Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:5903

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-08-2015
Datum publicatie
14-08-2015
Zaaknummer
4353644 VZ VERZ 15-16360
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Geregelde ontbinding op basis van art. 96 Rv. Partijen woonachtig c.q. gevestigd te Den Haag. Ontbinding verzocht op grond van 7:669 lid 3 sub g BW. Ontbinding toegewezen, echter geen wettelijke grondslag voor toekenning van overeengekomen vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0760 met annotatie van A.R. Houweling
TvPP 2015, afl. 5, p. 151
AR 2015/1521
Prg. 2015/246
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4353644 VZ VERZ 15-16360

uitspraak: 13 augustus 2015

beschikking ex artikel 96 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, houdende ontbinding van de arbeidsovereenkomst ex artikel 7:671b BW

in de zaak van:

stichting

[Stichting X.] ,

gevestigd te Den Haag,

verzoekster,

gemachtigde: mr. drs. M.A. Kuyt-Fokkens, advocaat te Voorburg,

tegen

[verweerder] ,
wonende te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde: mw. mr. J.K. Bekhof (DAS Rechtsbijstand te Amsterdam).

1 Het verloop van de procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    het verzoekschrift, ter griffie ontvangen op 6 augustus 2015;

  • -

    het verweerschrift, eveneens ter griffie ontvangen op 6 augustus 2015.

Beide partijen hebben de kantonrechter verzocht op de voet van artikel 96 Rv de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van het bepaalde in artikel 7:671b BW. Daarbij hebben partijen te kennen gegeven geen prijs te stellen op een mondelinge behandeling van het verzoek. Niet gebleken is dat partijen zich het recht op hoger beroep hebben voorbehouden als bedoeld in artikel 333, laatste volzin Rv.

2 De vaststaande feiten

Aan de genoemde stukken kan wat de feiten betreft het volgende worden ontleend:

 verweerder, geboren [geboortedatum] 1956, is sinds 1 oktober 1997 bij verzoekster in dienst, laatstelijk in de functie van directeur;

 het salaris van verweerder bedraagt thans € 5.707,- bruto per maand, exclusief 8% vakantiebijslag;

 de opzegtermijn bedraagt 4 maanden.

3 Het verzoek

Het verzoek strekt tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 januari 2016 op grond van artikel 7:671b jo. 7:669 lid 3 sub g BW. Daarbij stelt verzoekster - kort samengevat en voor zover thans van belang - dat tussen partijen in toenemende mate sprake is van een verschil van inzicht tussen verweerder en het bestuur van verzoekster. Dit verschil van inzicht is (zelfs na inzet van mediation) onherstelbaar gebleken en voortzetting van de arbeidsovereenkomst is niet mogelijk, althans kan niet van haar worden gevergd, waarbij verzoekster overigens aantekent dat partijen over en weer van de ontstane situatie geen verwijt kan worden gemaakt. Herplaatsing is niet mogelijk, althans ligt niet in de rede, nu verweerder directeur is en verzoekster een zeer kleine organisatie is.

Verzoekster heeft voorts te kennen gegeven dat verweerder thans arbeidsongeschikt is, doch binnen afzienbare tijd is zijn herstel te verwachten. Bovendien houdt het onderhavige ontbindingsverzoek geen verband met de ziekte of een ander opzegverbod.

Verzoekster heeft zich bereid verklaard om aan verweerder bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst een ontslagvergoeding te betalen van € 125.000,- bruto, waarbij geldt dat in die vergoeding de transitievergoeding is begrepen.

4 Het verweer

Verweerder heeft - kort samengevat en voor zover thans van belang - aangevoerd dat hij niet kan ontkennen dat in de loop van het dienstverband een verschil van inzicht is ontstaan omtrent de wijze waarop hij invulling dient te geven aan de bedongen arbeid. Overleg over de ontstane situatie heeft niet tot een oplossing geleid en gaandeweg is duidelijk geworden dat het verschil van inzicht onoverbrugbaar is. Verweerder erkent dat herplaatsing in een andere passende functie binnen de organisatie van verzoekster niet tot de mogelijkheden behoort. Verweerder betreurt de thans ontstane situatie, doch hij heeft benadrukt dat hem daarvan geen enkel verwijt gemaakt kan worden. Voor het geval dat de kantonrechter tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zou overgaan, heeft verweerder aanspraak gemaakt op de door verzoekster aangeboden vergoeding van € 125.000,- bruto, waarin zijn aanspraken op de transitievergoeding begrepen zijn.

