Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:5696

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-08-2015
Datum publicatie
10-08-2015
Zaaknummer
C/10/455729 / HA ZA 14-766
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad; ski-ongeval in Oostenrijk waarbij twee Nederlanders betrokken waren; toepasselijk recht; artikel 4 lid 2 Rome II-Verordening: Nederlands recht van toepassing; eiseres stelt dat zij van achteren een forse slag tegen haar schouder heeft gekregen van iemand die met grote vaart tegen haar aanskiede. Gedaagde betwist dat zij eiseres van achteren zou hebben aangeskied. Eiseres is toegelaten tot leveren bewijs toedracht ongeval. Indien dit bewijs wordt geleverd, heeft gedaagde gehandeld in strijd met hetgeen in het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, omdat eiseres op grond van de geldende FIS-regels mocht verwachten dat zij als voorligger voorrang had en een achteropkomende skiër haar veilig zou passeren dan wel op afstand zou blijven en zijn/haar spoor zo zou kiezen dat hij/zij de voor hem/haar skiënde persoon niet in gevaar bracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/455729 / HA ZA 14-766

Vonnis van 5 augustus 2015

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. J.W. Janssens te Houten,

tegen

1 [gedaagde1] ,

wonende te [woonplaats2] ,

2. de naamloze vennootschap

ABN AMRO SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Zwolle,

gedaagden,

advocaat mr. P. Oskam te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] , [gedaagde1] en ABN Amro genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 12 november 2014, waarin een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van 2 april 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 1 februari 2011 vond in het Hochalm Schigebied, Abfahrt nummer 25 in Hinterglemm, Oostenrijk een ski-ongeval plaats. Bij dit ski-ongeval waren [eiseres] en [gedaagde1] betrokken. [eiseres] en [gedaagde1] waren daar in het kader van een skivakantie.

2.2.

Zowel [eiseres] als [gedaagde1] is door de Oostenrijkse politie gehoord. Van hun verklaring is proces-verbaal opgemaakt. Ook een vriendin van [eiseres] , [persoon1] , heeft tegenover de politie in Oostenrijk een verklaring afgelegd.

2.3.

De hiervoor bedoelde verklaring van [persoon1] luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

“ (…) Als wir auf der Piste Nummer 25, einer blauwen Piste in Richtung Mittelstation Hochalm fuhren, das war zwischen 01.00 Uhr und 01.30 Uhr, fuhr meine Freundin [eiseres] vor mir. Sie fuhr in etwas längeren Schwüngen mit ihren Alpinski vor mir. Ich würde sagen, dass sie eine gute Skifahrerin ist. Sie fährt schon seit 15 oder 20 Jahren regelmässig Ski. Wir fuhren nicht sehr schnell aber auch nicht langsam.

Plötzlich sah ich von der linken Seite eine andere Frau daherkommen. Ich kann nicht sagen, wie der Unfall genau passiert ist, aber auf einmal ist meine Freundin mit der Frau kollidiert. Ich kan nicht sagen, ob meine Freundin einen Schwung machte, oder welche Körperteile aneinander geprallt sind. Es ging sehr schnell. Beide stürzten und die Bindungen der anderen Frau öffneten sich beide. Bei meiner Freundin öffnete sich eine Binding auf jeden Fall. Ob sich die zweite öffnete, kann ich nicht sagen. (…)”

2.4.

[eiseres] is na het ongeval naar een ziekenhuis in Oostenrijk afgevoerd en is na drie dagen gerepatrieerd naar Nederland, waar zij van 4 februari 2011 tot 10 februari 2011 in een ziekenhuis in Enschede opgenomen is geweest.

2.5.

Ten gevolge van het ongeval heeft [eiseres] letsel opgelopen, te weten een stabiele bekkenfractuur, waarbij de bovenste en onderste schaambeentak aan de linkerzijde waren gebroken, alsmede een fractuur van de heupkom links.

2.6.

[eiseres] heeft [gedaagde1] bij brief van 30 maart 2011 aansprakelijk gesteld voor de materiele en immateriële schade.

2.7.

ABN Amro is de aansprakelijkheidsverzekeraar van [gedaagde1] . ABN Amro is onderdeel van de Delta Lloyd Groep.

