Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:5337

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-07-2015
Datum publicatie
27-07-2015
Zaaknummer
C/10/480325 / KG ZA 15-774
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Art. 843a Rv. Vordering moet tegen de -aansprakelijk gehouden- vervoerder zelf worden ingesteld en niet tegen haar agent of schade-expert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2015, afl. 5, p. 280
RBP 2015/77
S&S 2016/8

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/480325 / KG ZA 15-774

Vonnis in kort geding van 23 juli 2015

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INNOVERDE B.V.,

gevestigd te Ridderkerk,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

COOL FRESH INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Ridderkerk,

3. de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

eiseressen,

advocaat mr. N.R. Huiskamp te Moerdijk,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CMA-CGM (HOLLAND) B.V.,

gevestigd te Rhoon,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BMT SURVEYS (ROTTERDAM) B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden,

advocaat mr. M.K. Hajdasinski te Rotterdam.

Partijen zullen hierna eisers en gedaagden genoemd worden. Afzonderlijk zullen eisers Innoverde, Cool Fresh en Achmea genoemd worden en gedaagden CMA-CGM HOLLAND en BMT.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de overgelegde producties

  • -

    de akte eiswijziging

  • -

    de mondelinge behandeling de dato 16 juli 2015

  • -

    de pleitnota van eisers

  • -

    de pleitnota van gedaagden.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Innoverde importeert, verhandelt en exporteert groente en fruit. Cool Fresh importeert, verhandelt en exporteert eveneens groente en fruit en zij voert daarnaast een koelopslagbedrijf voor deze goederen. Deze ondernemingen zijn zusterbedrijven.

2.2.

Achmea is transportschadeverzekeraar van Innoverde en Cool Fresh.

2.3.

Innoverde heeft omstreeks juni 2015 een partij verse ananas ingekocht. Cool Fresh heeft in dezelfde periode eveneens een partij verse ananas ingekocht.

2.4.

De Franse vennootschap CMA-CGM s.a. (hierna ook te noemen: de vervoerder) heeft zich medio juni 2015 zowel jegens Innoverde als jegens Cool Fresh verplicht tot vervoer van Moin (Costa Rica) naar Rotterdam van de beide partijen verse ananas, in reefer containers aan boord van de m/v Marianne Schulte. De vervoerder heeft voor beide partijen verse ananas een schoon cognossement afgegeven aan Innoverde respectievelijk aan Cool Fresh. Beide vervoersovereenkomsten bevatten een forumkeuzebeding voor de Franse rechter.

2.5.

CMA-CGM Holland is de Nederlandse agent (en dochtermaatschappij) van de vervoerder en zij is onder meer belast met de afwikkeling van schadeclaims in Nederland.

2.6.

De m/v Marianne Schulte is op 25 juni 2015 gearriveerd in Rotterdam. Cool Fresh heeft de door haar gekochte partij verse ananas op 25 juni 2015 in ontvangst genomen te Ridderkerk. Innoverde heeft de door haar gekochte partij verse ananas op 26 juni 2015 in ontvangst genomen te Ridderkerk.

2.7.

Eisers hebben een schadeclaim ingediend bij CMA-CGM Holland betreffende de twee voormelde partijen ananas.

2.8.

De vervoerder, of CMA-CGM Holland, heeft BMT ingeschakeld om informatie te verzamelen ten aanzien van de aard en/of oorzaak en/of omvang van schade aan de ananas.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen, na akte eiswijziging, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. Gedaagden te gelasten om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een in goede justitie door de voorzieningenrechter te bepalen redelijke termijn na betekening van het vonnis, afschrift te verschaffen, hetzij in schriftelijke vorm, hetzij door middel van databestanden op voorwaarde dat deze met algemeen gangbare software is uit te lezen, door toezending daarvan aan de advocaat van eisers van:

A: Getrouwe kopieën van de door BMT uitgebrachte expertiserapporten met betrekking tot de in de dagvaarding omschreven schade aan de lading van de containers TRIU807757/3 & TRLU174130/3 en alle relevante voorafgaande en daaropvolgende berichten en bescheiden, vergezeld van een verklaring van de expert dat deze een volledige rapportage behelzen, en dat er geen sprake is van bijvoorbeeld “side-letters,” behoudens voor zover de passages daarin die ten overstaan van een door partijen aan te wijzen notaris als adviezen van de partij- expert aan haar opdrachtgever worden aangemerkt;

