Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:5999

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-08-2015
Datum publicatie
21-12-2016
Zaaknummer
ROT 14/1842
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2018:419, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

AWBZ. Weigering om zorg in natura om te zetten naar een pgb omdat eiser in een AWBZ-instelling verblijft. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Besluit zorgaanspraken AWBZ 9
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten 1
Regeling subsidies AWBZ 2.6.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 14/1842

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 augustus 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. D. Gürses,

en

Achmea Zorgkantoor N.V., verweerder,

gemachtigde: mr. C. Hartman.

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om de in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) aan eiser verleende zorg in natura om te zetten in een persoonsgebonden budget (pgb).

Bij besluit van 12 februari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2015. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Bij besluit van 12 mei 2011 is eiser tot 11 mei 2026 geïndiceerd voor zorgzwaartepakket GGZ04C. Sinds juli 2011 woonde eiser in de instelling [instelling] van Middin op het adres [adres] te [woonplaats] . In 2014 is eiser verhuisd en per 1 juli 2014 heeft verweerder hem alsnog een pgb toegekend.

1.2.

Op 26 juli 2012 verzocht eiser aan verweerder om de op grond van de indicatie toegekende zorg in natura om te zetten naar een pgb, omdat eiser niet tevreden was over de zorg die hij van de instelling Middin ontving.

2. Bij het bestreden besluit is het primaire besluit gehandhaafd, waartoe is overwogen dat, nu eiser verblijft in een instelling als bedoeld in de AWBZ, aan hem een pgb moet worden geweigerd op grond van het bepaalde in artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa).

3. Eiser stelt in beroep - samengevat - dat verweerder onzorgvuldig en in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Eiser ontvangt naar zijn zeggen al twee jaar geen zorg van de instelling waar hij verblijft en verzoeken om externe hulp in te schakelen worden om onduidelijke redenen afgewezen. Eiser heeft zelf zorg ingekocht bij Descartes Zorg. Eiser betwist dat hij in een AWBZ-instelling verblijft. Eiser betoogt dat het bestreden besluit drastische gevolgen heeft voor zijn welzijn, dat sprake is van bijzondere omstandigheden en dat hij door het bestreden besluit onevenredig wordt benadeeld.

4.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de AWBZ en daarop gebaseerde regelgeving ingetrokken. Op dezelfde datum is de Wet langdurige zorg (Wlz) in werking getreden. Uit artikel 11.2.2, eerste lid, van de Wlz volgt dat in deze zaak beoordeling plaatsvindt aan de hand van de AWBZ.

4.2.

Op grond van artikel 9, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (Bza) betekent verblijf, verblijf in een instelling met samenhangende zorg bestaande uit persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding of behandeling, voor een verzekerde met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, indien die verzekerde aangewezen is op een beschermende woonomgeving, een therapeutisch leefklimaat of permanent toezicht.

4.3.

In artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder c (per 1 januari 2014: eerste lid, aanhef en onder d), van de Rsa is bepaald dat het zorgkantoor verlening van een netto pgb weigert indien de verzekerde op de dag waarop de subsidieperiode zou aanvangen, anders dan terzake van kortdurend verblijf, in een instelling als bedoeld in de AWBZ of de Zorgverzekeringswet zal verblijven.

4.4.

In artikel 1, eerste lid, van de AWBZ is bepaald dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

“e. instelling: 1° een instelling in de zin van de Wet toelating zorginstellingen;”

“j. zorgaanbieder: een instelling of persoon die zorg als bedoeld in artikel 6 verleent”.

Artikel 5, eerste lid, van de Wet toelating zorginstellingen (Wtzi) luidt: “Een organisatorisch verband dat behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie van instellingen die zorg verlenen waarop aanspraak bestaat ingevolge artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet, moet voor het verlenen van die zorg een toelating hebben van Onze Minister.”

Op grond van artikel 7, vierde lid, van de Wtzi doet de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de verleende toelatingen mededeling in de Staatscourant.

5. De beroepsgrond dat eiser geen verblijf hield in een instelling als bedoeld in de AWBZ, slaagt niet. In reactie op deze beroepsgrond heeft verweerder desgevraagd informatie toegezonden uit een door Cibg (agentschap van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) bijgehouden register van instellingen die op grond van de Wet toelating zorginstellingen (Wtzi) zijn toegelaten. Volgens deze informatie is Middin als instelling toegelaten en onder andere gevestigd op de locatie Blijvenburgstraat 147 in Rotterdam. De rechtbank ziet geen reden om aan de juistheid van deze informatie te twijfelen, zodat ervan moet worden uitgegaan dat eiser op de dag dat de subsidieperiode zou aanvangen verblijf hield in een instelling als bedoeld in de AWBZ. Hieraan kan niet afdoen de stelling van eiser dat volgens de informatie van Cibg Middin slechts toelating heeft voor de aandoeningen verstandelijke handicap en lichamelijke handicap en niet als GGZ-instelling voor psychiatrische aandoeningen, terwijl eiser juist in dat laatste kader zorg behoeft. Ook als ervan zou worden uitgegaan dat Middin niet de voor eiser meest aangewezen instelling was en eiser daar niet altijd de voor hem nodige zorg heeft ontvangen, kan dit niet tot de conclusie leiden dat eiser geen verblijf had in een instelling als bedoeld in de AWBZ. De tekst van artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder c (d), van de Rsa biedt geen ruimte om het antwoord op de vraag of een verzekerde in een instelling als bedoeld in de AWBZ zal verblijven mede te laten afhangen van de vraag of de instelling de voor de verzekerde meest geëigende vorm van zorg kan bieden.

6. Eisers stelling dat er bijzondere omstandigheden zijn en dat hij door het bestreden besluit onevenredig wordt benadeeld, kan niet slagen. In de Rsa is niet voorzien in een hardheidsclausule, zodat verweerder, zo sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden of onevenredige benadeling, niet bevoegd was om van de Rsa af te wijken. Er zijn bijzondere gevallen denkbaar waarin strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard in die mate in strijd komt met het ongeschreven recht dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Van een dergelijke strijd is de rechtbank niet gebleken. Evenmin heeft de rechtbank grond gevonden om te oordelen dat verweerder bij zijn besluitvorming heeft gehandeld in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, voorzitter, en mr.dr. P.G.J. van den Berg en prof.mr. A.C. Hendriks, leden, in aanwezigheid van J. van Mazijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.