Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:5923

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-08-2015
Datum publicatie
20-08-2015
Zaaknummer
ROT 14/7995
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet als bedoeld in artikel 36 van de Wet bescherming persoonsgegevens tegen uitwisseling van persoonsgegevens in het kader van het “Veiligheidshuis” (een samenwerkingsverband, waarbinnen verschillende instanties, zoals de burgemeester van Rotterdam, het Openbaar Ministerie, William Schrikker Groep, Bureau Jeugdzorg en de Deelgemeentelijke Organisatie Sluitende Aanpak, participeren). Criteria voor betrokkenheid bij “high impact”-delicten van voldoende gewicht voor deze verwerking van persoonsgegevens. De hiermee verband houdende verstrekking van een uittreksel justitiële documentatie is niet in strijd met de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2015/50
JBP 2015/107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 14/7995

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2015 in de zaak tussen

[naam 1] , te Schiedam, eiser,

gemachtigde: mr. R.H.P. Feiner,

en

de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. M.C. Rolle.

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzet tegen de verwerking van zijn persoonsgegevens niet gehonoreerd.

Bij besluit van 14 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2015. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 2] .

Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Verweerder heeft nadere stukken ingediend, waarop eiser heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 2 juli 2015, waarbij eiser zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P.H. Iwema, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich wederom laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, ditmaal bijgestaan door [naam 3] .

Ter zitting van 2 juli 2015 heeft de rechtbank ten aanzien van de stukken waarvoor verweerder bij brief van 4 juni 2015 heeft verzocht om toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Eiser heeft ter zitting toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

Overwegingen

1. Bij brief van 30 oktober 2013 heeft verweerder aan eiser kenbaar gemaakt dat hij eiser, vanwege minimaal één veroordeling voor een overval, straatroof of woninginbraak, scherp in de gaten zal gaan houden om te voorkomen dat eiser opnieuw “in de fout” gaat, en dat hij informatie over eiser zal gaan uitwisselen in het kader van het Veiligheidshuis Rotterdam-Rijnmond. Deze brief is verzonden in het kader van de plaatsing van eiser op de zogenaamde “HIT-lijst”, een lijst van personen die “high impact”-delicten hebben gepleegd. Deze personen worden besproken in het zogenoemde “Veiligheidshuis”, een samenwerkingsverband, waarbinnen verschillende instanties, zoals verweerder, het Openbaar Ministerie (OM), William Schrikker Groep, Bureau Jeugdzorg en de Deelgemeentelijke Organisatie Sluitende Aanpak, participeren. Deze instanties hebben wettelijke dan wel statutaire taken ten aanzien van de aanpak van minderjarige en meerderjarige veelplegers en/of van minderjarige en meerderjarige personen die het risico lopen tot deze categorie te gaan behoren, de aanpak van minderjarige of meerderjarige personen die structurele en/of ernstige overlast voor hun (woon)omgeving veroorzaken, de aanpak van huiselijk geweld en de nazorg aan minderjarige en meerderjarige ex-gedetineerden. De doelstelling van het Veiligheidshuis is tot een effectieve uitoefening van deze taken te komen, resulterend in het gezamenlijk vaststellen en uitvoeren van een persoonsgerichte aanpak. In het kader van het Veiligheidshuis worden persoonsgegevens uitgewisseld.

2. Eiser heeft zich, vanwege de inbreuk op zijn privéleven, tegen de uitwisseling van zijn persoonsgegevens verzet.

3. Het bestreden besluit berust op verweerders standpunt dat eiser voldoet aan de criteria voor plaatsing op de HIT-lijst, te weten: in de afgelopen vijf jaar minimaal drie keer als verdachte zijn aangehouden ter zake van (strafbare poging tot) straatroof, inbraak in een woning, overval, zware mishandeling, doodslag, moord of openlijke geweldpleging tegen personen èn daarnaast in de afgelopen twee jaar minimaal eenmaal zijn aangehouden ter zake van een misdrijf. Als aanvullend criterium, waaraan eiser ook voldoet, geldt dat de op de HIT-lijst geplaatste personen wonen in de regio Rotterdam-Rijnmond en dat zij minimaal eenmaal zijn veroordeeld voor een overval, straatroof of woninginbraak, waarbij geldt dat de veroordeling in eerste aanleg voor een meerderjarige niet langer dan drie jaar en voor een minderjarige niet langer dan twee jaar geleden is uitgesproken.

