Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:5364

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-07-2015
Datum publicatie
24-07-2015
Zaaknummer
3808653 - CV EXPL 15-4416
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurzaak, vordering ex art. 7:268 lid 2 BW afgewezen, duurzaam gemeenschappelijke huishouding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 3808653 \ CV EXPL 15-4416

uitspraak: 24 juli 2015

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser],

wonende te Rotterdam,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

gemachtigde: mr. M.J.A. van Schaik,

tegen

de stichting

Stichting Woonstad Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. K.J. van Bergenhenegouwen.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiser] ” en “Woonstad”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennisgenomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 16 januari 2015, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie, met productie;

  • -

    het tussenvonnis van 16 februari 2015, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de brief zijdens [eiser] van 10 april 2015, met als bijlagen de conclusie van antwoord in reconventie alsmede aanvullende producties;

  • -

    de akte overleggen productie en vermeerdering eis zijdens Woonstad, met productie;

  • -

    het proces-verbaal van de op 21 april 2015 gehouden comparitie van partijen.

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van het vonnis nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet weersproken, staat tussen partijen het volgende vast.

2.1

De moeder van [eiser] , overleden op [sterfdatum] 2014, huurde sinds 1981 de woning aan de [adres] te Rotterdam (hierna: het gehuurde) van (de rechts-voorganger van) Woonstad.

2.2

De moeder van [eiser] is overleden aan uitgezaaide, niet meer behandelbare longkanker. De diagnose is in mei 2014 gesteld.

2.3

Bij brief van 20 juli 2014 heeft [eiser] , geboren op [geboortedatum] 1982, Woonstad verzocht de huurovereenkomst met hem voort te zetten. Woonstad heeft dit verzoek afgewezen. [eiser] heeft hierover een klacht ingediend bij de Geschillenadvies- commissie, die de klacht op 9 januari 2015 ongegrond heeft verklaard.

2.4

In de Basisregistratie Personen heeft [eiser] van 26 augustus 2008 tot 20 oktober 2014 ingeschreven gestaan op het adres [adres] te Capelle aan den IJssel. Sinds 20 oktober 2014 staat [eiser] ingeschreven op het adres [adres] te Rotterdam.

2.5

De woning aan [adres in Capelle aan den IJssel] betreft de koopwoning van [eiser] en zijn ex-partner, die op 20 oktober 2014 is verkocht. De woning heeft vier jaar te koop gestaan.

2.6

De woning aan de [adres] wordt gehuurd door de tante van [eiser] , aan wie hij sinds 2011 mantelzorg verleent.

3 Het geschil

in conventie

3.1

[eiser] heeft bij dagvaarding verzocht (de kantonrechter begrijpt gevorderd) bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat hij de tussen zijn moeder en Woonstad gesloten huurovereenkomst zal voortzetten, met veroordeling van Woonstad in de proceskosten.

3.2

Aan zijn vordering heeft [eiser] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd.

3.2.1

[eiser] heeft sinds 2009 met zijn moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in artikel 7:268 lid 2 BW gevoerd, hetgeen blijkt uit het volgende. [eiser] is, na het verbreken van de relatie met zijn toenmalige partner, bij zijn moeder ingetrokken onder meeneming van zijn spullen. Inkopen werden samen dan wel afwisselend door [eiser] respectievelijk zijn moeder gedaan en betaald (zonder vaste afspraak). ’s Morgens en ’s avonds aten [eiser] en zijn moeder samen. De huishoudelijke taken werden afgewisseld. [eiser] gaf zijn moeder maandelijks € 200,00 als een tegemoetkoming in de kosten van huur, gas, water en elektriciteit. Het abonnement bij UPC stond en staat op naam van [eiser] . Ook het parkeerbewijs voor de wijkparkeergarage stond op zijn naam en de kosten daarvan werden door hem betaald. [eiser] heeft voor het gehuurde een computer met beeldscherm, een bureau, een keukentafel en een wasmachine aangeschaft. Samen met zijn moeder heeft [eiser] een laminaatvloer voor de entree, de keuken en de hal aangeschaft en gelegd. Vanaf oktober 2012 is [eiser] met zijn moeder driemaal per jaar voor tien dagen naar Spanje op vakantie geweest. Daarnaast ondernamen [eiser] en zijn moeder soms kleine(re) uitstapjes.