2.8.

De Fédération Internationale du Ski (verder te noemen FIS) heeft regels opgesteld. De eerste, tweede, derde en vierde regel luiden als volgt:

“1. Iedere skiër of snowboarder moet zich zo gedragen, dat hij anderen niet in gevaar brengt of schade toebrengt.

2. Iedere skiër of snowboarder moet op basis van zichtbaarheid bewegen. Iedere skiër of snowboarder moet zijn snelheid en wijze van bewegen aanpassen aan zijn eigen capaciteiten, de toestand van de piste, de sneeuw- en weersgesteldheid en de verkeersdichtheid.

3. Wanneer een skiër of snowboarder een ander van achteren nadert moet hij zijn spoor zo kiezen, dat hij een voor hem bewegende skiër of snowboarder niet in gevaar brengt.

4. Inhalen mag van boven of van beneden en van rechts of van links, mits op zodanige afstand dat de ingehaalde op geen enkele wijze in zijn bewegingen wordt belemmerd.”

2.9.

Paragraaf 8 van de Pisteordnungsentwurf des österreichischen Kuratoriums für alpine Sicherheit (hierna: POE) luidt als volgt:

“Der hintere, schnellere Skifahrer hat seine Fahrweise dem vorderen, langsameren Skifahrer anzupassen; dieser hat Vorrang gegenüber dem hinteren Fahrer. Der Skifahrer ist nicht verpflichtet, während der Fahrt die Läufer hinter sich zu beobachten, jedoch hat der die Piste querende Skiläufer auch nach oben zu beobachten und auf von oben kommende Läufer Rücksicht zu nehmen.”

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert na wijziging van eis bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I. te verklaren voor recht dat [gedaagde1] aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade zowel materieel als immaterieel, welke schade het gevolg is van het ongeval van 1 februari 2011;

II. [gedaagde1] te veroordelen tot vergoeding van alle door [eiseres] geleden en nog te lijden schade, als gevolg van het voorval van 1 februari 2011, welke schade opgemaakt dient te worden bij staat en vereffend volgens de wet;

III. ABN Amro op de voet van artikel 7:954 van het Burgerlijk Wetboek te veroordelen om [eiseres] te betalen al hetgeen zij op grond van de met [gedaagde1] gesloten verzekeringsovereenkomst aan uitkering verschuldigd is;

IV. [gedaagde1] en ABN Amro hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding, daaronder de nakosten begrepen ten bedrage van € 131,00 zonder dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, verhoogd met een bedrag van € 68,00 indien en voor zover [gedaagde1] en ABM Amro niet binnen veertien dagen na aanschrijving van de veroordeling aan de veroordeling hebben voldaan en het vonnis om die reden is betekend, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskostenveroordeling vanaf veertien dagen na het in dezen te wijzen vonnis.

3.2.

[gedaagde1] en ABN Amro voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres] legt de volgende stellingen aan haar vordering ten grondslag. [eiseres] skiede op 1 februari 2011 met matige snelheid in bochtjes in de richting van het dal en zij heeft plotseling van linksachter een forse slag tegen haar linkerschouder gekregen van iemand die tegen haar aanskiede. Diegene bleek [gedaagde1] te zijn. [eiseres] weet niet waar [gedaagde1] vandaan kwam en zij had haar van te voren niet gezien of gehoord. [gedaagde1] heeft onzorgvuldig gehandeld door zich gevaarscheppend te gedragen als gevolg waarvan een ongeval is ontstaan en waarvan zij zich onder meer op grond van de geldende FIS-regels (regels 1 t/m 4) had dienen te onthouden. [gedaagde1] handelde in strijd met de geldende FIS-regels door met grote vaart tegen [eiseres] aan te skiën in plaats van haar snelheid beperkt te houden, althans te minderen en een andere route te kiezen, althans [eiseres] voorrang te verlenen. Tevens heeft [gedaagde1] in strijd met paragraaf 8 POE gehandeld. Door deze regels te overtreden heeft [gedaagde1] toerekenbaar onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld en is zij aansprakelijk voor de schade die [eiseres] dientengevolge lijdt.