4. Ter zitting van 2 juli 2015 heeft de rechtbank vastgesteld dat eiser zich (thans uitsluitend) op het standpunt stelt dat verweerder op basis van artikel 36 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) had moeten besluiten de in het kader van het Veiligheidshuis verwerkte persoonsgegevens van eiser te verwijderen en dat eisers beroepsgronden alleen zien op (het niet toepassen van) artikel 36 van de Wbp.

5. Artikel 8 van de Wbp luidt als volgt:

“Persoonsgegevens mogen slechts worden verwerkt indien:

a. de betrokkene voor de verwerking zijn ondubbelzinnige toestemming heeft verleend;

b. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of voor het nemen van precontractuele maatregelen naar aanleiding van een verzoek van de betrokkene en die noodzakelijk zijn voor het sluiten van een overeenkomst;

c. de gegevensverwerking noodzakelijk is om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijke onderworpen is;

d. de gegevensverwerking noodzakelijk is ter vrijwaring van een vitaal belang van de betrokkene;

e. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt, of

f. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert.”

Artikel 36 van de Wbp luidt als volgt:

“1. Degene aan wie (…) kennis is gegeven van hem betreffende persoonsgegevens, kan de verantwoordelijke verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen, of af te schermen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

2. De verantwoordelijke bericht de verzoeker binnen vier weken na ontvangst van het verzoek schriftelijk of dan wel in hoeverre hij daaraan voldoet. Een weigering is met redenen omkleed.

3. (…)”

6. De rechtbank is van oordeel dat de onder 3 genoemde criteria voor plaatsing op de HIT-lijst van zodanig gewicht zijn dat, indien daaraan wordt voldaan, verwerking van persoonsgegevens mag plaatsvinden. Ten aanzien van de in het Veiligheidshuis samenwerkende organisaties die als bestuursorgaan zijn te kwalificeren, biedt artikel 8, aanhef en onder e, van de Wbp daarvoor een toereikende grondslag. Voor de betreffende bestuursorganen is de gegevensverwerking noodzakelijk voor de goede vervulling van hun publiekrechtelijke taak. Ten aanzien van de organisaties binnen het Veiligheidshuis die niet als bestuursorgaan zijn te kwalificeren, biedt artikel 8, aanhef en onder f, van de Wbp daarvoor een toereikende grondslag. Voor die organisaties is de gegevensverwerking noodzakelijk voor de behartiging van hun gerechtvaardigde belang en weegt dat belang, gegeven de onder 3 vermelde criteria, zwaarder dan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene. De omstandigheid dat op 30 oktober 2013 nog niet daadwerkelijk een Algemeen Privacyreglement Veiligheidshuis Rotterdam-Rijnmond zou zijn vastgesteld waarin de criteria voor plaatsing op de HIT-lijst zijn omschreven, maakt niet dat de verwerking van persoonsgegevens in strijd is met de Wbp.

7.1.

Eiser stelt dat het dossier geen enkele grondslag biedt voor het bestreden besluit. Hij betwist dat hij aan de voorwaarden voor plaatsing op de HIT-lijst (en daarmee verwerking van persoonsgegevens) voldoet.

7.2.

Verweerder heeft zich in eerste instantie op het standpunt gesteld dat hij mocht afgaan op mondelinge mededelingen van het OM, waaruit bleek dat eiser aan de voorwaarden voldeed. Op het ter zitting van 1 mei 2015 gedane verzoek van de rechtbank heeft verweerder vervolgens bij het OM nadere informatie opgevraagd en van het OM een uittreksel justitiële documentatie van eiser (het uittreksel) ontvangen en aan de rechtbank doorgezonden. Uit het uittreksel blijkt onmiskenbaar dat eiser wel aan de voorwaarden voor plaatsing op de HIT-lijst voldeed. In zoverre slaagt deze beroepsgrond niet.

7.3.

