Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:5767

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-08-2015
Datum publicatie
10-08-2015
Zaaknummer
C/10/464089 / KG RK 14-2082
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Exequatur. Rechtsmacht. Discretionaire bevoegdheid van de rechter ten aanzien van de artikelen IV en V van het verdrag van New York. Bewijslast artikel V.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2015, afl. 6, p. 315
TvA 2015/85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/10/464089 / KG RK 14-2082

Beschikking van de voorzieningenrechter van 5 augustus 2015

in de zaak van

de vennootschap naar vreemd recht

MARVESA AG,

gevestigd te Zug, Zwitserland,

verzoekster,

advocaat mr. N.J. Margetson te Rotterdam,

tegen

de vennootschap naar vreemd recht

OOO GAMMA-TRADE,

gevestigd te Moskou, Rusland,

verweerster,

advocaat mr. M.M. van Leeuwen te Rotterdam.

Partijen zullen hierna verzoekster en verweerster genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de tussenbeschikking van 3 april 2015, de daarin genoemde stukken en de daarin genoemde twee mondelinge behandelingen van de zaak ter zitting,

  • -

    de nadere schriftelijke stellingname (“ conclusiewisselingen”) van partijen.

1.2.

Partijen hebben kenbaar gemaakt geen prijs te stellen op een nadere mondelinge behandeling.

1.3.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Het verzoek strekt tot verlening van verlof tot tenuitvoerlegging (exequatur) van twee in Londen gewezen arbitrale vonnissen. De voorzieningenrechter heeft de behandeling van de zaak na de zitting van 27 maart 2015 aangehouden om verweerster de mogelijkheid te bieden om adequaat te kunnen reageren op de door verzoekster overgelegde gedingstukken, waarvan verweerster toen nog geen kennis had kunnen nemen.

2.2.

Tussen partijen is eerst nog discussie gevoerd over de vraag of verzoekster de onderhavige procedure had ingetrokken. Beide partijen zijn het er uiteindelijk over eens dat de onderhavige procedure als niet ingetrokken kan worden beschouwd. Niets verzet zich er derhalve tegen dat thans een eindbeschikking wordt gegeven.

2.3.

Verweerster voert aan dat verzoekster geen belang heeft bij een exequatur omdat zij geen vermogensbestanddelen in Nederland heeft en deze in de relevant te achten toekomst ook niet zal hebben. Dit verweer faalt. De Nederlandse rechter komt op grond van art. 3, aanhef en onder c, Rv steeds rechtsmacht toe om kennis te nemen van een verzoek om verlof te verlenen tot tenuitvoerlegging in Nederland van een in een vreemde staat gewezen arbitraal vonnis. Een dergelijke zaak is naar haar aard voldoende met de rechtssfeer van Nederland verbonden in de zin van art. 3, aanhef en onder c, Rv. (HR 17 april 2015 ECLI:NL:HR:2015:1077).

2.4.

De voorzieningenrechter tekent nog aan dat uit de aard der zaak niet kan worden uitgesloten dat zich op enig toekomstig moment wel vermogensbestanddelen van verweerster in Nederland zullen bevinden. Dit heeft des te meer te gelden nu verweerster zich blijkens de inhoud van de twee arbitrale vonnissen kennelijk toelegt op de internationale handel. De onzekerheid of zich in de toekomst wel/geen vermogens-bestanddelen van verweerster in Nederland zullen bevinden komt niet voor risico van verzoekster.

2.5.

Verweerster bestrijdt dat de voorzieningenrechter rechtsmacht toekomt om kennis te nemen van de onderhavige procedure. Dit verweer faalt reeds op grond van hetgeen de Hoge Raad in voormeld arrest heeft overwogen omtrent art. 3 aanhef en onder c Rv.

2.6.

Artikel IV van het Verdrag van New York noopt verzoekster tot overlegging van de in dit artikel genoemde bescheiden. Verzoekster erkent in haar verzoekschrift dat zij geen gelegaliseerde exemplaren heeft overgelegd van de arbitrageovereenkomst, noch van de arbitrale vonnissen en evenmin van een voor eensluidend gewaarmerkte vertaling van deze stukken. Verzoekster stelt in dit verband dat de rechter een discretionaire bevoegdheid heeft ten aanzien van het al dan niet hanteren van de door het Verdrag van New York opgelegde formaliteiten. Verzoekster verlangt dat de rechter van deze gestelde bevoegdheid gebruik maakt, mede omdat hier sprake is van de veelvoorkomende Fosfa-regels en het tussen partijen niet in geschil is dat Fosfa-arbitrage is overeengekomen. Wel is verzoekster bereid deze stukken alsnog over te leggen indien de rechter zulks vereist.

2.7.

Het standpunt van verweerster inzake het beroep van verzoekster op een discretionaire bevoegdheid is niet geheel duidelijk. De advocaat van verweerster voert in zijn brief van 16 april 2015 aan dat hij nog overleg moeten plegen met zijn cliënte over de vraag of de weren inzake deze kwestie worden “opgevoerd/gehandhaafd.” Verweerster is hierop in haar latere brief van 5 juni 2015 niet teruggekomen. De voorzieningenrechter gaat er van uit dat verweerster haar verweren niet wenst prijs te geven.

2.8.

Een onderscheid moet worden gemaakt tussen artikel IV en artikel V van het Verdrag van New York. Artikel IV regelt welke stukken moeten worden overgelegd bij een verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging. Artikel V regelt limitatief op welke gronden het verzochte verlof geweigerd wordt (in artikel V staat overigens niet als weigeringsgrond genoemd het niet voldoen aan de vereisten van artikel IV).

