Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:5628

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-07-2015
Datum publicatie
03-08-2015
Zaaknummer
C/10/14/994 R en C/10/14/995 R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing voordracht tussentijdse beëindiging en verlenging looptijd. RC heeft verzocht regelingen te beëindigen o.g.v. 350 lid 3, sub c en f Fw. Rechtbank oordeelt dat er voldoende gronden aanwezig zijn, die beëindiging rechtvaardigen. Beëindiging verstrekkendere gevolgen voor schuldenaren dan wanneer schuldenaren niet tot de ssr waren toegelaten. Voordracht wordt afgewezen en ter compensatie van het nadeel wordt de looptijd verlengd.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350, geldigheid: 2015-08-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

weigering tussentijdse beëindiging en wijziging looptijd

insolventienummer: [nummer] en [nummer]

uitspraakdatum: 29 juli 2015

Bij vonnissen van deze rechtbank van 18 september 2014 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:

[naam 1]

en

[naam 2] ,

[adres]

[woonplaats] ,

schuldenaren,

advocaat: mr. P.A. Loeff,

bewindvoerder: mr. W.P. Groenendijk.

1 De procedure

De rechter-commissaris heeft op 28 mei 2015 een voordracht gedaan om de toepassing van de schuldsaneringsregelingen te beëindigen.

De bewindvoerder en schuldenaren, bijgestaan door hun advocaat, zijn gehoord ter terechtzitting van 15 juli 2015.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De standpunten

In de voordracht heeft de rechter-commissaris aangevoerd dat er feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die reeds bestonden op het tijdstip van de behandeling van het verzoek tot omzetting van het faillissement in een schuldsaneringsregeling van schuldenaar en het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling van schuldenares die reden zouden zijn geweest om het verzoek af te wijzen overeenkomst artikel 288, eerste en tweede lid, Faillissementswet (Fw).

De rechter-commissaris heeft aangevoerd dat een verzoek tot omzetting van een faillissement in een schuldsaneringsregeling op de voet van artikel 15b Fw alleen mogelijk is indien in redelijkheid niet kan worden geoordeeld dat de gefailleerde wegens hem toe te rekenen omstandigheden heeft nagelaten een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling te doen. De rechter-commissaris is van mening dat het omzettingsverzoek door de rechtbank niet-ontvankelijk zou zijn verklaard indien bekend zou zijn geweest dat het aan schuldenaren te wijten is dat zij tijdens de faillissementszitting van 20 augustus 2013 niet een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling hebben gedaan. Schuldenaren zijn ter zitting van 20 augustus 2013 immers niet verschenen.

Voorts heeft de rechter-commissaris aangevoerd dat gebleken is dat de schuldenlast na toepassing van de schuldsaneringsregeling ruim € 17.000,-- hoger is dan bij toelating tot de schuldsaneringsregeling bekend was. Een deel van de schulden was ten tijde van de zitting van 18 september 2014 in het geheel niet bekend en is gedurende het faillissement ontstaan. Het betreft onder meer (over-) consumptieve schulden, alsmede een schuld aan het CJIB en achterstanden in de vaste lasten met een totaal bedrag van € 5.334,35. Daarnaast is gebleken dat een vordering van de voormalig werkgever, te weten [naam 3] , op schuldenaar thans hoger is dan bij toelating bekend was. De vordering bedroeg bij de toelating
€ 3.499,91 en nu € 9.623,63. De rechter-commissaris is van oordeel dat deze vordering niet te goeder trouw is ontstaan en dat als deze vordering, alsmede de tijdens het faillissement ontstane nieuwe schulden, bekend waren geweest, de rechtbank schuldenaren niet had toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

Voorts heeft de rechter-commissaris aangevoerd dat schuldenaren hun schuldeisers hebben benadeeld door voorafgaand aan de zitting van 18 september 2014 drie levensverzekeringen af te kopen. Een deel van de ontvangen bedragen is aangewend voor het voldoen van een schuld aan de (schoon)ouders en voor het aanschaffen van kleding voor de kinderen. De (schoon)ouders hebben het ontvangen bedrag inmiddels aan de boedel overgemaakt.

