

Volgens artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80 kunnen, tenzij in dit besluit anders is bepaald, de uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen alsmede de renten bij arbeidsongevallen en beroepsziekten, verkregen op grond van een wettelijke regeling van een of meer Lid-Staten, op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende in Turkije woont of op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan die, op het grondgebied waarvan zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is.

In een export van kinderbijslag naar Turkije voorziet dit artikel niet, hetgeen in overeenstemming is met de uit artikel 39, derde lid, van het Aanvullend Protocol blijkende bedoeling van het Besluit om ten aanzien van gezinstoelagen de uitbetaling ervan te waarborgen wanneer het gezin van de werknemer woonachtig is binnen de Gemeenschap. Dat is bij eiser niet het geval, zodat het Aanvullend Protocol en artikel 6 van Besluit 3/80 zich niet tegen toepassing van de woonlandfactor verzetten.

6.2.

Artikel 3, eerste lid, van Besluit 3/80 kan niet tot een ander oordeel leiden. In artikel 3, eerste lid, is bepaald dat personen die op het grondgebied van een der Lid-Staten wonen en op wie de bepalingen van dit besluit van toepassing zijn, de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke Lid-Staat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die Staat hebben, behoudens bijzondere bepalingen van dit besluit.

Anders dan verweerder ziet de rechtbank artikel 6 van Besluit 3/80 niet als een dergelijke bijzondere bepaling, nu daarvoor in de tekst en de strekking van deze bepalingen geen grondslag is te vinden.

In artikel 3 van Besluit 3/80 ligt besloten dat geen ongerechtvaardigd onderscheid naar nationaliteit mag worden gemaakt tussen Turkse onderdanen en onderdanen van de betreffende Lid-Staat. In de tekst van artikel 12, tweede lid, van de AKW ligt geen direct onderscheid naar nationaliteit besloten, nu deze bepaling op iedere verzekerde, ongeacht nationaliteit, van toepassing is.

6.3.

Voor zover eiser betoogt dat toepassing van artikel 12, tweede lid, van de AKW in strijd met artikel 3 van Besluit 3/80 een indirect onderscheid naar nationaliteit tot gevolg heeft, kan dit niet slagen. Een dergelijk onderscheid kan worden gerechtvaardigd indien daarvoor een objectieve en redelijke grond bestaat, het onderscheid geschikt is om het nagestreefde doel te verwezenlijken en niet verder gaat dan nodig is om dat doel te bereiken. In de uitspraak van 12 december 2014 (rechtsoverwegingen 4.3.1. tot en met 4.4.4.) heeft de Raad, in het licht van artikel 9 van de Associatieovereenkomst, artikel 14 van het EVRM, artikel 1 van het Eerste Protocol, artikel 1 van het Twaalfde Protocol en artikel 26 van het IVBPR, beoordeeld of toepassing van de Wwsz leidt tot een verboden indirect onderscheid naar nationaliteit of naar woonplaats. De Raad is tot het oordeel gekomen dat de Wwsz een legitiem doel dient, de toepassing van de woonlandfactor in een redelijke verhouding staat tot dit doel en dat de woonlandfactor een geschikt middel is om dit doel te bereiken. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanknopingspunten om ter zake van artikel 3 van Besluit 3/80 tot een ander oordeel te komen.

7. Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid (NTV)

7.1

Artikel 33, eerste lid, van het NTV luidt: “Turkse werknemers die werkzaam zijn in Nederland en waarvan de kinderen in Turkije verblijven of worden opgevoed, hebben recht op kinderbijslag op dezelfde voorwaarden als Nederlandse werknemers.”

7.2.

Desgevraagd is namens eiser ter zitting verklaard, dat hij al enige tijd niet meer werkzaam is en een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangt. Mede gelet op de in beginsel voor een WAO-uitkering geldende wachttijd van 104 weken, mag er redelijkerwijs vanuit worden gegaan dat eiser ook op 1 januari 2013 reeds niet meer in Nederland werkzaam was. Hij kan daarom geen beroep doen op artikel 33 van de NTV, nu deze bepaling eist dat de werknemer werkzaam is.

7.3.

Zou hetgeen in 7.2 is overwogen al anders zijn, dan is niet goed in te zien dat toetsing aan artikel 33, eerste lid, van het NTV tot een ander resultaat zou kunnen leiden dan hetgeen is overwogen in 6.2 en 6.3 ten aanzien van artikel 3, eerste lid, van Besluit 3/80, daar beide artikelen het oog hebben op onderscheid naar nationaliteit.

8. Bij hetgeen in 6 en 7 is overwogen tekent de rechtbank nog het volgende aan. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat eiser mede de Nederlandse nationaliteit heeft. Namens eiser is dit niet weersproken. Naar volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2015 (ECLI:EU:C:2015:8), in het bijzonder de rechtsoverwegingen 50 tot en met 57, kan een belanghebbende die naast de Turkse de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen zich niet met een beroep op Besluit 3/80 verzetten tegen het met de Wet beperking export uitkeringen in de Nederlandse wetgeving geïntroduceerde zogenoemde woonplaatsvereiste. Zo ervan kan worden uitgegaan dat eiser tevens de Nederlandse nationaliteit heeft, is in het licht van het arrest van het Hof van Justitie niet goed in te zien dat het in artikel 3, eerste lid, van Besluit 3/80 neergelegde verbod van discriminatie naar nationaliteit zich wel zou verzetten tegen de toepassing van de woonlandfactor. Ook in zoverre kan het betoog van eiser niet slagen.

9. Gelet op voorgaande overwegingen ziet de rechtbank geen noodzaak voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

10. De overgangsperiode

Eisers betoog dat een overgangsperiode van zes maanden onvoldoende compensatie biedt, slaagt niet. In de uitspraken van de Raad van 18 juni 2004 (ECLI:NL:CRVB:2004:AP4680) en van 12 december 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY6593) is in gevallen waarin door wetswijziging bestaande uitkeringsrechten kwamen te vervallen een daarbij in acht te nemen overgangstermijn van zes maanden in overeenstemming geacht met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Het Besluit van 25 april 2012 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen van de Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid voorziet in artikel 2 in een overgangsperiode van zes maanden. Gelet op de genoemde rechtspraak van de Raad bestaat geen grond om te oordelen dat de wetgever met deze overgangsperiode de belangen van rechthebbenden, zoals eiser, onvoldoende in acht heeft genomen.

11. Het beroep van eiser is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, voorzitter, en mr. J. Bergen en mr. I.S. Vreken-Westra, leden, in aanwezigheid van J. van Mazijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.