3.2.2

[eiser] heeft een inkomen van gemiddeld € 1.000,00 netto per maand, zodat hij in staat moet worden geacht om de huur van € 500,00 per maand te voldoen. Sinds het overlijden van zijn moeder is de huur door [eiser] steeds tijdig voldaan. [eiser] kreeg na het overlijden van zijn moeder de mogelijkheid om zijn uren bij [werkgever] uit te breiden. Ook krijgt hij bij toewijzing van het verzoek recht op huurtoeslag.

3.2.3

Op het gehuurde is hoofdstuk II van de Huisvestingswet niet van toepassing.

3.3

Woonstad heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, met veroordeling (uitvoerbaar bij voorraad) van [eiser] in de proceskosten. Woonstad heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd.

3.3.1

[eiser] had ten tijde van het overlijden van zijn moeder niet zijn hoofd-verblijf in het gehuurde en heeft dit thans evenmin. Woonstad verwijst naar de inschrijving van [eiser] in de Basisregistratie Personen. Bij de Geschillenadviescommissie, de Belastingdienst en de parkeerbeheerder heeft [eiser] [adres] te Rotterdam als woonadres opgegeven. In het briefhoofd van de onder 2.3 genoemde brief van 20 juli 2014 staat het adres [adres] te Capelle aan den IJssel vermeld. Datzelfde adres is bij de werkgever van [eiser] bekend. [eiser] houdt dus óf hoofdverblijf aan [adres in Capelle aan den IJssel], óf aan de [adres] te Rotterdam, maar niet in het gehuurde. De Geschillenadvies-commissie is tot eenzelfde conclusie gekomen. Zij heeft tijdens de hoorzitting vastgesteld dat [eiser] al geruime tijd niet meer bij zijn moeder woonde.

3.3.2

[eiser] voerde geen duurzame gemeenschappelijke huishouding met zijn moeder. De samenleving tussen een ouder en een kind heeft in beginsel geen duurzaam gemeenschappelijk karakter. Bijzondere omstandigheden die ertoe hebben geleid dat een langdurige samenlevingssituatie is ontstaan, zijn niet gebleken. [eiser] is juist bij zijn moeder ingetrokken vanwege haar verslechterende gezondheidstoestand. Voor een dergelijke situatie is artikel 7:268 BW niet bedoeld. Van de onder 3.2.1 weergegeven stellingen heeft [eiser] enkel de betaling van de UPC-rekening en de parkeerplaats met bewijzen onderbouwd.

3.3.3

[eiser] biedt onvoldoende waarborg voor nakoming van de uit de huur-overeenkomst voortvloeiende financiële verplichtingen. Hij is meer dan de helft van zijn inkomen kwijt aan de huur.

in reconventie

3.4

Woonstad heeft na vermeerdering van eis verzocht (de kantonrechter begrijpt gevorderd) bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] te veroordelen:

I. om het gehuurde te ontruimen en te verlaten;

II. om aan Woonstad te voldoen € 500,92 voor iedere maand te rekenen vanaf 1 mei 2015 tot de ontruiming van het gehuurde, een gedeelte van een maand pro rata te berekenen, telkenmale vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de vervaldag van elke termijn;

III. in de proceskosten.

3.5

Aan haar vordering heeft Woonstad - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd. Wanneer wordt bepaald dat [eiser] de huurovereenkomst niet op grond van artikel 7:268 lid 2 BW voortzet, is de overeenkomst door het overlijden van zijn moeder geëindigd en dient het gehuurde te worden ontruimd. Voor het geval [eiser] in de toekomst verzuimt zijn verplichtingen op grond van artikel 7:268 lid 5 BW na te komen, vordert Woonstad een vergoeding gelijk aan de eerder geldende huurprijs.

3.6

[eiser] heeft in reconventie - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. [eiser] heeft de huurtermijnen sinds het overlijden van zijn moeder tijdig en correct betaald en zal dit ook blijven doen. Gelet hierop alsmede gelet op de omstandigheid dat Woonstad hem nooit heeft aangeschreven met het verzoek de woning vrijwillig te ontruimen en te verlaten moet een ontruimingstermijn van zes maanden, onder afweging van alle belangen, redelijk worden geacht.

in conventie en in reconventie

3.7

De overige stellingen van partijen zullen - voor zover thans van belang - onder de

beoordeling worden besproken.

