Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:5328

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-07-2015
Datum publicatie
27-07-2015
Zaaknummer
ROT 15-4058
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Rotterdam, kostendelersnorm, commerciële huurprijs.

Wetsverwijzingen
Participatiewet 22a, geldigheid: 2015-07-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 15/4058

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 juli 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te Rotterdam, verzoeker,

gemachtigde: mr. C.W.F. Jansen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. R. Duivenvoorde.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 27 februari 2015 toegewezen en de bijstand onder verwijzing naar de in artikel 22a van de Pw genoemde kostendelersnorm vastgesteld op 50% van het Wettelijk Minimumloon (WML).

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Verzoeker, [geboortedatum] , is alleenstaand. Sinds 22 maart 2013 ontving verzoeker een uitkering op grond van de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). Deze WGA uitkering is per 16 november 2014 beëindigd. Verzoeker heeft op 27 januari 2015 een aanvraag voor een bijstandsuitkering ingediend. Deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 27 februari 2015 buiten behandeling gesteld.

1.2.

Verzoeker heeft op 27 februari 2015 opnieuw een bijstandsuitkering aangevraagd. Om meer duidelijkheid te verkrijgen over verzoekers woon- en financiële situatie heeft verweerder hem om nadere stukken verzocht en uitgenodigd voor een gesprek.

1.3.

Verzoeker stond, voor zover hier van belang, van 27 februari 2015 tot 19 maart 2015 (periode I) ingeschreven op het postadres [adres] , te Rotterdam. Feitelijk verbleef hij in de woning van zijn neef op het adres [adres] , te Rotterdam.

Verzoeker is per 19 maart 2015 (periode II) verhuisd naar het woonadres [adres] , te Rotterdam. Hij huurt daar blijkens de huurovereenkomst ingaande 17 maart 2015 een kamer in de woning van [naam] tegen een maandelijkse huur van € 250,- inclusief.

Op dit adres wonen naast (1) verzoeker, (2) de verhuurder en als andere huurders van een kamer (3) een student geboren in 1994 en (4 en 5) twee personen geboren in respectievelijk 1968 en 1974. Van de andere huurders is niet bekend welke huurprijs zij betalen.

1.4.

Bij besluiten van 12 maart, 1 april en 22 mei 2015 zijn aan verzoeker voorschotten in de vorm van een lening toegekend.

2. In het bestreden besluit is aan verzoeker per 27 februari 2015 een bijstandsuitkering toegekend. Omdat verzoeker de woning deelt, waarbij verweerder voor de hoogte van de uitkering twee personen (inclusief verzoeker) meetelt, bedraagt de uitkering volgens verweerder 50% van het WML.

3.1.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

3.2.

Op grond van artikel 22a., eerste lid, van de Pw is de norm per kalendermaand indien belanghebbende met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft,:

Hierbij staat A voor het totaal aantal meerderjarige personen dat in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en B voor de rekennorm.

Op grond van artikel 22a, vierde lid, van de Pw, worden tot de personen in het eerste lid niet gerekend:

a. de persoon die de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt,

b. de persoon, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van belanghebbende, die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft,

c. de persoon die op basis van een schriftelijke overeenkomst met een derde, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft, mits hij de overeenkomst heeft met dezelfde persoon als met wie de belanghebbende een schriftelijke overeenkomst heeft, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger, en

d. de persoon die onderwijs volgt waarvoor aanspraak op studiefinanciering kan bestaan op grond van de Wet studiefinanciering 2000 en op enig moment tijdens dat onderwijs gelet op zijn leeftijd in aanmerking kan komen voor die studiefinanciering, de persoon die onderwijs volgt waarvoor aanspraak kan bestaan op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, en de persoon die een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs in de beroepsbegeleidende leerweg volgt.

3.3.

In artikel 1 van de Beleidsregels commerciële prijs Participatiewet Rotterdam 2015 van 16 december 2014 (de Beleidsregels) heeft verweerder de hoogte van de commerciële huurprijs vastgesteld op minimaal 20% van het wettelijk netto minimumloon, als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Pw, geldend op 1 juli van het jaar voorafgaand aan het moment waarop de prijs verschuldigd is.

Atikel 3 kent een hardheidsclausule indien toepassing van de Beleidsregels zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4. Verzoeker betoogt dat de kostendelersnorm niet op hem van toepassing is omdat hij een kamer huurt tegen een commerciële huurprijs en zijn huisgenoten studenten zijn als bedoeld in artikel 22a, vierde lid, van de Pw.

4.1.

Niet gezegd kan worden dat verweerder met het vaststellen van de Beleidsregels de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten is gegaan. Met toepassing van de Beleidsregels is de commerciële huurprijs per 1 juli 2015 € 271,90 per maand.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder met juistheid vastgesteld dat verzoeker gelet op de Beleidsregels geen commerciële huurprijs betaalt.

4.2.

Voor de kostendelersnorm is het totaal aantal meerderjarige personen dat in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft van belang.

Bij twee meerderjarige personen is de uitkering 50% van het WML, bij drie meerderjarige personen is de uitkering 43,3% van het WML, bij vier meerderjarige personen is de uitkering 40% van het WML en bij 5 meerderjarige personen is de uitkering 38% van het WML.

Tot die personen worden volgens artikel 22a, vierde lid, van de Pw kort gezegd niet gerekend:

onder b. de verhuurder: als er sprake is van een commerciële huurprijs;

onder c. de medebewoners: als er niet alleen bij de belanghebbende maar ook bij de medebewoners sprake is van commerciële huurprijzen;

onder d. een student.

4.3.