4.2.

[gedaagde1] en ABN Amro verweren zich en stellen het volgende. Er is sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden dan wel van een zogenoemde sport- en spelsituatie, hetgeen meebrengt dat de gedragingen van [gedaagde1] niet als onrechtmatig zijn te beschouwen. Betwist wordt dat [gedaagde1] voorafgaand aan de botsing hoger skiede dan [eiseres] , dat zij [eiseres] van achteren zou zijn genaderd en dat zij met grote vaart tegen [eiseres] zou zijn aangeskied. [gedaagde1] skiede met normale snelheid in gelijkmatige bochten. De gehele piste voor haar aan de linkerzijde was leeg. Toen [gedaagde1] een bocht naar links wilde maken is zij plotseling geconfronteerd met [eiseres] die op hoge snelheid op gelijke hoogte vanaf de rechterkant aan was komen skiën. [eiseres] doorkruiste met een aanzienlijke snelheid de piste waarop ook [gedaagde1] skiede. Om een botsing te voorkomen heeft [gedaagde1] nog geprobeerd naar boven uit te wijken, maar door de plotselinge aanwezigheid van [eiseres] is het niet meer gelukt om [eiseres] te ontwijken. Partijen hebben elkaar geraakt ter hoogte van de linkerheup van [eiseres] en de rechterheup van [gedaagde1] . Omdat [gedaagde1] [eiseres] niet voor zich heeft gezien, vermoedt [gedaagde1] dat [eiseres] haar heeft ingehaald vanuit een bocht en op hoge snelheid voor [gedaagde1] op de piste is terechtgekomen.

Subsidiair doen [gedaagde1] en ABN Amro een beroep op ‘eigen schuld’ aan de zijde van [eiseres] in de zin van artikel 6:101 BW.

4.3.

De rechtbank oordeelt als volgt. Op grond van artikel 4 lid 2 van de Verordening Rome II is Nederlands Recht van toepassing op het onderhavige geschil, nu [eiseres] en [gedaagde1] beiden op 1 februari 2011 hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Tussen partijen is dit ook niet in geschil. Bij de beoordeling van het gedrag van de persoon wiens aansprakelijkheid in het geding is, moet ingevolge artikel 17 van de Verordening Rome II wel feitelijk en in passende mate rekening worden gehouden met de veiligheidsvoorschriften en gedragsregels die van kracht zijn op het tijdstip en de plaats van de gebeurtenis welke de aansprakelijkheid veroorzaakt.

4.4.

Aan de orde is de vraag of [gedaagde1] , en daarmee ABN Amro, aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval met [eiseres] . Als uitgangspunt geldt daarbij dat niet reeds de enkele mogelijkheid van een ongeval, als verwezenlijking van aan een bepaald gedrag inherent gevaar, dat gedrag onrechtmatig doet zijn, maar dat zodanig gevaarscheppend gedrag slechts onrechtmatig is indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval (het oplopen van letsel door een ander) als gevolg van dat gedrag zo groot is, dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden. Bij toetsing aan de hiervoor vermelde maatstaf dient betrokken te worden het gevaar dat partijen gezien die specifieke situatie over en weer van elkaar redelijkerwijze kunnen en moeten verwachten. De vraag of een deelnemer aan een sport of spel onrechtmatig heeft gehandeld door een gedraging als gevolg waarvan aan een andere deelnemer letsel is toegebracht, wordt minder spoedig bevestigend beantwoord dan in het geval dat diezelfde gedraging buiten een sport- of spelsituatie heeft plaatsgevonden.

4.5.

[eiseres] en [gedaagde1] hebben deelgenomen aan een recreatieve en actieve/sportieve activiteit, namelijk het op ski’s afdalen op een blauwe piste met steile stukken. Deze omstandigheid is relevant voor het vaststellen van de mate van zorgvuldigheid die in de concrete situatie van [gedaagde1] (en van [eiseres] zelf) mocht worden verlangd. Als deelnemers aan deze sportactiviteit moesten zij immers in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe deze activiteit uitlokt of die daarin besloten liggen, van elkaar verwachten. Dat [eiseres] en [gedaagde1] geen deel uitmaakten van dezelfde groep skiërs doet daaraan, anders dan [eiseres] heeft betoogd, niet af. In zoverre is de sport- en speljurisprudentie op de voorliggende situatie van toepassing en geldt een met deze specifieke situatie samenhangende verhoogde aansprakelijkheidsdrempel.

