Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:5692

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-07-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
480609 + 11 / HA RK 15-597-8
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Zelfs indien juist is de visie van verzoekers, inhoudende dat de verlenging van de bij tussenuitspraak aan ACM gestelde termijn waarbinnen zij een verzuim diende te herstellen bij nieuwe tussenuitspraak had moeten geschieden (ipv bij brief van de griffier), kan ook dan nog niet worden gesproken van een zwaarwegende aanwijzing voor partijdigheid. Geen aanwijzing voor partijdigheid vormt de kennelijke misslag in de tussenuitspraak over het in beginsel uitspraak doen op het beroep zonder tweede zitting. Niet ter beoordeling van de wrakingskamer is of de rechters in de tussenuitspraak zijn teruggekomen om een eerdere uitspraak. Het gaat er niet om of de standpunten en argumenten van verzoekers goed en in voldoende mate zijn verwoord en besproken, maar of de bewuste uitspraak weergeeft hoe de rechters tot hun uitspraak zijn gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummers / rekestnummers: 480609 / HA RK 15-597 en 480611 / HA RK 15-598

Beslissing van 29 juli 2015

op de verzoeken van

[naam verzoekster 1] ,

hierna te noemen: [X],

gevestigd te [plaats]

en

[naam verzoekster 2] ,

hierna te noemen: [Y],

gevestigd te [plaats],

gezamenlijk aan te duiden als: verzoekers,

gemachtigde mr. D. Boselie,

strekkende tot wraking van:

mr. J.H. de Wildt, senior rechter in de rechtbank Rotterdam, afdeling publiekrecht, team bestuur 1,

mr. C.A. Schreuder, rechter in de rechtbank Rotterdam, afdeling publiekrecht, team bestuur 1 en

mr. Y.H. de Muynck, rechter-plaatsvervanger in de rechtbank Rotterdam,

hierna tezamen aan te duiden als: de rechters.

1 Het procesverloop en de processtukken

Bij de rechters zijn in behandeling de bestuursrechtelijke procedures betreffende:

  • -

    het door [X] ingestelde beroep tegen het besluit van de Autoriteit Consument & Markt (hierna: ACM) van 15 mei 2012, waarbij aan [X] een boete is opgelegd vanwege vermeende overtreding van artikel 6, eerste lid, van de Mededingingswet en artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, welke procedure als kenmerk heeft: ROT AWB 13/250;

  • -

    het door [Y] ingestelde beroep tegen het besluit van ACM van 15 mei 2012, waarbij aan [Y] om dezelfde reden een boete is opgelegd, welke procedure als kenmerk heeft: ROT AWB 13/251;

  • -

    het door [X] ingestelde beroep tegen het besluit van ACM van 24 juli 2013, waarbij het verzoek van [X] om herziening van het bestreden besluit dan wel matiging van de opgelegde boete werd afgewezen, welke procedure als kenmerk heeft: ROT AWB 13/5772.

Het onderzoek ter zitting in (onder meer) de hierboven omschreven procedures heeft plaatsgevonden ter zitting van de rechters op 29 november 2013.

Vervolgens hebben de rechters in die procedures op 12 juni 2014 tussenuitspraak gedaan, waarbij ACM in de gelegenheid is gesteld binnen tien weken na 12 juni 2014 het in die uitspraak geconstateerde gebrek te herstellen.

Bij brief van 3 september 2014 heeft ACM van voormelde gelegenheid gebruik gemaakt.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben verzoekers bij brief van 17 oktober 2014 hun zienswijze kenbaar gemaakt.

Daarna hebben de rechters in de onderhavige procedures op 9 juli 2015 andermaal tussenuitspraak gedaan, waarin door de rechters is geconstateerd dat de gebreken in het bestreden besluit van ACM nog niet volledig zijn hersteld en waarbij ACM in de gelegenheid is gesteld binnen tien weken na 9 juli 2015 die gebreken te herstellen.

Bij faxbericht van 13 juli 2015 heeft de gemachtigde van verzoekers de wraking van de rechters verzocht.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van de dossiers van de hiervoor omschreven bestuursrechtelijke procedures, waarin zich onder meer bevinden vorenomschreven tussenuitspraken en brieven.

Verzoekers, alsmede de rechters en ACM zijn verwittigd van de datum waarop de wrakingsverzoeken zouden worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechters zijn in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechters hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 14 juli 2015.

Ter zitting van 17 juli 2015, alwaar de wrakingsverzoeken zijn behandeld, zijn verschenen:

  • -

    de heren [naam] en [naam] namens [X];

  • -

    mr. Boselie voornoemd;

  • -

    mr. C.A. Schreuder voornoemd en

  • -

    mevrouw J.M. Strijker-Rijntjes namens ACM.

Mr. Boselie en mr. Schreuder hebben – mr. Boselie mede aan de hand van een pleitnota – hun standpunten nader toegelicht, waarbij mr. Schreuder een gedeelte van de door de griffier ter zitting van 29 november 2013 gemaakte aantekeningen heeft overgelegd.

