Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:5500

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-07-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
ROT 15/3962, ROT 15/3963, ROT 15/3964, ROT 15/3965, ROT 15/3966, ROT 15/3967, ROT 15/3968, ROT 15/3969 en ROT 15/3970
Rechtsgebieden
Europees bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Weigering partij melkpoeder voor invoer in de EU.

De voorzieningenrechter overweegt dat sprake is van een levensmiddel als bedoeld in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 178/2002, en daarmee van eet- en drinkwaren als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van de Warenwet.

Verder is sprake van 'in de handel brengen' als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Warenwetbesluit en artikel 2 van de Warenwetregeling. Afwijzing verzoeken om voorlopige voorziening.

Wetsverwijzingen
Warenwetbesluit Invoer levensmiddelen uit derde landen 2, 3, 4, geldigheid: 2015-07-28
Warenwetregeling Veterinaire controles (derde landen) 2, 4, 5, 6, geldigheid: 2015-07-28
Warenwet 1,, geldigheid: 2015-07-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JW 2015/40

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummers: ROT 15/3962, ROT 15/3963, ROT 15/3964,

ROT 15/3965, ROT 15/3966, ROT 15/3967,

ROT 15/3968, ROT 15/3969 en ROT 15/3970

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juli 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[naam verzoekster 1] , te [vestigingsplaat verzoekster 1] , verzoekster 1,

[naam verzoekster 2] , te [vestigingsplaats verzoekster 2] , verzoekster 2,

gemachtigde: mr. B.J.B. Boersma,

en

de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, verweerder,

gemachtigde: mr. J.W.R. Markhorst.

Procesverloop

Bij besluiten van 25 juni 2015 (de bestreden besluiten) heeft de officiële dierenarts van verweerder negen partijen melkpoeder afkomstig uit Singapore, bekend onder de GDB-nummers 15049848 (ROT 15/3970), 15049850 (ROT 15/3969), 15049853 (ROT 15/3968), 15049883 (ROT 15/3967), 15050030 (ROT 15/3966), 15050033 (ROT 15/3965), 15050038 (ROT 15/3964), 15050044 (ROT 15/3963) en 15050047 (ROT 15/3962) geweigerd voor invoer in de Europese Unie (EU).

Tegen deze besluiten hebben verzoeksters bezwaar gemaakt. Tevens hebben verzoeksters de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2015. Verzoeksters hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Daarnaast is namens verzoekster 1 [medewerker verzoekster 1] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en dr. G. Reinholz-Artz, dierenarts.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

2. Op 23 juni 2015 heeft de officiële dierenarts van verweerder verzoekster 2 meegedeeld voornemens te zijn de partijen melkpoeder te weigeren. Verzoeksters hebben hiertegen op 24 juni 2015 hun zienswijze ingediend, waarna verweerder de bestreden besluiten heeft genomen.

3. Aan de bestreden besluiten heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het identificatiekenmerk op de tot de partijen behorende zogenaamde ‘big bags’ niet voldoet aan de invoervoorwaarde dat daarop het land van de productie-inrichting moet zijn vermeld.

4. Verzoeksters stellen dat de invoer of de binnenkomst van de goederen ten onrechte is geweigerd, omdat de voedselveiligheid geen enkel gevaar loopt. De zegelcontroles zijn uitgevoerd, waarbij is vastgesteld dat de zegels overeenkomstig het certificaat aanwezig en in intact waren. Er zijn overeenstemmingscontroles uitgevoerd, waarbij overeenstemming is vastgesteld tussen het certificaat en de partij en er zijn materiele controles uitgevoerd waarbij de colli zijn gecontroleerd, meerdere monsters zijn genomen en is vastgesteld dat er geen fysische of organoleptische afwijkingen bestaan. Nu eerdere gelijke partijen wel zijn doorgelaten en gelet op de e-mail van verweerder van 24 april 2015, mochten verzoeksters erop vertrouwen dat aan alle vereisten werd voldaan. Verzoeksters menen dat effectuering van de bestreden besluiten tot disproportionele gevolgen zal leiden.