4 De beoordeling

4.1

Gelet op de samenhang van de vordering in conventie met de vordering in reconventie, zullen beide vorderingen gezamenlijk worden behandeld.

4.2

Artikel 7:268 lid 2 BW strekt ertoe aan de ‘samenwoner’ die geen medehuurder is bescherming te verlenen voor het geval de huurovereenkomst door het overlijden van de huurder eindigt. De ‘samenwoner’ die met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad, heeft ingevolge genoemde bepaling de mogelijkheid binnen zes maanden na het overlijden te vorderen dat de huur door hem wordt voortgezet.

4.3

In de onderhavige zaak is het de vraag of [eiser] voldoet aan de voorwaarden van artikel 7:268 lid 2 en 3 BW om de huurovereenkomst voort te mogen zetten na het overlijden van zijn moeder.

4.4

Uit hoofde van artikel 7:268 lid 3 BW geldt dat de kantonrechter de vordering tot voortzetting van de huur als bedoeld in artikel 7:268 lid 2 BW in ieder geval moet afwijzen:

a. a) indien eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan de vereisten van lid 2 voldoet;

b) indien eiser vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur;

c) indien het woonruimte betreft waarop hoofdstuk II van de Huisvestingswet van toepassing is, indien eiser niet een in die wet bedoelde huisvestingsvergunning overlegt.

Artikel 7:268 lid 2 BW bepaalt dat degene die de vordering instelt haar hoofdverblijf in het gehuurde moet hebben en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding moet hebben gehad.

4.5

Gesteld noch gebleken is dat [eiser] de onderhavige vordering niet tijdig, te weten binnen de termijn van zes maanden na het overlijden van zijn moeder, heeft ingesteld, zodat hij in zoverre ontvankelijk is in zijn vordering in conventie. Voorts is onweersproken gesteld dat geen sprake is van woonruimte waarvoor een huisvestingsvergunning nodig is. Hiermee is aan het hierboven onder c) genoemde vereiste voldaan.

4.6

Of sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding wordt bepaald door objectieve factoren, zoals de feitelijke duur die de gemeenschappelijke huishouding heeft gekend, en subjectieve factoren, zoals de bedoeling van de betrokkenen. Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd. De gemeenschappelijke huishouding tussen ouders en kinderen wordt in beginsel niet als duurzaam beschouwd, behoudens bijzondere omstandigheden, omdat het de bedoeling is dat kinderen vroeg of laat op zichzelf gaan wonen. Het feit dat een kind na zelfstandig te hebben gewoond weer intrekt bij (één van) zijn ouders kan, afhankelijk van de overige

omstandigheden van het geval, maken dat hierover iets genuanceerder moet worden gedacht. De stelplicht en bewijslast van de (bijzondere) omstandigheden rusten op [eiser] . Bij dit alles speelt mee dat hij ten aanzien van de gemeenschappelijkheid van de huishouding een verzwaarde stelplicht heeft.

4.7

Woonstad betwist primair dat [eiser] sinds 2009 zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft en daarmee eveneens dat sprake is geweest van een gemeenschappelijke huishouding met zijn moeder. De kantonrechter merkt in dit kader op dat [eiser] zijn hiervoor onder 3.2.1 weergegeven stellingen (ter onderbouwing van de gestelde duurzame gemeenschappelijke huishouding) nauwelijks met stukken heeft gestaafd. Alleen de stellingen met betrekking tot het UPC-abonnement en de parkeerplaats in de [straatnaam] zijn voldoende met stukken onderbouwd. Uit het feit dat genoemd abonnement ten behoeve van het gehuurde op naam van [eiser] stond en staat, volgt echter niet zonder meer dat [eiser] in het gehuurde zijn hoofdverblijf had en heeft. Ook niet nu is gebleken dat hij al geruime tijd een parkeerplaats in de [straatnaam] heeft, nu deze eveneens bedoeld kan zijn voor regelmatig bezoek aan zijn moeder en/of voor de woning aan de [adres] . De bij de brief van 10 april 2015 overgelegde verklaring van de huisarts van de moeder van [eiser] maakt het voorgaande niet anders, nu hieruit onvoldoende blijkt of de huisarts zelf heeft waargenomen dat [eiser] sinds 2010 bij zijn moeder woonde. Datzelfde geldt voor de overgelegde aankoopbewijzen van diverse goederen, nu hieruit niet blijkt dat de goederen voor de [adres] zijn aangekocht en/of door [eiser] zijn betaald. Gelet op genoemde betwisting door Woonstad, de door Woonstad opgemerkte contra-indicaties (zoals hiervoor onder 3.3.1 weergegeven) en de verzwaarde stelplicht van [eiser] ten aanzien van de gemeen-schappelijke huishouding, mocht van [eiser] een verdergaande onderbouwing van zijn stellingen worden verwacht.