Ten slotte heeft de rechter-commissaris aangevoerd dat schuldenaren hun inlichtingenverplichting hebben geschonden omdat zij de bewindvoerder niet hebben ingelicht over twee verzekeringen bij Reaal Levensverzekeringen.

Ter terechtzitting van 15 juli 2015 heeft de advocaat namens schuldenaren verklaard dat schuldenares rechtstreeks een verzoek heeft gedaan tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, waardoor artikel 15b Fw niet op haar van toepassing is.

Voor schuldenaar geldt dat de rechtbank schuldenaar ten tijde van de omzettingszitting, blijkens de zittingsaantekeningen, op zijn woord heeft geloofd en daarmee het verzoek tot omzetting ontvankelijk heeft verklaard. Hier kan op een later moment niet van worden teruggekomen en het is voorts niet mogelijk om tegen een toelating in hoger beroep te gaan.

Voorts heeft de advocaat namens schuldenaren aangevoerd dat onduidelijkheid bestaat over de schuldenlijst bij het omzettingsverzoek. Door de curator is een schuldenlijst opgesteld, alsmede door SVF Drechtsteden. Schuldenaren hebben zelf nooit een schuldenlijst overgelegd. Schuldenaren is nooit verzocht om een lijst te overleggen of om ontbrekende gegevens aan te vullen. Schuldenaren hebben vertrouwd op de kennis van de professionals. Een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling is een te zware sanctie.

De vordering van [naam 3] was bekend bij SVF Drechtsteden en is kennelijk niet bij de curator ter verificatie ingediend. Schuldenaren hebben de vordering tijdens het huisbezoek aan de bewindvoerder gemeld.

Ten aanzien van de afgekochte pensioenen heeft de advocaat namens schuldenaren verklaard dat in ieder geval een van de afgekochte pensioenen normaal gesproken niet afkoopbaar is. Schuldenaren beseffen thans dat zij de afkoopwaarde niet hadden mogen gebruiken voor het terugbetalen van een lening en aanschaf van kleding. Schuldenaren zullen de afkoopwaarde aan de boedel vergoeden indien de rechtbank van oordeel is dat de afkoopwaarde aan de boedel toekomt. Voorts is gebleken dat de verzekeringen bij Reaal Levensverzekeringen niet afkoopbaar zijn.

De advocaat heeft ten slotte aangevoerd dat de gevolgen van een tussentijdse beëindiging voor schuldenaren veel groter zijn dan wanneer het omzettingsverzoek niet was gehonoreerd.

De bewindvoerder heeft verklaard dat hem niet bekend is of schuldenaar de vordering van [naam 3] bij de curator bekend heeft gemaakt. De achtergrond van de vordering was in ieder geval niet bekend. Wanneer de rechtbank hiervan wel op de hoogte was geweest, was schuldenaar niet toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Schuldenares kan worden verweten dat zij niets heeft gemeld. Voorts heeft de bewindvoerder verklaard dat ten aanzien van de vóór toepassing van de schuldsaneringsregeling afgekochte verzekeringen niet van belang is of deze in een schuldsaneringsregeling voor afkoop vatbaar zijn. Schuldenaren hadden het moeten melden en de ontvangen bedragen af moeten dragen aan de boedel. Verder heeft Reaal Levensverzekeringen bericht dat beide verzekeringen niet voor afkoop vatbaar zijn.

3 De beoordeling

De rechtbank heeft schuldenaar ter terechtzitting van 18 september 2014 in zijn verzoek tot omzetting ontvangen alvorens te toetsen aan de bepalingen van artikel 288 Fw. Naar het oordeel van de rechtbank kan schuldenaar niet alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek. Ook artikel 350, derde lid, onder f, Fw biedt naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunten om de ontvankelijkheid opnieuw te beoordelen, nu deze bepaling uitsluitend verwijst naar de weigeringsgronden van artikel 288, eerste en tweede lid, Fw.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld welke schuldenlijst door de rechtbank bij de behandeling van het omzettingsverzoek van schuldenaar en het verzoek van schuldenares tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is gehanteerd. De rechtbank kan derhalve niet beoordelen of alle thans ter verificatie ingediende schulden voorafgaand aan of tijdens de zitting van 18 september 2014 bekend waren. Wel staat vast dat de vordering van [naam 3] niet ter zitting is besproken. Schuldenaren hadden de rechtbank in het licht van hun inlichtingenplicht moeten informeren omtrent de vordering van [naam 3] , in het bijzonder over de wijze waarop deze vordering is ontstaan. De rechtbank neemt het schuldenaren kwalijk dat zij de rechtbank niet hebben geïnformeerd. Ook staat vast dat schuldenaren in de periode voorafgaand aan de schuldsaneringsregeling een aantal schulden hebben gemaakt.