B: Een gewaarmerkte kopie van het verslag van de reefertest voor de containers TRIU807757/3 & TRLU174130/3, met daarin opgenomen in ieder geval de gegevens over isolatiewaarde van de container, koelcapaciteit, luchtverplaatsing en functioneren van de sensoren, indien en voor zover dat (nog) geen deel uitmaakt van de onder “A” bedoelde expertiserapporten;

C: Een gewaarmerkte kopie van het onderhoudslogboek van de containers TRIU807757/3 & TRLU174130/3 vanaf de datum van ingebruikname van de betreffende container tot heden, met daarin opgenomen alle herstellingen, geconstateerde lekkages en de bij herstel of reparatie gebruikte materialen en/of onderdelen, indien en voor zover dat (nog) geen deel uitmaakt van de onder ‘A” bedoelde expertiserapporten;

D: Een gewaarmerkte kopie van het stuwplan van de containers

TRIU807757/3 & TRLU17413O/3 op de MARIANNE SCHULTE;

E: Een gewaarmerkte kopie van het logboek waaruit de alarmsignalen

van de containers TRIU807757/3 & TRLU174130/3 blijken, alsmede

het al- dan niet aangesloten zijn op de stroomvoorziening, indien en

voor zover dat (nog) geen deel uitmaakt van de onder “A” bedoelde

expertiserapporten;

F: Gewaarmerkte kopieën van de relevante delen uit verslagen,

verklaringen en/of (data)logboeken van de bemanning ten aanzien van

de dagelijkse inspectie van de containers TRIU807757/3 &

TRLU174130/3, de dagelijkse weersomstandigheden, alarmsignalen

van de betreffende containers en de (eventueel) getroffen maatregelen

voor herstel van de koeling van de betreffende containers, beperkt tot

de reis “01 6EUN’ indien en voor zover dat (nog) geen deel uitmaakt

van de onder “A” bedoelde expertiserapporten.

Ten aanzien van de gedaagde CMA-CGM Holland:

II. Onder last van een dwangsom van € 1.500,00 voor iedere dag dat CMA-CGM Holland verzuimt uitvoering te geven aan het vonnis, tot een maximum bedrag van € 50.000,00.

III. Met veroordeling van CMA-CGM Holland in de kosten van dit geding.

Eisers stellen daartoe het volgende.

3.2.

Bij in ontvangstneming van beide partijen ananas bleek dat in twee van de ten vervoer benutte containers de ananas was beschadigd. De totale schade wordt thans geschat op € 180.000,-. Teneinde de aard, omvang en oorzaak van de schade vast te stellen, althans daartoe de nodige informatie te verzamelen, hebben zowel eisers als gedaagden schade-experts aangesteld. Uit de bevindingen van de schade-expert van eisers blijkt dat tijdens het transport op enig moment de koeling is weggevallen in de twee containers. Het is aannemelijk dat het wegvallen van de koeling de schade heeft veroorzaakt, omdat de ananas die zich in de andere containers bevond geen schade heeft opgelopen tijdens het vervoer.

3.3.

In dit geval zijn de Hague Visby Rules van toepassing. Costa Rica, als land waar de cognossementen zijn afgegeven en waarvandaan de m/v Marianne Schulte is vertrokken, is weliswaar geen partij bij dit verdrag, maar in de Terms and Conditions van de vervoerder wordt dit verdrag wel toepasselijk verklaard. Onder de werking van de Hague Visby Rules is de vervoerder aansprakelijk voor onderbreking van de koeling tijdens het vervoer indien de vervoerder zijn zorgplicht heeft geschonden. Teneinde zulks te kunnen vaststellen is aanvullende informatie nodig, en dan met name informatie waaruit blijkt wat het onderbreken van de koeling heeft veroorzaakt. Voorts is van belang wat de vervoerder heeft gedaan om de koeling te herstellen en, meer algemene zin, om schade aan de lading te voorkomen. Gedaagden weigeren echter deze informatie te verschaffen aan eisers. Daarom vorderen eisers in de onderhavige kort gedingprocedure, met een beroep op artikel 843a Rv., veroordeling tot overlegging van deze informatie.

3.4.

Eisers hebben een spoedeisende belang. De containers staan dit moment nog op de terminal in Rotterdam en zijn daarmee nog beschikbaar voor nader onderzoek. Zodra deze containers in gebruik worden genomen gaan ze de hele wereld over, hetgeen onderzoek in praktische zin bemoeilijkt en -na reparatie- wellicht onmogelijk maakt. De te nemen beslissing is ook van belang voor diverse andere schadeclaims die tussen partijen bestaan, waarin de vervoerder eveneens een weigerachtige houding inneemt. Er gelden hier slechts korte verjaringstermijnen en bovendien bestaat het risico van zoekraken van bewijs.