5. Richtlijn (EG) nr. 97/78 van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen van de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (Importrichtlijn) luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

Artikel 1

1. De lidstaten verrichten de veterinaire controles voor producten uit derde landen die op een van de in bijlage I vermelde grondgebieden worden binnengebracht, overeenkomstig het bepaalde in deze richtlijn en in Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (…).

(…)

Artikel 2

(…)

2. Voorts wordt verstaan onder:

(…)

c) „overeenstemmingscontrole”: verificatie door een visuele controle van de overeenstemming tussen de veterinaire certificaten, de veterinaire documenten of andere bij de veterinaire wetgeving voorgeschreven documenten en de producten;

(…)

j) „invoervoorwaarden”: de in de communautaire wetgeving vastgestelde veterinaire voorschriften waaraan in te voeren producten moeten voldoen;

(…)

Artikel 4

(…)

4. Met uitzondering van de in de artikelen 9 tot en met 15 bedoelde specifieke gevallen, verricht de officiële dierenarts:

a. a) een overeenstemmingscontrole van iedere partij om zich ervan te vergewissen dat de producten in overeenstemming zijn met de gegevens die zijn vermeld in de certificaten of documenten waarvan de partij vergezeld gaat. Behalve in de gevallen van (…) omvat deze controle:

i. i) wanneer de producten van dierlijke oorsprong in containers aankomen, controle of de verzegeling die de officiële dierenarts (of de bevoegde autoriteit) heeft aangebracht, indien de communautaire wetgeving zulks voorschrijft, intact is en of de daarop vermelde gegevens overeenstemmen met de gegevens op het begeleidend document of certificaat;

ii) in de overige gevallen:

- voor alle soorten producten, controle op de aanwezigheid van de officiële stempels of merktekens of keuringsmerktekens voor identificatie van het land en de inrichting van oorsprong en op de overeenstemming van een en ander met de stempels en merktekens op het certificaat of document;

(…)

Artikel 17

(…)

2. Wanneer de veterinaire autoriteit aan de hand van de in deze richtlijn bedoelde controles vaststelt, dat het product niet aan de invoervoorwaarden voldoet of dat een onregelmatigheid is begaan, besluit de bevoegde autoriteit in overleg met de belanghebbende bij de lading of zijn vertegenwoordiger:

a. a) ofwel het product vanuit dezelfde grensinspectiepost binnen een termijn van ten hoogste 60 dagen met hetzelfde vervoermiddel terug te zenden naar een met de belanghebbende bij de lading overeengekomen plaats buiten de in bijlage I vermelde grondgebieden, voorzover hiertegen geen bezwaren bestaan in verband met de resultaten van de veterinaire keuring en de gezondheidsvoorschriften of de veterinairrechtelijke voorschriften.

(…)

b) ofwel het product te vernietigen in de daarvoor bestemde inrichting zoals bedoeld in Richtlijn 90/667/EEG van de Raad van 27 november 1990 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de verwijdering en verwerking van dierlijke afvallen, voor het in de handel brengen van dierlijke afvallen en ter voorkoming van de aanwezigheid van ziekteverwekkers in diervoeders van dierlijke oorsprong (vissen daaronder begrepen) (…) die het dichtst bij de grensinspectiepost gelegen is, indien terugzending onmogelijk is of de onder a) bedoelde termijn van 60 dagen verstreken is, of indien de belanghebbende bij de lading daar onmiddellijk mee instemt.

In afwachting van de terugzending van de in dit punt bedoelde producten of van de bevestiging van de motieven voor de afwijzing, worden de betrokken producten onder toezicht van de bevoegde autoriteit op kosten van de belanghebbende bij de lading opgeslagen door de bevoegde autoriteiten.

(…)

In Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (verordening 853/2004) is - voor zover hier van belang - het volgende bepaald:

Artikel 5 Gezondheids- en identificatiemerken

1. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven brengen producten van dierlijke oorsprong die gehanteerd zijn in een inrichting die overeenkomstig artikel 4, lid 2, moet worden erkend, alleen in de handel met:

(…)

b) wanneer genoemde verordening niet in het aanbrengen van een gezondheidsmerk voorziet, een identificatiemerk aangebracht overeenkomstig bijlage II, sectie I, van deze verordening.

