Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:5917

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-08-2015
Datum publicatie
17-08-2015
Zaaknummer
C/10/468665 / HA ZA 15-105
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling van gesteld achterstallige verzekeringspremies sedert 2007. Geschil over al dan niet beëindigd zijn van ANW-Hiaatverzekeringsovereenkomst ten behoeve van werknemers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1529
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/468665 / HA ZA 15-105

Vonnis van 5 augustus 2015

in de zaak van

naamloze vennootschap

AEGON LEVENSVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Den Haag,

eiseres,

advocaat mr. J.C.A. Stevens,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ABB B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. R. van de Klashorst.

Partijen zullen hierna Aegon en ABB genoemd worden.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, met producties.

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 22 april 2015 waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    de bij brief van 23 juni 2015 van de zijde van Aegon toegestuurde bijlage;

  • -

    het proces-verbaal van de op 24 juni 2015 gehouden comparitie van partijen.

2 De feiten

In deze procedure wordt van de navolgende vaststaande feiten uitgegaan.

2.1.

In 1996 hebben Aegon en ABB een raamovereenkomst gesloten waarin de afspraak is neergelegd dat medewerkers van ABB een zogeheten ANW-Hiaatverzekering (hierna: de verzekering) konden afsluiten bij Aegon. Deze verzekering verzekert het hiaat dat ontstaat indien een nabestaande geen recht heeft op een (volledige) ANW-uitkering.

2.2.

ABB bood de verzekering via Aegon vrijwillig aan aan haar medewerkers. De medewerkers die ervoor kozen deel te nemen aan de verzekering, droegen via hun brutoloon premie af aan ABB. De ingehouden premie werd door ABB doorbetaald aan Aegon via een rekening-courantverhouding.

2.3.

In 2006 heeft Aegon aan ABB meegedeeld de verzekering te willen beëindigen. Begin 2007 heeft daarover - voor zover hier relevant - de volgende e-mailcorrespondentie tussen ( [medewerker] ) ABB en ( [medewerker2] ) Aegon plaatsgevonden:

- e-mail van ABB aan Aegon van 2 januari 2007:

“hierbij alvast, zoals zojuist besproken de bevestiging dat we akkoord gaan met je voorstel. Tevens wil ik je vragen om een briefje naar me te sturen waarin je aangeeft met de verzekering in de huidige vorm te stoppen.”

- e-mail van Aegon aan ABB van 11 januari 2007:
“ABB heeft het ANW hiaat verzekerd bij Aegon. De afgelopen maanden hebben wij een aantal keren kontakt met elkaar gehad over de voortzetting van deze verzekering. Wij hebben u geïnformeerd dat de ANW hiaat verzekering van ABB administratief zeer bewerkelijk is. Dit komt omdat in het verleden specifiek voor ABB een maatwerk produkt is overeengekomen. Het gevolg is dat wij niet kunnen garanderen dat de administratie van dit produkt in de toekomst goed zal verlopen. Wij hebben daarom aangegeven dat wij de ANW hiaat verzekering per 31 december 2006 willen beëindigen.

Daarnaast hebben wij aangegeven dat wij verzekeringen zoals het ANW hiaat, alleen aanbieden aan klanten van wie ook de collectieve pensioenregeling bij ons is verzekerd. Reden hiervoor is dat indien alleen een ANW hiaat bij is verzekerd, AEGON niet de ondersteuning kan bieden zoals een klant van AEGON mag verwachten.

Graag bespreken wij met u hoe wij op een voor beide partijen bevredigende wijze tot afwikkeling van de ANW hiaat verzekering kunnen komen.”

2.4.

Bij e-mail van 13 januari 2010 heeft [medewerker] van Aegon aan de heer [medewerker2] van ABB, voor zover hier relevant, het volgende meegedeeld:

“Hierbij het overzicht van de deelnemers die wij verzekerd hebben voor een kapitaal bij overlijden, zoals meneer [betrokkene1] .