4.6.

Bij de beantwoording van de vraag of [gedaagde1] de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van haar in de onderhavige omstandigheden mocht worden verwacht dient van de volgende vaststaande feiten te worden uitgegaan. De weersomstandigheden waren blijkens het proces-verbaal van de politie in Oostenrijk (productie 1 bij dagvaarding) ten tijde van het ongeval goed, het was niet druk op de blauwe piste (zijnde een brede, relatief gemakkelijke skipiste) en [eiseres] en [gedaagde1] zijn allebei ervaren skiërs. Gelet hierop kan niet worden aangenomen dat op de betreffende dag tijdens het skiën verhoogde eisen aan behoedzaamheid en oplettendheid dienden te worden gesteld.

4.7.

Van het overtreden van een zorgvuldigheidsnorm is naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden sprake indien de feitelijke toedracht van het ongeval zoals door [eiseres] wordt gesteld in rechte komt vast te staan, te weten dat [gedaagde1] als achteropkomende skiër [eiseres] plotseling met grote vaart van (links) achteren heeft aangeskied, terwijl [eiseres] rustig in bochten naar beneden richting het dal aan het skiën was. In dat geval heeft [gedaagde1] [eiseres] immers blootgesteld aan een groter gevaar dan zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs behoefde te verwachten, nu [eiseres] op grond van (in ieder geval) de geldende FIS-regels, weergegeven onder 2.8 van de vaststaande feiten, welke regels ruime internationale bekendheid en erkenning genieten, mocht verwachten dat zij als voorligger voorrang had en dat een achteropkomende skiër haar veilig zou passeren of op afstand bleef en zijn/haar spoor zo koos dat hij/zij de voor haar skiënde persoon niet in gevaar bracht. [gedaagde1] had in dat geval moeten kunnen inschatten dat wanneer zij te snel langs [eiseres] zou skiën, zij met [eiseres] in botsing zou kunnen komen en dat zo’n botsing ernstig letsel aan [eiseres] zou kunnen toebrengen. Ook binnen de onderhavige sport- en spelcontext, had [gedaagde1] zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van een dergelijk abnormaal gevaarlijke gedraging moeten onthouden.

4.8.

Het is op grond van het bepaalde in artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan [eiseres] om de door haar gestelde feitelijke toedracht van het ongeval te bewijzen. De reeds in het geding gebrachte bewijsstukken leveren, in het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde1] , daartoe onvoldoende bewijs op. Noch [eiseres] noch [gedaagde1] heeft de ander (tijdig) zien aankomen en dus gezien waar de ander precies vandaan kwam. De schriftelijke verklaring van de getuige [persoon1] , weergegeven onder 2.3 van de vaststaande feiten, is verder te summier, nu daarin is vermeld dat het allemaal heel snel is gegaan en zij niet precies kan zeggen wat er is gebeurd, of [eiseres] een bocht maakte of welke lichaamsdelen elkaar geraakt zouden hebben. [eiseres] zal daarom overeenkomstig haar aanbod tot het bewijs van haar stellingen omtrent de toedracht van ongeval worden toegelaten.

4.9.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

draagt [eiseres] op te bewijzen feiten en/of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde1] als achteropkomende skiër [eiseres] als voorligger met grote vaart van (links) achteren heeft aangeskied, terwijl [eiseres] met gematigde snelheid in bochten richting het dal skiede,

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 2 september 2015 voor uitlating door [eiseres] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.3.

bepaalt dat [eiseres] , indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4.

bepaalt dat [eiseres] , indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van partijen, hun advocaten en de getuigen in de maanden oktober 2015 tot en met januari 2016 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. K.A. Baggerman althans een nader te bepalen rechter in de rechtbank Rotterdam in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan Wilhelminaplein 100/125,

5.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.A. Baggerman en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2015.

2094/2537