3.5.

Gedaagden voeren verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisende belang volgt uit de stellingen van eisers.

4.2.

Artikel 843a lid 1 Rv. bindt de toewijsbaarheid van de daar bedoelde vordering aan drie cumulatieve voorwaarden:

(i) degene die de vordering doet, dient een rechtmatig belang te hebben en

(ii) het moet gaan om bepaalde bescheiden

(iii) aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is.

Het vierde lid bepaalt dat degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, niet gehouden is aan deze vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

Bij de beoordeling van de vraag of de eisende partij een rechtmatig belang heeft bij inzage, afschrift of uittreksel is van belang of een partij een onredelijk voordeel geniet dan wel of haar wederpartij een onredelijk nadeel lijdt doordat een bepaald (bewijs)stuk in de procedure niet als bewijsmiddel ter beschikking komt. De enkele interesse in een stuk is niet voldoende. Het rechtmatige belang kan onder meer voortvloeien uit de rechtsverhouding tussen partijen of uit de wet en is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval.

Een partij kan slechts bepaalde stukken vorderen. De stukken moeten in ieder geval zodanig concreet worden omschreven dat duidelijk is waarop wordt gedoeld en dat getoetst kan worden of de eiser een rechtmatig belang heeft. De bescheiden hoeven niet zeer exact omschreven te worden, maar duidelijk moet wel zijn wat precies gevraagd wordt.

4.3.

Eisers hebben naar voorlopig oordeel voldoende duidelijk omschreven welke informatie zij verlangen. Van een “fishing expedition” is geen sprake.

4.4.

Eisers zijn er in hun dagvaarding van uit gegaan dat de onderhavige twee reefer containers zich nog in Rotterdam bevinden en aldus eenvoudig beschikbaar zijn voor onderzoek. Ter zitting hebben gedaagden echter aangevoerd dat deze containers Rotterdam inmiddels hebben verlaten en zich thans bevinden aan boord van een schip dat op weg is naar Australië. Eisers hebben dit weliswaar betwist, doch de voorzieningenrechter kan er niet zonder meer van uitgaan dat deze containers zich nog in Nederland bevinden. Gedaagden zijn geen eigenaar van de containers. Gedaagden hebben ter zitting onbetwist aangevoerd dat deze containers door de vervoerder geleased worden van een derde. Bij die stand van zaken is te kwestieus dat gedaagden feitelijk zelf in staat kunnen zijn om die gegevens aan te leveren die betrekking hebben op de (opnameapparatuur in deze) containers. Dat staat aan toewijzing van de vordering in de weg.w

4.5.

Gedaagden voeren aan dat zij, met uitzondering van het expertiserapport van BMT, de gevorderde informatie niet zelf in hun bezit hebben. Volgens gedaagden bevindt zich de overige gevorderde informatie (slechts) bij de vervoerder, in Frankrijk, respectievelijk kán de vervoerder deze informatie bemachtigen, door informatie op te vragen (bij de onderneming van wie zij de onderhavige reefer containers heeft geleased). Voorts voeren gedaagden aan dat de vervoerder weigert deze informatie te verstrekken aan haar agent CMA-CGM Holland. Dit verweer vindt bevestiging in een overgelegd e-mailbericht van de vervoerder van 15 juli 2015 aan haar agent CMA-CGM Holland, verstuurd in reactie op een verzoek van CMA-CGM Holland of het geoorloofd is om eisers de door hen verlangde informatie te verschaffen. In dit e-mailbericht deelt de vervoerder mede, samengevat:

-dat eisers gehouden zijn om een eventuele claim aan de Franse rechter voor te leggen,

-dat eisers zich rechtstreeks tot haar, de vervoerder, kunnen wenden, als zij een claim willen indienen,

  • -

    dat onder het Franse recht geen verplichting bestaat tot overlegging van de informatie, tenzij de Franse rechter anderszins beslist,

  • -

    dat de vervoerder geen reden ziet om haar agent te voorzien van de verzochte informatie, voor zover al beschikbaar.

4.6.

Dit e-mailbericht wijst er naar voorlopig oordeel op dat gedaagden thans niet de beschikking hebben over de desbetreffende gevorderde informatie. Ook in zoverre is de vordering niet toewijsbaar.

4.7.

