Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:5656

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-07-2015
Datum publicatie
04-08-2015
Zaaknummer
C/10/14/85 F
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek ex artikel 15b Fw omdat niet voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden te goeder trouw is geweest.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Insolventie

afwijzing verzoek opheffing faillissement en toepassing schuldsaneringsregeling

insolventienummer: [nummer]

uitspraakdatum: 29 juli 2015

[naam] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] ,

verzoeker,

curator: mr. P.A. Loeff

1 De procedure

Verzoeker heeft een verzoekschrift ingediend tot opheffing van zijn op 28 januari 2014 uitgesproken faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Verzoeker en de curator zijn gehoord ter terechtzitting van 15 juli 2015.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De standpunten

Bij e-mailbericht 10 juni jl. met bijlage heeft de curator positief geadviseerd ten aanzien van het verzoek tot opheffing van het faillissement onder gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

De curator heeft in genoemde bijlage vermeld dat verzoeker geen sollicitatiebrieven heeft overgelegd en hem onvoldoende op de hoogte heeft gehouden van zijn sollicitatieactiviteiten. Voorts heeft de curator bericht dat verzoeker de curator slechts één keer heeft geïnformeerd over zijn inkomsten en uitgaven. De bij de curator ingediende schuldvorderingen hebben bijna allemaal betrekking op de beëindigde onderneming van verzoeker. De curator is van mening dat verzoeker te lang heeft getracht om de supermarkt voort te zetten maar kwalificeert dit niet als strijd met de goede trouw. De administratie van de onderneming van verzoeker dient deels nog in jaarstukken en belastingaangiften te worden verwerkt. Verzoeker zou ten tijde van het faillissement daartoe psychisch en financieel niet in staat zijn geweest. De curator twijfelt of verzoeker de strenge verplichtingen voortvloeiend uit de WSNP zal kunnen nakomen.

Ter zitting heeft de curator gesteld dat de belastingdienst geen grote vordering heeft ingediend maar dat het de curator niet bekend is of het daarbij blijft.

Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij in 2001 de onderneming van zijn broer heeft overgenomen en dat hij een vergoeding aan zijn broer zou betalen op het moment dat het goed zou gaan met de supermarkt. Verzoeker heeft terzake de overname van de supermarkt € 9.000,00 aan zijn broer voldaan. Verzoeker werkt thans twee uur per dag omdat hij stelt fysiek niet meer uren per dag te kunnen werken. Verzoeker is nu in afwachting van een oproep om te worden gekeurd.

3 De beoordeling

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is.

De rechtbank komt daartoe nu verzoeker geen deugdelijke administratie van zijn onderneming aan de curator heeft overhandigd. Het voeren van een deugdelijke administratie is een belangrijke verplichting van een ondernemer. Nu verzoeker niet aan die verplichting heeft voldaan, verschaft verzoeker onvoldoende inzage in de rechten en verplichtingen van zijn onderneming, waardoor de rechtbank niet, althans onvoldoende, kan beoordelen of verzoeker te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij zijn supermarkt had overgedaan aan twee jongens. De administratie is bij de supermarkt gebleven en zou uiteindelijk verloren zijn gegaan. Dat verzoeker hierdoor niet aannemelijk kan maken dat hij de schulden te goeder trouw is aangegaan dan wel onbetaald heeft gelaten, is een omstandigheid die voor zijn risico dient te blijven. Verder staat vast dat uit de bij de eigen aangifte overgelegde lijst met schuldvorderingen niet blijkt op welke data deze schuldvorderingen zijn ontstaan. Verder lijkt het erop dat de lijst niet compleet is. Verzoeker heeft tijdens de zitting verklaard dat hij ‘privéschulden’, zoals de overnamesom die hij aan zijn broer verschuldigd zou zijn, niet heeft vermeld. Vast staat voorts dat de jaarstukken over de afgelopen jaren niet zijn opgemaakt en aangiftes bij de belastingdienst niet zijn gedaan. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat verzoeker de ontstaansdata van zijn schulden evenmin heeft verstrekt nadat hij daar bij brief van 7 april 2015 van de griffier om is verzocht. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verzoeker niet te goeder trouw is ten aanzien van het laten ontstaan en onbetaald laten van de huurschuld van de supermarkt van februari 2013 tot en met februari 2014 gedurende welke periode verzoeker de supermarkt aan derden had onderverhuurd.

Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden.

Bovendien wordt het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoeker de uit de regeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat dit evenmin voldoende aannemelijk is geworden en overweegt daartoe als volgt. Onweersproken is gesteld dat verzoeker gedurende zijn faillissement aan de verplichting om de curator te informeren over zijn inkomen en uitgaven slechts éénmalig heeft voldaan. Daaraan kan niet afdoen dat verzoeker direct voorafgaand aan de behandeling van dit verzoek aan de curator correspondentie tussen de Sociale Dienst en verzoeker heeft overhandigd.

Verder is onweersproken gebleven dat verzoeker gedurende zijn anderhalf jaar durend faillissement geen sollicitatiebrieven aan de curator heeft overgelegd. De stelling van verzoeker dat hij vanwege fysieke beperkingen niet meer dan twee uur per dag kan werken, heeft hij niet met bescheiden gestaafd. Het had op de weg van verzoeker gelegen om bij de gemeente een medische keuring te verzoeken waaruit de mate van zijn arbeidsgeschiktheid zou blijken, dan wel zijn gestelde arbeidsongeschiktheid op andere wijze te onderbouwen.

De rechtbank zal daarom het verzoek afwijzen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot opheffing van zijn faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk, voorzitter, mr. A. Lablans en mr. C. de Jong, rechters en in aanwezigheid van E.J. van Gruijthuijsen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2015.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.