Mevrouw Strijker-Rijntjes heeft het woord gevoerd namens ACM.

Behalve de hiervoor genoemde stukken heeft de wrakingskamer voorts nog kennis genomen van:

  • -

    de brief van mr. Boselie, gedateerd 15 juli 2015 en

  • -

    het e-mailbericht van mr. De Wildt, gedateerd 16 juli 2015.

2 Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

Ter adstructie van de wrakingsverzoeken hebben verzoekers het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven :

2.1.1.

Uit de tweede tussenuitspraak blijkt dat de rechters vooringenomen zijn jegens verzoekers, althans dat de bij hen levende vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Dit blijkt uit het volgende:

2.1.2.

eerste wrakingsgrond:

De rechters verbinden geen gevolgen aan de overschrijding door ACM van de bindende termijn van tien weken in de tussenuitspraak van 12 juni 2014 en negeren de opmerkingen die verzoekers daarover hebben gemaakt. Het verzoek van ACM tot verlenging van die termijn is niet door de rechters in een volgende tussenuitspraak, maar bij brief van de griffier ingewilligd en zonder dat de betrokken partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze te geven op het verzoek tot verlenging en de vraag of er sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid welke de verlenging rechtvaardigt.

2.1.3.

tweede wrakingsgrond:

In de tussenuitspraak bepalen de rechters dat in beginsel zonder tweede zitting uitspraak gedaan zal worden op de beroepen. Daarmee handelen zij in strijd met de afspraken die op de eerste zitting van 29 november 2013 zijn gemaakt.

2.1.4.

derde wrakingsgrond:

De rechters komen in de tweede tussenuitspraak van 9 juli 2015 terug op oordelen, gegeven in de eerste tussenuitspraak van 12 juni 2014, zonder te motiveren welke de uitzonderlijke omstandigheden zijn die deze tournure rechtvaardigen en zonder verzoekers in de gelegenheid te stellen zich uit te laten naar aanleiding van het voornemen van de rechters om terug te komen op de bindende eindbeslissing in de eerste tussenuitspraak.

2.1.5.

vierde wrakingsgrond:

In het tussenvonnis van 9 juli 2015 wordt in het geheel niet ingegaan op alle gronden en argumenten die verzoekers in hun zienswijze van 17 oktober 2014 naar voren hebben gebracht, terwijl de standpunten van ACM door de rechters zeer uitgebreid zijn weergegeven.

2.2

De rechters hebben niet in de wraking berust.

De rechters bestrijden deels de feitelijke grondslag van het verzoek en hebben overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechter kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

2.2.1.

Bij raadpleging van de dossiers van de andere betrokken partijen is de kamer gebleken dat

het verzoek van ACM om verlenging van de in de eerste tussenuitspraak gestelde termijn

en de positieve beslissing van de rechtbank daarop naar alle waarschijnlijkheid niet in

kopie aan de overige partijen is gezonden. De rechters bieden voor deze gang van zaken hun verontschuldiging aan.

2.2.2.

In de ter zitting van 29 november 2013 door de griffier gemaakte aantekeningen is het volgende opgenomen: “De herzieningszaken over de draagkracht van de boete zullen nu niet behandeld worden. Eiseressen geven de voorkeur om deze in een tweede zitting te behandelen.” In het algemeen is het beleid van de rechtbank dat na een tussenuitspraak in beginsel geen tweede zitting wordt gehouden.

2.2.3.

Het komt de rechters voor dat hetgeen verzoeksters aan de wraking ten grondslag leggen,

geen betrekking heeft op feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, maar op processuele beslissingen en/of inhoudelijke aspecten van de beoordeling. Deze lenen zich niet voor een beoordeling in het kader van een wrakingsverzoek. De rechters kunnen daarom ook niet nader reageren op de vier wrakingsgronden, omdat dit zou betekenen dat zij inhoudelijk nader motiveren wat zij in de tussenuitspraken hebben beslist.

3 De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

3.2

Vooropgesteld moet worden dat een voor een partij onwelgevallige beslissing van een rechter op zichzelf geen grond voor wraking oplevert. Dat geldt ook indien die beslissing op het oog mogelijk onjuist is, en ook indien er geen hogere voorziening mocht openstaan tegen die beslissing.

3.3

Dat kan anders zijn indien een aangevochten beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven. De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

3.4

Met betrekking tot de eerste wrakingsgrond neemt de wrakingskamer in aanmerking dat ACM bij brief van 17 juli 2014 de rechtbank heeft verzocht om verlenging van de haar bij tussenuitspraak van 12 juni 2014 gestelde termijn “in verband met de huidige vakantieperiode en de complexiteit van de problematiek”.

Daarop heeft de griffier bij brief van 22 juli 2014 aan ACM bericht dat zij ACM op haar verzoek uitstel verleent en wel tot 4 september 2014.

