Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:5575

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-07-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
4324999 VZ VERZ 15-15632
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Formele ontbinding van de arbeidsovereenkomst met inachtneming van de geldende opzegtermijn gehonoreerd. Tussen partijen overeengekomen vergoeding kan niet worden toegekend door de kantonrechter, wel “verstaat” de kantonrechter in het dictum van de beschi

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1463
Prg. 2015/233
RAR 2015/155
AR-Updates.nl 2015-0727
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4324999 VZ VERZ 15-15632

uitspraak: 30 juli 2015

beschikking ex artikel 7:671b Burgerlijk Wetboek van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van:

de stichting

Stichting Horizon

gevestigd te Rotterdam,

verzoekster,

gemachtigde: mr. J.V. Brökling, advocaat te Spijkenisse,

tegen

[verweerster]
wonende te Rotterdam,

verweerster,

gemachtigde: mr. S.A. Tan, advocaat te Rotterdam.

1 Het verloop van de procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    het verzoekschrift, ter griffie ontvangen op 27 juli 2015;

  • -

    het verweerschrift, eveneens ter griffie ontvangen op 29 juli 2015.

Partijen hebben te kennen gegeven geen prijs te stellen op een mondelinge behandeling.

2 De vaststaande feiten

Aan de genoemde stukken kan wat de feiten betreft het volgende worden ontleend:

 verweerster, geboren op [geboortedatum], is sinds 1 september 2007 bij verzoekster in dienst, laatstelijk in de functie van leerkracht;

 het salaris van verweerster bedraagt thans € 2.419,29 bruto per maand, exclusief 8% vakantie-uitkering, een eindejaarsuitkering en verdere emolumenten;

 de werkzaamheden worden gewoonlijk in Rotterdam verricht.

3 Het verzoek

Het verzoek strekt tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 november 2015 op grond van artikel 7:671b jo. 7:669 lid 3 sub g BW. Daarbij stelt verzoekster - kort samengevat en voor zover thans van belang - dat tussen partijen een verschil van inzicht is ontstaan met betrekking tot de wijze waarop in de toekomst de werkzaamheden van verweerster moeten worden uitgevoerd. Partijen hebben deze situatie besproken, doch die gesprekken hebben niet tot het gewenste resultaat geleid. Voorts hebben partijen vergeefs gezocht naar een andere passende functie voor verweerster. Verzoekster stelt tevens dat zij, zonder een verwijt te kunnen maken aan verweerster, niet ontkomt aan de vaststelling dat een verdere vruchtbare samenwerking tussen partijen niet meer tot de mogelijkheden behoort en verzoekster stelt dat daarmee sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder g BW op grond waarvan van haar als werkgeefster in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsverhouding te laten voortduren.

Verzoekster heeft tevens gesteld dat sprake is van een redelijke grond voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst alsmede dat herplaatsing in een andere functie niet in de rede ligt, aangezien partijen het erover eens zijn dat de omstandigheden die tot dit verzoek aanleiding hebben gegeven zich ook in een andere functie zouden voordoen. Zij verzoekt de ontbinding per 1 november 2015, rekening houdend met de geldende opzegtermijn.

Verzoekster heeft aan verweerster een outplacementtraject aangeboden en zij heeft zich bereid verklaard om de daaraan verbonden kosten tot een maximum bedrag van € 3.000,- te vergoeden, exclusief BTW. Bovendien heeft verzoekster zich bereid verklaard om aan verweerster een bijdrage in de kosten van rechtsbijstand te betalen ter grootte van € 1.000,0 te vermeerderen met BTW.

4 Het verweer

Verweerster heeft - kort samengevat en voor zover thans van belang - aangevoerd dat zij zich verweert tegen het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar dat zij tegelijkertijd moet constateren dat er inderdaad een verschil van inzicht is ontstaan met betrekking tot de wijze waarop in de toekomst haar werkzaamheden moeten worden uitgevoerd. Partijen hebben daarover verschillende keren overleg gevoerd met elkaar, doch het is niet gelukt om het bestaande verschil van inzicht weg te nemen. Verweerster stelt dat de huidige situatie niet aan haar te wijten is, hetgeen verzoekster in het verzoek ook heeft erkend. Verweerster stelt voorts dat zij haar werkzaamheden voor verzoekster steeds met veel plezier en voldoening heeft verricht.

Voor het geval de kantonrechter tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zou overgaan, heeft verweerster verzocht om toekenning van de door verzoekster aangeboden outplacementvergoeding alsmede de vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand.

5 De beoordeling van het verzoek

5.1.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden opgezegd indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Die eisen gelden ingevolge artikel 7:671b lid 2, eerste volzin, BW ook voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter. In artikel 7:669 lid 3 BW is (limitatief) omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Nu partijen het er over eens zijn dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding op grond waarvan van verzoekster niet kan worden verlangd de arbeidsverhouding voort te zetten en dat herplaatsing van verweerster niet in de rede ligt, aangezien de omstandigheden die tot het onderhavige verzoek hebben geleid, zich ook in een andere functie zouden voordoen alsmede dat geen sprake is van enig opzegverbod, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden. Gelet op de standpunten van partijen is immers sprake van een redelijke grond voor ontbinding als bedoeld in artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g, BW.

5.2.

Partijen zijn het er voorts over eens dat bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 november 2015 de opzegtermijn in acht wordt genomen, zodat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8 onder a BW zal worden ontbonden per genoemde datum van 1 november 2015.

5.3.

Voor wat betreft het verzoek tot toekenning van een bedrag van € 3.000,- (exclusief BTW) ten behoeve van outplacement en de vergoeding van € 1.000,- (te vermeerderen met BTW) voor de kosten van rechtsbijstand overweegt de kantonrechter als volgt.

In het kader van de ontbinding van een arbeidsovereenkomst biedt de wet de kantonrechter slechts de mogelijkheid om twee soorten vergoedingen toe te kennen, te weten de transitievergoeding of de billijke vergoeding. Toekenning van een billijke vergoeding aan een werknemer is - behoudens enkele hier niet van toepassing zijnde uitzonderingen - alleen mogelijk en bedoeld voor een geval waarin sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, zoals onder andere in artikel 7:671b lid 8 onder c BW bepaald. Nu niet is gesteld of gebleken dat daarvan sprake is, kan de kantonrechter de tussen partijen afgesproken vergoedingen op die grond niet toekennen aan verweerster. Evenmin kan die vergoeding worden aangemerkt als transitievergoeding, zodat geconcludeerd moet worden dat een wettelijke basis voor toekenning van die beide onderdelen van de vergoeding ontbreekt.

Voor afwijzing van die onderdelen van de vergoeding bestaat naar het oordeel van de kantonrechter echter ook geen grond, nu uit de stellingen van partijen blijkt dat zij daarover overeenstemming hebben bereikt. De kantonrechter zal op na te melden wijze in het dictum van deze uitspraak melding maken van de tussen partijen op dit punt getroffen regeling.

5.4.

Gelet op de aard van het geschil worden geen termen aanwezig geacht om de ene partij de proceskosten van de andere partij te laten vergoeden.

6 De beslissing

De kantonrechter,

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 november 2015;

verstaat dat verzoekster de kosten van het outplacementtraject van verweerster tot een bedrag van maximaal € 3.000,- (exclusief BTW) voor haar rekening neemt alsmede dat verzoekster een bijdrage in de kosten van rechtsbijstand van verweerster verstrekt van
€ 1.000,-, te vermeerderen met BTW;

bepaalt dat partijen overigens ieder de eigen kosten van deze procedure dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

710