Anders dan verweerder blijkens het bestreden besluit heeft gedaan maar wel volgt uit stuk B51, dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het geval van verzoeker onderscheid te worden gemaakt tussen verzoekers situatie in de periode I en II.

Voor periode I is er sprake van twee meerderjarige personen (verzoeker en zijn neef) die hoofdverblijf hebben in de woning op het adres [adres] , te Rotterdam. Een bijstandsuitkering op 50% van het WML is dan juist.

Voor periode II geldt het volgende.

Verweerder is er blijkens het bestreden besluit van uit gegaan dat verzoeker ook in die periode de woning deelt met één persoon en op grond daarvan uitgekomen op een bijstandsuitkering van 50% van het WML.

In de woning op het adres [adres] , te Rotterdam hebben hoofdverblijf

(1) verzoeker,

(2) de verhuurder,

(3) één student geboren in 1994 en

(4 en 5) twee andere personen geboren in respectievelijk 1968 en 1974.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wordt de student gelet op artikel 22a, vierde lid, onder d, van de Pw terecht niet tot de personen in het eerste lid gerekend.

Omdat geen sprake is van een commerciële huurprijs is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 22a, vierde lid, onder b, van de Pw. De verhuurder dient daarom wel te worden meegeteld.

Daarmee is in periode II in ieder geval sprake van twee meerderjarige personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Een bijstandsuitkering van 50% van het WML is daarmee niet te laag.

Uit het bestreden besluit blijkt niet of verweerder voor de medebewoners 4 en 5 artikel 22a, vierde lid, onder c, van de Pw van toepassing acht. Van een dergelijke situatie is volgens de Memorie van toelichting sprake indien niet alleen de belanghebbende maar ook de medebewoners op basis van een commerciële overeenkomst met dezelfde verhuurder in de woning hun hoofdverblijf hebben. Dan hebben de bewoners ook onderling een zakelijke relatie. Om niet tot de personen in het eerste lid gerekend te worden moet wel bij allen (in dit geval dus zowel bij verzoeker als de andere kamerhuurders) sprake zijn van een commerciële huurprijs.

De voorzieningenrechter stelt vast dat in ieder geval bij verzoeker daarvan geen sprake is, zodat voor de medebewoners 4 en 5 niet van de uitzonderingssituatie als bedoeld onder c sprake kan zijn.

Verweerder heeft in het bestreden besluit geen rekening gehouden met bovenstaande. Omdat dit niet ten nadele is van verzoeker, is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter geen aanleiding het bestreden besluit op die grond te schorsen.

4.4.

Verzoekers betoog dat de kostendelersnorm niet op hem van toepassing is, kan niet slagen. Uitgaande van twee meerderjarige personen met hoofdverblijf in dezelfde woning, is een bijstandsuitkering van 50% van het WML correct.

5. Ter zitting heeft verzoeker een beroep gedaan op de hardheidsclausule van de Beleidsregels. Het kan volgens verzoeker niet de bedoeling zijn dat hij bij wijze van spreken € 21,90 meer huur zou moeten gaan betalen om niet met de kostendelersnorm te worden geconfronteerd.

5.1.

Verweerder heeft ter zitting gesteld dat die situatie dan opnieuw bezien zou moeten worden. Van een onbillijkheid van overwegende aard is volgens verweerder nu geen sprake.

5.2.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan verweerder worden gevolgd in zijn standpunt dat het bestreden besluit niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Het is immers de bedoeling van de wetgever dat voor een bijstandsgerechtigde de individuele bijstandsuitkering lager wordt wanneer er meer mensen in één huis wonen omdat de kosten dan gedeeld kunnen worden. De kostendelersnorm is slechts dan niet van toepassing als er bij alle meerderjarige personen die in dezelfde woning hoofdverblijf hebben sprake is van een zakelijke relatie waarbij het voordeel van het delen van bepaalde voorzieningen als een keuken of badkamer al is verdisconteerd in de commerciële huurprijs.

Dat verzoeker in de situatie wenst te komen dat de personen die in dezelfde woning als verzoeker wonen bij de berekening van het totaal aantal personen dat in die woning hoofdverblijf heeft buiten beschouwing worden gelaten, acht de voorzieningenrechter invoelbaar.

Hoofdregel is dat voor de kostendelersnorm alle meerderjarige personen die hoofdverblijf hebben in dezelfde woning worden meegerekend.

De uitzonderingen genoemd in het vierde lid betreffen het niet meerekenen van de verhuurder als het gelet op artikel 22a, vierde lid, onder b, van de Pw een commerciële huur tussen huurder en verhuurder betreft.

Bij het niet meetellen van de andere kamerhuurders moet er volgens artikel 22a, vierde lid, onder c, van de Pw bij de andere kamerhuurders sprake zijn van een individueel contract waarbij ook deze personen individueel een commerciële prijs aan de verhuurder betalen. Omdat niet bekend is of de andere kamerhuurders nu reeds een commerciële huurprijs betalen, kan de voorzieningenrechter verzoekers stelling dat de kostendelersnorm niet op hem van toepassing zou zijn als hij een (€ 21,90 hogere) commerciële huur per maand zou gaan betalen, niet volgen. Immers, uit de tekst onder c volgt dat de kostendelersnorm ook van toepassing is als verzoeker zelf wél een commerciële huurprijs zou betalen, maar zijn medebewoners niet. Dat de andere kamerhuurders reeds nu een commerciële huurprijs betalen is door verzoeker niet gesteld noch aannemelijk geworden.

5.3.

Verzoekers beroep op de hardheidsclausule slaagt niet.

6. Omdat het bestreden besluit naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in bezwaar stand zal houden, is er geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, voorzieningenrechter,

in aanwezigheid van mr. L. Meijer, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.