Deze correspondentie is kennelijk niet tevens en tegelijkertijd ter kennis gebracht van verzoekers, hetgeen wel had moeten gebeuren en omtrent welke gang van zaken de rechters te kennen hebben gegeven dat zij deze betreuren. Ten aanzien van de vraag of deze verlenging van de bij tussenuitspraak aan ACM gestelde termijn bij nieuwe tussenuitspraak van de rechters had moeten geschieden, verschillen verzoekers en de rechters van mening. Het is niet aan de wrakingskamer om aan de hand van de daaromtrent geldende wettelijke regelgeving en daaromtrent inmiddels tot stand gekomen jurisprudentie te onderzoeken en te concluderen welke van die twee visies de juiste is. De wrakingskamer is van oordeel dat zelfs indien moet worden aangenomen dat de verlenging van de termijn bij nieuwe tussenuitspraak had moeten gebeuren, ook dan nog niet op basis van de feitelijke gang van zaken kan worden gesproken van een zwaarwegende aanwijzing voor partijdigheid van de rechters jegens verzoekers, dan wel voor een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.

3.5

Ten aanzien van de tweede wrakingsgrond neemt de wrakingskamer allereerst in aanmerking dat door de rechters in de tussenuitspraak van 9 juli 2015 (rechtsoverweging 13) is overwogen:

“In beide gevallen en in de situatie dat ACM de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.”

Voorts neemt de wrakingskamer in aanmerking dat in de door de griffier ter zitting van 29 november 2013 gemaakte aantekeningen is opgenomen:

“De herzieningszaken over de draagkracht van de boete zullen nu niet behandeld worden. Eiseressen geven de voorkeur om deze in een tweede zitting te behandelen.”

Daarnaast heeft mr. Schreuder ter zitting van de wrakingskamer toegelicht dat hetgeen hiervoor uit de tussenuitspraak van 9 juli 2015 is geciteerd een standaard tekstblok is, waarvan de inhoud het in het algemeen gevoerde beleid weergeeft. In het licht van het feit dat het onderzoek ter zitting van 29 november 2013 is geschorst, kan naar het oordeel van de wrakingskamer niet anders worden geconcludeerd dan dat er niet zonder een tweede zitting uitspraak zou kunnen worden gedaan alvorens aan partijen zou worden gevraagd of zij afzien van verdere behandeling ter zitting. Dit volgt uit artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dat de gewraakte zin door gebruikmaking van een standaardtekstblok in de tweede tussenuitspraak is terechtgekomen, moet in dat licht mogelijk als een misslag worden beschouwd, doch vormt hoe dan ook geen aanwijzing voor het oordeel dat de rechters jegens verzoekers een vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij verzoekers daaromtrent bestaande vrees naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, nu in de bewuste zinsnede de woorden ‘in beginsel’ worden gebezigd, waaruit verzoekers hadden kunnen afleiden dat het slechts om een beginsel-uitspraak ging en niet om een definitief oordeel omtrent het achterwege laten van een tweede zitting.

3.6

Ook ten aanzien van de derde wrakingsgrond is de wrakingskamer van oordeel dat deze niet tot gegrondverklaring van de wraking kan leiden. Aangevoerd wordt dat de rechters zijn teruggekomen op een in een eerdere tussenuitspraak gegeven eindbeslissing, zonder dat zij partijen gelegenheid hebben gegeven daaromtrent vooraf hun zienswijze te geven. Of die stelling van verzoekers feitelijk juist is, is niet ter beoordeling van wrakingskamer; zulks dient aan de orde te komen bij een eventueel hoger beroep tegen de tweede tussenuitspraak. Ter beoordeling van de wrakingskamer is slechts of de tweede tussenuitspraak in dit opzicht dermate onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven. Dat is door verzoekers niet gesteld en is de wrakingskamer ook overigens niet gebleken.

3.7

Ten aanzien van de vierde wrakingsgrond overweegt de wrakingskamer dat het

niet of in de ogen van een procespartij onvoldoende bespreken van gevoerde argumenten op zich niet leidt tot (een naar objectieve maatstaven gerechtvaardigde vrees voor) partijdigheid van de rechters. Het gaat het er niet om of de standpunten en argumenten van verzoekers goed en in voldoende mate zijn verwoord en besproken, maar of de bewuste uitspraak weergeeft hoe de rechters tot hun uitspraak zijn gekomen. Verzoekers achten het weliswaar onbegrijpelijk dat hun argumenten niet in die weergave aan de orde komen, maar hebben niet aangevoerd dat die weergave – in het licht van de argumenten van verzoekers – dermate onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven. Dit is de wrakingskamer ook overigens niet gebleken. Derhalve kan ook deze grond niet tot wraking leiden.

3.8

De wraking is mitsdien ongegrond. De verzoeken worden afgewezen.

4 De beslissing

wijst af de verzoeken tot wraking van mr. J.H. de Wildt, mr. C.A. Schreuder en mr. Y.H. de Muynck.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.H. Veling, voorzitter, mr. A.P. Hameete en

mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juli 2015 in tegenwoordigheid van mr. J.A. Faaij, griffier.

Verzonden op:

aan:

- mr. D. Boselie

- mr. J.H. de Wildt

- mr. C.A. Schreuder

- mr. Y.H. de Muynck

- Autoriteit Consument & Markt