(…)

Artikel 6 Producten van dierlijke oorsprong van buiten de Gemeenschap

1. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die producten van dierlijke oorsprong invoeren uit derde landen, zorgen ervoor dat die invoer uitsluitend geschiedt indien:

(…)

c) het product voldoet aan:

i. i) de voorschriften van deze verordening, met inbegrip van de voorschriften van artikel 5 betreffende gezondheids- en identificatiemerken;

(…)

BIJLAGE II

VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE VERSCHEIDENE PRODUCTEN VAN DIERLIJKE OORSPRONG

SECTIE I: IDENTIFICATIEMERKEN

Wanneer zulks overeenkomstig de artikelen 5 en 6 vereist is, moeten, onverminderd het bepaalde in bijlage III, exploitanten van levensmiddelenbedrijven ervoor zorgen dat producten van dierlijke oorsprong een identificatiemerk dragen in overeenstemming met de onderstaande bepalingen.

A. AANBRENGEN VAN HET IDENTIFICATIEMERK

1. Het identificatiemerk wordt aangebracht voordat het product de productie-inrichting verlaat.

(…)

B. VORM VAN HET IDENTIFICATIEMERK

(…)

6. Het merk moet de naam van het land vermelden waar de inrichting gevestigd is, voluit geschreven of aangegeven met een uit twee letters bestaande code overeenkomstig de desbetreffende ISO-norm.

(…)

Het Warenwetbesluit invoer levensmiddelen uit derde landen (Warenwetbesluit) is bij Besluit van 27 maart 1999 houdende wijziging van het Warenwetbesluit invoer levensmiddelen uit derde landen (Stb. 1999, 161) gewijzigd. De Nota van Toelichting bij het Besluit vermeldt dat de wijziging ertoe strekt de Importrichtlijn bij en krachtens dat Warenwetbesluit te implementeren. Het Warenwetbesluit luidde - voor zover van belang - als volgt:

Artikel 2

(…)

2. Het is verboden eet- of drinkwaren binnen Nederlands grondgebied te brengen of te verhandelen anders dan met inachtneming van de bij of krachtens dit besluit gestelde voorschriften.

(…)

Artikel 3

Eet- of drinkwaren worden slechts binnen Nederlands grondgebied gebracht of verhandeld indien die waren bij aanwending overeenkomstig redelijkerwijze te verwachten gebruik uit het oogpunt van gezondheid geschikt zijn voor menselijke consumptie.

Artikel 4

Onze Minister stelt, in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, ter uitvoering van:

a. Richtlijn 97/78/EG;

(…)

nadere regels vast ter uitvoering van artikel 3, voor zover het de volksgezondheid betreft.

Nadere regels als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder a, van het Warenwetbesluit zijn, voor zover hier van belang, neergelegd in de Warenwetregeling Veterinaire controles (derde landen) (Warenwetregeling). De Warenwetregeling luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

Artikel 2

Het binnen Nederlands grondgebied brengen van eet- en drinkwaren, afkomstig uit een land dat niet behoort tot de Europese Unie, en het vervolgens verhandelen daarvan, geschiedt met inachtneming van de ter zake bij of krachtens richtlijn 97/78/EG gestelde bepalingen.

Artikel 4

Als bevoegde autoriteit, bedoeld in richtlijn 97/78/EG, wordt aangewezen de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.

Artikel 5

De officiële dierenarts, bedoeld in richtlijn 97/78/EG, wordt aangewezen door de bevoegde autoriteit.

Artikel 6

De officiële dierenarts in de grensinspectiepost en in entrepots neemt bij zijn werkzaamheden de ter zake bij of krachtens richtlijn 97/78/EG gestelde voorschriften in acht.

Op grond van artikel 1, eerste lid en aanhef, van de Warenwet wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

b) eet- en drinkwaren: levensmiddelen, bedoeld in artikel 2 van verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (verordening 178/2002);

(…)

e) verhandelen: het te koop aanbieden, uitstallen, tentoonstellen, verkopen, afleveren of voorhanden of in voorraad hebben van een waar (…).

In artikel 2 van verordening 178/2002 is bepaald dat in de verordening wordt verstaan onder "levensmiddel" (of "voedingsmiddel"): alle stoffen en producten, verwerkt, gedeeltelijk verwerkt of onverwerkt, die bestemd zijn om door de mens te worden geconsumeerd of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij door de mens worden geconsumeerd.