Verweerder heeft tevens te kennen dat hij op het moment van indiening van het verzoekschrift op medische gronden arbeidsongeschikt is, doch verweerder erkent dat er geen verband bestaat tussen zijn ziekte en het ontbindingsverzoek. De reden van het ontbindingsverzoek is immers gelegen in het tussen partijen gerezen verschil van inzicht.

5 De beoordeling van het verzoek

5.1.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden opgezegd indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Die eisen gelden ingevolge artikel 7:671b lid 2, eerste volzin, BW ook voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter. In artikel 7:669 lid 3 BW is (limitatief) omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Nu partijen het er over eens zijn dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding op grond waarvan van verzoekster niet kan worden verlangd de arbeidsverhouding voort te zetten en dat herplaatsing van verweerder in een andere passende functie niet tot de mogelijkheden behoort, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden. Gelet op de standpunten van partijen is immers sprake van een redelijke grond voor ontbinding als bedoeld in artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g, BW.

Verweerder is op dit moment weliswaar arbeidsongeschikt, doch partijen zijn het erover eens dat het onderhavige ontbindingsverzoek geen enkel verband houdt met de ziekte van verweerder, zodat de ziekte geen beletsel vormt voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Bovendien blijkt uit hetgeen partijen over en weer hebben gesteld dat binnen afzienbare tijd het herstel van verweerder te verwachten valt.

5.2.

Partijen zijn het er voorts over eens dat bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 januari 2016 de opzegtermijn in acht wordt genomen, zodat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8 onder a BW zal worden ontbonden met ingang van genoemde datum van 1 januari 2016.

5.3.

Voor wat betreft het verzoek tot toekenning van de tussen partijen afgesproken vergoeding van € 125.000,- bruto overweegt de kantonrechter als volgt.

In het kader van de ontbinding van een arbeidsovereenkomst biedt de wet de kantonrechter slechts de mogelijkheid om twee soorten vergoedingen toe te kennen, te weten de transitievergoeding en/of de billijke vergoeding. Toekenning van een billijke vergoeding aan een werknemer is - behoudens enkele hier niet van toepassing zijnde uitzonderingen - alleen mogelijk en bedoeld voor een geval waarin sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, zoals onder andere in artikel 7:671b lid 8 onder c BW is bepaald. Nu niet is gesteld of gebleken dat daarvan sprake is, kan de kantonrechter de tussen partijen afgesproken vergoeding niet op die grond aan verweerder toekennen.

Uit de stellingen van beide partijen blijkt dat genoemde vergoeding van € 125.000,- bruto de transitievergoeding te boven gaat, terwijl bovendien geldt dat de tussen partijen afgesproken vergoeding hoger is dan het in artikel 7:673 lid 2 BW genoemde bedrag van € 75.000,- bruto, zodat ook het bepaalde in genoemd artikel geen grondslag biedt voor toekenning van de door partijen afgesproken vergoeding.


Voor afwijzing van de vergoeding bestaat naar het oordeel van de kantonrechter echter ook geen grond, nu uit de stellingen van partijen blijkt dat zij daarover overeenstemming hebben bereikt. De kantonrechter zal op na te melden wijze in het dictum van deze uitspraak melding maken van de tussen partijen op dit punt getroffen regeling.

5.4.

Gelet op de aard van het geschil worden geen termen aanwezig geacht om de ene partij de proceskosten van de andere partij te laten vergoeden.

6 De beslissing

De kantonrechter:

rechtdoende bij wijze van art. 96 Rv:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 januari 2016;

verstaat dat verzoekster aan verweerder een vergoeding betaalt van € 125.000,- bruto, in welk bedrag de aanspraken van verweerder op de transitievergoeding begrepen zijn;

bepaalt dat partijen overigens ieder de eigen kosten van deze procedure dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

710