4.8

Daarbij komt nog dat indien zou komen vast te staan dat sprake is geweest van een gemeenschappelijke huishouding op het adres [adres] te Rotterdam, de duurzaamheid hiervan ter discussie staat. [eiser] heeft in de dagvaarding gesteld dat hij in 2009 bij zijn moeder is gaan wonen vanwege enerzijds het advies van haar arts bij het Riagg, waar zij onder behandeling was voor een depressie met angst-/paniekaanvallen, om haar zoveel mogelijk te voorzien van vertrouwde mensen en haar niet alleen te laten en anderzijds de verbroken relatie met zijn ex-partner. [eiser] heeft gesteld samen met zijn zussen zorg te hebben verleend aan zijn moeder. Ter comparitie van partijen is namens [eiser] aangevoerd dat (aanvankelijk) geen sprake is geweest van een steeds verslechterende situatie. De behandeling bij het Riagg is juist beëindigd in 2013, hetgeen alles te maken heeft gehad met de aandacht en de zorg die de kinderen hun moeder hebben gegeven. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit het voorgaande onvoldoende dat [eiser] de intentie zou hebben gehad om ook op langere termijn bij zijn moeder te blijven wonen. Aan de gestelde duurzaamheid van de gemeenschappelijke huishouding zijn geen andere omstandigheden ten grondslag gelegd. Weliswaar heeft [eiser] ter comparitie van partijen verklaard dat hij niet alleen bij zijn moeder is gaan wonen om haar te verzorgen, maar ook om de onderlinge relatie te verbeteren en tijd in haar te investeren, doch hieruit blijkt evenmin de intentie om duurzaam, op de toekomst gericht samen te wonen. Aldus is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] de duurzaamheid van de gemeenschappelijke huishouding (als deze gemeenschappelijke huishouding al was komen vast te staan) onvoldoende heeft onderbouwd.

4.9

De kantonrechter komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat niet aannemelijk is geworden in de zin van artikel 7:268 lid 3 sub a BW dat [eiser] ten tijde van het overlijden van zijn moeder zijn hoofdverblijf in het gehuurde had en met haar een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde. Gelet op het oordeel dat [eiser] zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd, wordt aan verdere bewijslevering niet toegekomen. Ook wordt niet toegekomen aan beantwoording van de vraag of [eiser] voldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur. De vordering in conventie zal worden afgewezen.

4.10

Nu de vordering in conventie wordt afgewezen, betekent dit dat [eiser] zonder recht of titel in het gehuurde verblijft, zodat de kantonrechter de vordering in reconventie tot ontruiming van het gehuurde en de daarmee samenhangende - niet weersproken - vordering toewijst. Gelet op alle omstandigheden, stelt de kantonrechter de ontruimingstermijn vast op één maand.

4.11

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van Woonstad vastgesteld op € 400,00 aan salaris voor de gemachtigde in conventie en € 200,00 in reconventie.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Woonstad vastgesteld op € 400,00 aan salaris voor de gemachtigde;

in reconventie

veroordeelt [eiser] om binnen één maand na de uitspraak van dit vonnis het gehuurde te ontruimen en te verlaten met alle personen en zaken die zich vanwege [eiser] daar bevinden en het gehuurde onder overgave van de sleutels ter beschikking van Woonstad te stellen;

veroordeelt [eiser] om aan Woonstad tegen kwijting te betalen € 500,92 voor iedere maand te rekenen vanaf 1 mei 2015 tot de ontruiming van het gehuurde, een gedeelte van een maand pro rata te berekenen, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW telkens vanaf de vervaldag van elke termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Woonstad vastgesteld op € 200,00 aan salaris voor de gemachtigde;

wijst af het meer of anders gevorderde;

in conventie en in reconventie

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

673