In artikel 3, onder 8, van verordening 178/2002 is bepaald dat in de verordening wordt verstaan onder "in de handel brengen": het voorhanden hebben van levensmiddelen of diervoeders met het oog op de verkoop, met inbegrip van het ten verkoop aanbieden, of enige andere vorm van al dan niet gratis overdracht, alsmede de eigenlijke verkoop, distributie en andere vormen van overdracht zelf.

6.1

De voorzieningenrechter is allereerst van oordeel dat sprake is van een levensmiddel als bedoeld in artikel 2 van verordening 178/2002, en daarmee van eet- en drinkwaren als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van de Warenwet. Het betreft partijen halffabricaat zuivel, ook aangeduid als ‘base’ die zijn bedoeld om in Nederland verder te worden verwerkt tot zuigelingenvoeding. Hoewel de base als dusdanig niet direct kan worden geconsumeerd, is sprake van een gedeeltelijk verwerkt product dat bestemd is om door de mens te worden geconsumeerd of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij door de mens wordt geconsumeerd. Voor de stelling van verzoeksters dat met de mens in deze definitie wordt bedoeld de in de EU woonachtige mens, terwijl deze partijen melkpoeder voor wederuitvoer uit de EU zijn bestemd, is in de (communautaire) wet- en regelgeving geen aanknopingspunten te vinden. Hierbij wordt gewezen op artikel 12 van verordening 178/2002, waarin is bepaald dat ook uit de EU uitgevoerde of wederuitgevoerde levensmiddelen die bedoeld zijn om in de handel te worden gebracht, dienen te voldoen aan de toepasselijke voorschriften van de levensmiddelenwetgeving. Het betoog van verzoeksters dat geen sprake is van een overtreding, omdat geen sprake zou zijn van een levensmiddel, kan dan ook niet slagen.

6.2

De stelling van verzoeksters dat geen sprake is van een overtreding, omdat de partijen melkpoeder niet binnen Nederlands grondgebied worden gebracht én verhandeld, kan evenmin slagen. Vaststaat dat de partijen melkpoeder zijn bedoeld om binnen Nederlands grondgebied te worden gebracht. Voorts staat vast dat deze partijen aan verzoekster 1 zijn verkocht ter verdere verwerking. Verzoeksters hebben verklaard dat het eindproduct hierna weer wordt verkocht aan [naam derde bedrijf] . Hiermee is gelet op artikel 1, aanhef en onder e, van de Warenwet sprake van verhandelen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Warenwetbesluit en artikel 2 van de Warenwetregeling.

7. Het betoog van verzoeksters dat verweerder de overeenstemmingscontrole had dienen te beperken tot de zegelcontrole als bedoeld in artikel 4, vierde lid, aanhef en onder a, sub i, van de Importrichtlijn en dat op grond van die controle geen aanleiding bestaat om de invoer van de ‘base’ te weigeren, kan niet slagen. Gesteld noch gebleken is dat met betrekking tot dit product van dierlijke oorsprong communautaire wetgeving bestaat die een verzegelingsvereiste stelt. Gelet hierop is sprake van een overig geval als bedoeld in artikel 4, vierde lid, aanhef en onder a, sub ii en dient de overeenstemmingscontrole plaats te vinden aan de hand van de aanwezigheid van de officiële stempels of merktekens of keurmerktekens voor identificatie van het land en de inrichting van oorsprong en op de overeenstemming van een en ander met de stempels en merktekens op het certificaat of document. In te voeren producten die niet aan deze in de communautaire wetgeving vastgestelde veterinaire voorschriften voldoen, voldoen niet aan de invoervoorwaarden als bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder j, van de Importrichtlijn.