Nu het uittreksel informatie bevat waarvan eiser kennis heeft en had, kan de rechtbank, voor zover al geoordeeld kan worden dat sprake is (geweest) van schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, ter zake van het ontbreken van gedocumenteerde gegevens in de bezwaarfase toepassing geven aan artikel 6:22 van de Awb. Ook in zoverre slaagt deze beroepsgrond dus niet.

8.1.

Eiser heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de verstrekking door het OM van het uittreksel in strijd is met de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg).

8.2.

Ook dit betoog slaagt niet, nu de verstrekking voortvloeit uit een verzoek van de rechtbank en in artikel 8, eerste lid, van de Wjsg is bepaald dat ten behoeve van de rechtspleging justitiële gegevens worden verstrekt aan – onder meer – Nederlandse rechterlijke ambtenaren.

9.1.

Ter zitting van 2 juli 2015 heeft eiser verder betoogd dat de mondelinge verstrekking van de justitiële gegevens in het kader van het Veiligheidshuis strijd oplevert met de Wjsg en dat deze gegevens daarom niet gebruikt hadden mogen worden, zodat geen plaatsing op de HIT-lijst had mogen plaatsvinden en dus ook geen verwerking van persoonsgegevens.

9.2.

Op grond van artikel 8a, eerste lid, van de Wjsg, kan, voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, het College van procureurs-generaal in de gevallen waarin het op grond van artikel 39e of 39f bevoegd is strafvorderlijke gegevens te verstrekken, justitiële gegevens verstrekken.

Op grond van artikel 39f, eerste lid, van de Wjsg kan het College van procureurs-generaal, voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, onverminderd artikel 39e, aan personen of instanties voor de volgende doeleinden strafvorderlijke gegevens verstrekken:

a. het voorkomen en opsporen van strafbare feiten,

b. het handhaven van de orde en veiligheid,

(…).

Op grond van artikel 39f, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wjsg kan, voor zover hier van belang, het College van procureurs-generaal slechts strafvorderlijke gegevens aan personen of instanties als bedoeld in het eerste lid verstrekken, voor zover die gegevens voor die personen of instanties noodzakelijk zijn met het oog op een zwaarwegend algemeen belang.

9.3.

Aan de beoordeling of eiser op de HIT-lijst diende te worden geplaatst, lagen justitiële gegevens ten grondslag. Het OM heeft die gegevens mondeling ingebracht. Gegeven enerzijds de criteria zoals hiervoor vermeld onder 3, en anderzijds de doelstelling van het Veiligheidshuis zoals hiervoor vermeld onder 1, staat voldoende vast dat in dit geval de verstrekking noodzakelijk was met het oog op het zwaarwegend algemeen belang van het voorkomen en opsporen van strafbare feiten en het handhaven van de orde en veiligheid. De verstrekking heeft dan ook in overeenstemming met de Wjsg plaatsgevonden. Ook deze beroepsgrond slaagt dus niet.

9.4.

Eisers veronderstelling dat in zijn geval de justitiële gegevens deel uitmaken van de verwerkte persoonsgegevens, is, zo blijkt uit de door verweerder overgelegde stukken en na kennisneming van de stukken waarvan de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is geacht, onjuist. Hetgeen eiser daarover verder naar voren heeft gebracht, kan daarom wegens het ontbreken van een feitelijke grondslag onbesproken blijven.

10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder bij het bestreden besluit terecht niet is overgegaan tot verwijdering van eisers verwerkte persoonsgegevens.

11. In beroep heeft eiser ook nog aangevoerd dat verweerder op grond van artikel 35 van de Wbp gehouden is een volledig overzicht van de hem betreffende verwerkte persoonsgegevens te verstrekken en dat verweerder dat nagelaten heeft. De rechtbank zal in het midden laten of verweerder hierover een apart besluit had moeten nemen, nu verweerder het document waarin deze gegevens zijn opgenomen uiteindelijk aan de rechtbank heeft toegezonden en de rechtbank dit document in afschrift aan eiser heeft doorgezonden. Eiser heeft daarmee kennis kunnen nemen van de betreffende gegevens. De rechtbank merkt daarbij op dat de passages, waarvoor verweerder een beroep op artikel 8:29 van de Awb heeft gedaan, geen persoonsgegevens van eiser bevatten. Eiser heeft daarom geen belang (meer) bij beoordeling van deze beroepsgrond.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.