Verder is de rechtbank van oordeel dat de afkoopsom van de vóór toepassing van de schuldsaneringsregelingen afgekochte verzekeringen ten goede had moeten komen aan de schuldeisers. Schuldenaren hebben in totaal een bedrag van € 3.965,-- ontvangen. Hiervan is reeds een bedrag van € 1.000,-- op de boedelrekening ontvangen. Schuldenaren hebben ter terechtzitting aangegeven dat zij het resterende bedrag in termijnen aan de boedel willen overmaken. Zij hebben verklaard nu in te zien dat zij anders hadden moeten handelen en zijn bereid om extra af te dragen aan de boedel om het nadeel te compenseren.

De verzekeringen van schuldenaren bij Reaal Levensverzekeringen laat de rechtbank verder buiten beschouwing nu deze niet vatbaar zijn voor afkoop.

Als de achtergrond van de vordering van [naam 3] , en de handelwijze ten aanzien van de afgekochte levensverzekeringen bekend zouden zijn geweest bij de toelatingszitting, dan zouden dit redenen zijn geweest om de verzoeken af te wijzen op grond van artikel 288, eerste lid, Fw. De hardheidsclausule zou niet zijn toegepast, aangezien het verwijt dat schuldenaar kan worden gemaakt over het ontstaan van de vordering van [naam 3] zeer ernstig is, en datzelfde geldt voor het gedrag van schuldenaren ten aanzien van de afkoop van de levensverzekeringen. Dat zij hun gedrag zodanig hadden veranderd dat de hardheidsclausule ten tijde van de toelating moest worden toegepast, is niet gebleken. Uit de verzwijging van deze omstandigheden kan eerder het tegendeel worden afgeleid.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat voldoende gronden aanwezig zijn die een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregelingen rechtvaardigen. Echter, in de beoordeling neemt de rechtbank mee dat een beëindiging van de schuldsaneringsregeling thans verstrekkender gevolgen heeft voor schuldenaren dan wanneer de rechtbank schuldenaren niet had toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Indien de regeling tussentijds wordt beëindigd, kunnen schuldenaren tien jaar lang niet opnieuw een beroep doen op de schuldsaneringsregeling. Gezien de hoogte van de schuldenlast van
€ 240.992,22, die grotendeels voortkomt uit de onderneming die schuldenaar heeft gevoerd, is een oplossing voor de schulden buiten de schuldsanering niet goed denkbaar. Beide schuldenaren spannen zich thans in om zoveel mogelijk geld voor de schuldeisers te verdienen: schuldenaar werkt fulltime en schuldenares werkt parttime en voldoet aan haar aanvullende sollicitatieplicht. Ter compensatie van het nadeel dat de schuldeisers hebben geleden doordat schuldenaren de afkoopsom hebben besteed aan kleding in plaats van het betalen van hun schulden, zal de rechtbank de looptijd van de schuldsaneringsregelingen verlengen met een jaar. Schuldenaren moeten zich tot het uiterste inspannen om het resterende nadeel van € 2.965,- aan de boedel te compenseren, ten minste door hun aanbod gestand te doen om het vrij te laten deel van het vakantiegeld af te dragen en € 50,- per maand extra af te dragen (zolang hun inkomen daardoor niet onder de beslagvrije voet daalt).

4 De beslissing

De rechtbank:

- weigert de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen;

- wijzigt de termijnen van de schuldsaneringsregelingen, in die zin dat deze vier jaar bedragen en daarmee eindigen op 18 september 2018.

Dit vonnis is gewezen door mrs. R. Kruisdijk, voorzitter, en A. Lablans en C. de Jong, rechters, en in aanwezigheid van G.H. ten Have, griffier, in het openbaar uitgesproken op
29 juli 2015.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.