De vraag of gedaagden in de -al dan niet nabije- toekomst wel zullen beschikken over deze informatie is een onzekere toekomstige gebeurtenis, waarvan thans niet kan worden uitgegaan. Eisers nemen aan dat met name gedaagde CMA-CGM Holland wél de mogelijkheid heeft om deze informatie binnen afzienbare tijd te verkrijgen vanwege de concernrelatie tussen haar en de vervoerder en mede vanwege de taak van CMA-CGM Holland als schadeclaimafwikkelaar. Op zich is niet onaannemelijk dat een moedermaatschappij een verzoek om informatie van een dochtermaatschappij met meer welwillendheid zal beoordelen dan een gelijksoortig verzoek van een willekeurige derde. Uit voormeld e-mailbericht blijkt echter dat die welwillendheid in ieder geval nu niet bestaat. De dreiging van een schadeclaim wijst er niet direct op dat die welwillendheid er bij de vervoerder binnen afzienbare tijd alsnog zal komen. Om die reden kan evenmin worden vastgesteld dat gedaagden op eenvoudige wijze toegang zouden kunnen krijgen tot de gevraagde informatie.

4.8.

Afgezien van deze praktische redenen waarom de vordering grotendeels niet toewijsbaar is, acht de voorzieningenrechter een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens gewaarborgd, gelet op het volgende.

4.9.

Op zich is niet ongeoorloofd om zich te wenden tot een derde teneinde de gewenste informatie te bemachtigen. Noch uit de tekst van art. 843a lid 1 Rv zoals deze luidt sinds 1 januari 2002, noch uit zijn totstandkomingsgeschiedenis vloeit voort dat art. 843a lid 1 Rv tevens eist dat degene tegen wie de vordering is gericht, partij is bij de in deze bepaling bedoelde rechtsbetrekking (HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1834). Ook als men de verlangde informatie van een derde vordert, zal evenwel voldaan moeten worden aan de (overige) voorwaarden die gelden om toepassing te kunnen geven aan art. 843a Rv.

Naar voorlopig oordeel wordt aan die voorwaarden niet genoegzaam voldaan: eisers stellen hun vordering ex art. 843 a Rv. niet rechtstreeks in tegen de vervoerder op wie zij (mogelijk) een geldvordering hebben, maar tegen de agent van deze vervoerder en tegen de door de vervoerder/agent ingeschakelde expert. Het ligt veeleer in de rede dat eisers zich tot vervoerder zelf wenden. Het is -bij uitstek- de vervoerder zelf die over de gevorderde informatie beschikt, respectievelijk kan beschikken. Eisers hebben onvoldoende gemotiveerd toegelicht waarom niet van hen gevergd zou kunnen worden om zich tot de vervoerder te wenden (vgl. Den Haag 14 juli 2015 ECLI:NL:GHDHA:2015:1884). De omstandigheid dat in de overeenkomsten met de vervoerder is voorzien in een forumkeuze voor de Franse rechter (zo de contractpartijen er samen niet uit mochten komen) is niet voldoende zwaarwegend. Zulks is immers uitdrukkelijk overeengekomen. En aangenomen mag worden dat een gerechtelijke procedure ten overstaan van de Franse rechter alleszins voldoet aan de eisen van een adequate rechtspleging. De voorzieningenrechter gaat er van uit dat ook naar Frans recht onder voorwaarden de mogelijkheid bestaat om overlegging van stukken door de rechter af te dwingen. Een goede rechtsbedeling is derhalve ook gewaarborgd als eisers zich tot de vervoerder wenden.

4.10.

Daarbij komt dat de vervoerder zelf, veel eerder dan haar agent of de expert, in staat mag worden geacht om adequaat verweer te kunnen voeren tegen een vordering strekkende tot overlegging van informatie waarover de vervoerder (zelf) beschikt/ kan beschikken betreffende een mogelijke schadeclaim tegen deze vervoerder. Ook het recht om het eigen standpunt ten volle naar voren te kunnen brengen ten overstaan van een rechter is ermee gediend dat eisers zich tot de vervoerder wenden in plaats van tot gedaagden. In zoverre ontbreekt in de gegeven omstandigheden het rechtmatige belang.

4.11.

Slotsom is dat de vorderingen zullen worden afgewezen. Eisers zullen als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van gedaagden. Deze kosten worden begroot op € 816,- aan salaris advocaat (standaard tarief kort geding volgens de Liquidatietarieven), en € 613,- aan -gezamenlijk- griffierecht, vermeerderd met de gevorderde nakosten.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt eisers in de proceskosten van gedaagden, tot op heden begroot op € 1.429,- vermeerderd met nakosten ad € 131,- respectievelijk € 199,- ingeval van betekening van dit vonnis;

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2015.

2517/676 1

1 2517/676