8.1

Vaststaat dat het door de veterinaire autoriteit van Singapore afgegeven ‘Health certificate’ als land van herkomst Singapore vermeldt en als ISO-code SG, maar dat op de tot de partijen behorende big bags geen identificatiemerk is aangebracht dat het land van herkomst, althans het land van vestiging van de productie-inrichting, vermeldt, zoals vereist op grond van de verordening 853/2004. Gelet hierop ontbreekt de in artikel 4, vierde lid, van de Importrichtlijn bedoelde overeenstemming en voldoen de producten van verzoeksters niet aan de invoervoorwaarden. De voorzieningenrechter verwijst hierbij naar de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 15 september 2014, ECLI:NL:CBB:2014:339. Anders dan verzoeksters menen, bieden deze bepalingen geen ruimte om deze anders uit te leggen.

8.2

De stelling van verzoeksters dat sprake is van een halffabricaat en niet van een eindproduct, brengt niet met zich dat voornoemde uitspraak in dit geval geen gelding zou hebben. Zoals onder 6.1 is vastgesteld, betreffen de partijen melkpoeder eet- en drinkwaren. Voor de van toepassing zijnde regelgeving wordt geen onderscheid gemaakt naar half- of eindproducten.

8.3

De stelling van verzoeksters dat in dit geval geen sprake zou zijn van ‘het in de handel brengen’ in de EU, brengt evenmin met zich dat voormelde uitspraak niet van toepassing is. De aan de orde zijnde regelgeving is van toepassing, omdat - zoals onder 6.2 is overwogen - sprake is van verhandelen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Warenwetbesluit en artikel 2 van de Warenwetregeling. Daarbij komt dat de stelling van verzoekster gelet op de definitie van ‘het in de handel brengen’, zoals neergelegd in artikel 3, aanhef en onder 8, van verordening 178/2002 ook feitelijk onjuist is. Dat het eindproduct uiteindelijk weer zou worden uitgevoerd naar landen buiten de EU, maakt het voorgaande, gelet ook op wat onder 6.1 is overwogen met betrekking tot artikel 12 van verordening 178/2002, niet anders.

9. Verzoeksters stelling, met verwijzing naar de uitspraak van het CBb van 20 juli 2004 (ECLI:NL:CBB:2004:AQ6300), dat er een vrije bewijsleer geldt ten aanzien van de vaststelling van het land van vestiging van de productie-inrichting en dat verweerder dit met een extra inspanning met volledige zekerheid kan vaststellen, miskent dat deze uitspraak achterhaald is door de vaststelling, inwerkingtreding en het van toepassing worden van verordening 853/2004, waarin het voorschrift is opgenomen dat de verpakking het land van herkomst, althans het land van vestiging van de productie-inrichting, dient te vermelden.

10.1.

In het gestelde dat verweerder eerdere via Schiphol binnengekomen partijen melkpoeder wel heeft toegelaten, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor de conclusie dat in bezwaar de bestreden besluiten geen stand zullen kunnen houden. Zo dit al zou komen vast te staan, dan is verweerder gehouden noch bevoegd om een dergelijke fout te herhalen.

10.2.

Evenmin ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening op de grond dat verzoeksters in verwarring zouden zijn gebracht door de inhoud van de e-mail van 24 april 2015 van de officiële dierenarts van verweerder, F. Demir. Daartoe wordt allereerst overwogen dat verzoeksters professionele partijen zijn, waarvan kan en mag worden verwacht dat zij kennisnemen van de (communautaire) wet- en regelgeving ten aanzien van de import van levensmiddelen van dierlijke oorsprong. Daarnaast vermag de voorzieningenrechter niet in te zien dat het feit dat achter het woord ‘Overeenstemmingscontrole’ de dubbele punt ( : ) ontbreekt, voor onduidelijkheid zorgt over de opgesomde vereisten:

“Identificatie volgens Verordening (EG) Nr. 853/2004:

Bijlage II

- naam van het land voluit of 2-letterige ISO-code

- erkenningsnummer van de inrichting”

Het enkele gegeven dat vervolgens achter het woord ‘Etikettering’ wel een dubbele punt ( : ) is opgenomen, waarna de voor etikettering gestelde vereisten zijn opgesomd voor producten bestemd voor de detailhandel, acht de voorzieningenrechter, mede gelet op de lay-out van de e-mail, onvoldoende om een zodanige verwarring aannemelijk te achten.

11. Uit het voorgaande volgt dat in bezwaar de bestreden besluiten naar verwachting in stand zullen blijven, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Gijzen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J. van Mazijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.