Wij vernemen graag of deze dln’ers nog meedoen aan deze regeling en als ze niet meer mee doen, graag de datum van de beëindiging doorgeven.

Zoals eerder aangegeven betreft dit een risicoverzekering, waarbij premie verschuldigd is totdat de deelname (vrijwillig) stopt.

Wij hebben voor deze dln’ers lange tijd geen mutaties ontvangen, waardoor de rekening courant elk jaar met een behoorlijke prolongatie belast wordt (ongeveer een ton per jaar)

Dit saldo dient betaald te worden of wordt tegen geboekt als blijkt dat een hier genoemd deelnemer inmiddels (al langere tijd) geen deelnemer meer blijkt te zijn.”

3 Het geschil

3.1.

Aegon vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, ABB te veroordelen om aan Aegon te betalen € 1.111.204,66 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juni 2013 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling voorts van ABB in de proceskosten.

3.2.

Op de grondslag van de vordering en de verweren daartegen van ABB wordt hierna onder de beoordeling ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Aegon vordert betaling door ABB van de over de periode 1 januari 2007 tot en met 1 juni 2014 verschuldigde premies voor de verzekering. Volgens Aegon heeft ABB deze premie nooit betaald. Vanwege de grote betalingsachterstand is de verzekering met ingang van 1 juni 2014 premievrij gemaakt en is de dekking per die datum vervallen, aldus Aegon.

4.2.

ABB voert aan dat de verzekering met ingang van 1 januari 2007 op initiatief van Aegon is beëindigd, zodat met ingang van die datum geen premie meer verschuldigd is. Het door Aegon gevorderde bedrag, dat de premie betreft die zou zijn verschuldigd ná 1 januari 2007, is daarom volgens ABB niet verschuldigd.

4.3.

De rechtbank overweegt het volgende.
Aan de vordering van Aegon ligt de stelling ten grondslag dat na 1 januari 2007 nog altijd sprake was van een verzekeringsovereenkomst tussen partijen die ABB verplichtte tot premiebetaling. Uit de door beide partijen in het geding gebrachte e-mailwisseling van begin 2007 (hiervoor weergegeven onder 2.3) volgt dat partijen toentertijd beoogden de verzekering met wederzijds goedvinden te beëindigen. Dit blijkt ook uit de niet betwiste verklaring van de heer [medewerker2] , werkzaam bij ABB, erop neerkomend dat eind 2006 een bespreking heeft plaatsgevonden met Aegon waarin uitdrukkelijk aan de orde is gekomen dat de verzekering per 2007 zou worden beëindigd.

4.4.

Volgens Aegon is de verzekering desalniettemin doorgelopen na 1 januari 2007. Dat blijkt volgens haar daaruit dat ook na die datum, net als voordien, periodiek premienota’s en rekeningcourantoverzichten zijn verzonden aan ABB. ABB betwist dat zij na 1 januari 2007 nog dergelijke documenten met betrekking tot de verzekering heeft ontvangen. Aegon heeft ter zitting uitdrukkelijk aangegeven geen (kopieën van) premienota’s en rekeningcourantoverzichten over de periode na 1 januari 2007 te kunnen produceren. Zij heeft te bewijzen aangeboden dat het door de gebruikte automatiseringssystemen niet anders kan zijn dat premienota’s zijn verstuurd. Zelfs als dit laatste kan worden aangenomen, wil dat nog niet zeggen dat ABB de premienota’s heeft ontvangen.
Als onbetwist gesteld door ABB staat voorts vast dat - anders dan daarvoor - vanaf 2007 geen opgave meer is gedaan door ABB aan Aegon van de aan de verzekering deelnemende werknemers.

In rechte moet er dan ook van worden uitgegaan dat de tussen partijen gebruikelijke correspondentie met betrekking tot de verzekering na 2006 is gestaakt.

4.5.