Met betrekking tot artikel V bestaat er een juridische discussie of de rechter dit artikel onverkort moet toepassen (heersende opvatting in continentaal Europa) dan wel hierbij nog een discretionaire bevoegdheid heeft (heersende opvatting in de common law landen). Het gaat hier echter niet om de vraag of een discretionaire bevoegdheid bestaat ter zake van artikel V. Het gaat hier om de vraag of voorbij kan worden gegaan aan de eis van overlegging van de in artikel IV genoemde geschriften.

2.9.

De voorzieningenrechter sluit zich aan bij het oordeel in de beschikking van 18 juni 2009 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2009:BI9930). In die beschikking is geoordeeld dat artikel V van het Verdrag van New York geen sancties stelt op het niet nakomen van de “vereisten” van artikel IV. Voorts is in die beschikking geoordeeld dat een redelijke uitleg van artikel IV, lid 1, met zich brengt dat in de omstandigheden van dat geval voorbijgegaan kon worden aan de vereisten van artikel IV lid 1. De omstandigheden zoals die hier aan de orde zijn, zijn in voldoende mate vergelijkbaar met de omstandigheden in die beschikking. Verweerster is, zoals zij erkent, de Nederlandse taal zelf niet machtig. In zoverre is vertaling in het Nederlands voor haar niet zinvol. De onderhavige overeenkomst tot arbitrage is blijkens de tekst daarvan opgesteld in zowel het Engels als in het Russisch. Russisch is de taal die gevoerd wordt in het land waar verweerster is gevestigd. Verweerster voert ook niet aan dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt. Integendeel, zij erkent het bestaan ervan. Verweerster kent de arbitrageovereenkomst (goed). De twee onderhavige arbitrale vonnissen zijn opgesteld in (alleen) de Engelse taal. Dit is een taal die in het internationale handelsverkeer, waaraan verweerster deelneemt, bepaald gebruikelijk is. Verweerster heeft ruime mogelijkheid gehad om kennis te nemen van de inhoud van deze twee arbitrale vonnissen, die al geruime tijd geleden, én bovendien op tegenspraak, zijn gewezen. Ook ter zitting in de onderhavige procedure bleek dat verweerster goed op de hoogte is van de inhoud van de twee arbitrale vonnissen. Bovendien is het de voorzieningenrechter ambtshalve bekend dat partijen al meerdere procedures hebben gevoerd over (beslaglegging in Nederland in verband met) de twee onderhavige arbitrale vonnissen. Verweerster voert ook niet aan dat verzochte verlof meer of anders omvat dan hetgeen waartoe zij is veroordeeld in de twee arbitrale vonnissen. Onder deze omstandigheden vindt de voorzieningenrechter aanleiding om geen consequenties te verbinden aan het ontbreken van de litigieuze stukken.

2.10.

Artikel V, eerste lid onder e, van het verdrag van New York bevat een regeling inzake de weigering om verlof tot tenuitvoerlegging te geven indien een arbitraal vonnis nog niet bindend is geworden. Verweerster voert in haar pleitnotitie aan dat het maar de vraag is of aan die eis is voldaan. Dit verweer faalt. Op verweerster rust de hier de bewijslast. Dit staat in artikel V lid 1 van het verdrag. Het had daarom op weg gelegen van verweerster om een voldoende concreet bewijsaanbod te doen, waarbij zou zijn ingegaan op de door verzoekster overgelegde verklaring van Fosfa dat de twee arbitrale vonnissen authentiek zijn en niet langer vatbaar zijn voor hoger beroep, en welke verklaring vergezeld gaat van een verklaring van een “notary public” dat de handtekening op de verklaring van Fosfa authentiek is en die op de achterkant is voorzien van een apostille (bijlage 7 bij brief van 23 december 2014). Dit heeft verweerster niet gedaan.

2.11.

Slotsom is dat het verzochte verlof zal worden verleend, zij het dat de beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard zal worden. Dit is niet nodig omdat tegen deze beschikking, nu het verlof wordt verleend, geen rechtsmiddel openstaat (vgl. HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1194).

2.12.

Verweerster zal worden veroordeeld in de proceskosten van verzoekster. Deze kosten worden begroot op:

-€ 904,- aan salaris advocaat, conform de Liquidatietarieven: 1 punt voor het verzoekschrift, en 1 punt voor de mondelinge behandeling, onder toepassing van tarief II (zaak van onbepaalde waarde: € 452,- per punt). Voor de eerste mondelinge behandeling wordt geen vergoeding toegekend omdat toen geen inhoudelijke behandeling kon plaatsvinden om een reden die niet toerekenbaar is aan verweerster.

-€ 120,- aan griffierecht. Voor zover sprake is van nog meer verschotten zijn deze niet toewijsbaar omdat daarin niet adequaat inzage is gegeven door verzoekster.

3 De beslissing

De voorzieningenrechter

3.1.

verleent verzoekster verlof om de twee navolgende arbitrale vonnissen, gewezen te Londen op 2 april 2014:

-FOSFA International AWARD OF ARBITRATION NO 4365

-FOSFA International AWARD OF ARBITRATION NO 4369.

in Nederland ten uitvoer te leggen,

3.2.

veroordeelt verweerster in de proceskosten van verzoekster, tot op heden begroot op € 1.024,-,

3.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2015.1

1 2517/676