Vast staat ook dat Aegon tot 2013 geen enkele actie heeft ondernomen om premie te incasseren. Zij verklaart dat door aan te geven dat in het systeem “aangevinkt” stond dat er niet aangemaand moest worden. Dat is evenwel geen logische verklaring. Het ging hier om aanzienlijke premiebedragen waarvan betaling meerdere jaren uitbleef. Dat Aegon niets heeft gedaan om de almaar stijgende vermeende premieschuld te innen, wijst er naar het oordeel van de rechtbank dan ook eerder op dat ABB geen premie verschuldigd was.

4.6.

Uit het voorgaande moet worden opgemaakt dat partijen ook daadwerkelijk uitvoering hebben gegeven aan het voornemen om de verzekering met ingang van 1 januari 2007 te beëindigen.

4.7.

Aegon hecht veel belang aan haar productie 6. Dat betreft een e-mailbericht van Aegon aan ABB van 13 januari 2010 (zie 2.4 van dit vonnis). Daaruit, en uit een ter comparitie door Aegon aangevoerd doch niet overgelegd e-mailbericht van kort na 13 januari 2010 van de heer [medewerker2] (werkzaam bij ABB) aan Aegon, volgt volgens Aegon dat er na 1 januari 2007 tussen partijen nog contact is geweest over de verzekering. De rechtbank volgt Aegon daarin niet. Dat de heer [medewerker2] heeft gereageerd op de bedoelde e-mail van 13 januari 2010 en het overlijden van de daarin genoemde werknemer “ [betrokkene1] ” heeft bevestigd, is onvoldoende om uit af te leiden dat de verzekeringsovereenkomst toen nog bestond. Dat geldt temeer nu ABB onbetwist heeft gesteld dat tussen haar en Aegon nog geregeld contact was over een andere (pensioen)verzekering.

4.8.

Het feit dat Aegon na 1 januari 2007 uitkeringen heeft gedaan onder de verzekering levert evenmin bewijs op van het voortduren van de overeenkomst. In de systemen van Aegon is de deelnemerslijst zoals die eind 2006 luidde blijven staan. Aegon werd volgens haar eigen stellingen door het GBA geïnformeerd als iemand van die lijst overleed. Vervolgens ging zij - buiten verzekeringnemer ABB om - met de schadeafwikkeling aan de slag. Dat betekent niet dat daarvoor nog een contractuele basis bestond. Gesteld noch gebleken is dat ABB toe te rekenen valt dat Aegon na 1 januari 2007 uitkeringen is blijven doen.

4.9.

De conclusie luidt dan ook dat de verzekering per ultimo 2006 met wederzijds goedvinden is beëindigd; niet is komen vast te staan dat na 2006 nog een verzekeringsovereenkomst tussen partijen bestond. Dat betekent dat de vordering van Aegon tot betaling van na 2006 vervallen premie moet worden afgewezen.

4.10.

Aegon zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Dat komt neer op € 3.864,- aan vastrecht en op € 6.422,- aan salaris voor de advocaat van ABB, in totaal dus € 10.286,-. De door ABB gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en nakosten zullen worden toegewezen op de wijze als in het dictum vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank,

wijst de vorderingen van Aegon af;

veroordeelt Aegon in de aan de zijde van ABB gevallen proceskosten, tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 10.286,-;

veroordeelt Aegon in de na de uitspraak nog vallende kosten (de nakosten), aan de zijde van ABB bepaald op € 131,00 aan salaris voor de advocaat en verhoogd met € 68,00 ingeval van betekening, waarbij die verhoging slechts verschuldigd is indien Aegon 14 dagen na aanschrijving de tijd heeft gehad om in der minne aan dit vonnis te voldoen,

bepaalt met betrekking tot de (na)kosten, behoudens voor wat betreft de eventuele verhoging met € 68,00 ingeval van betekening, dat Aegon deze dient te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis, en veroordeelt Aegon, voor het geval voldoening van die (na)kosten binnen die termijn niet plaatsvindt, tot betaling van de wettelijke rente over die (na)kosten te rekenen vanaf het verstrijken van voornoemde termijn voor voldoening,

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2015.

1861/676