Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:5301

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-07-2015
Datum publicatie
25-07-2015
Zaaknummer
KTN-2309393_24072015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"Vervolg op tussenvonnis ECLI: RBROT:2014:1434. Bewijswaardering hoofdverblijf in het gehuurde.

Mede op basis van getuigenverklaringen staat vast dat huurders structureel grootste deel van het jaar in hun huis in het buitenland verblijven.

Van het hebben van hoofdverblijf in het gehuurde is geen sprake.

Deze tekortkoming rechtvaardigt, mede gelet op tijdsduur en frequentie van het feitelijk gebruik van het gehuurde en het belang van verhuurder bij eerlijk toedelingsbeleid van sociale huurwoningen, ontbinding huurovereenkomst en ontruiming gehuurde."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 2309393 CV EXPL 13-40989

uitspraak: 24 juli 2015

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam

in de zaak van

de stichting

Stichting Woonstad Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 28 mei 2013,

gemachtigde: mr. E. de Ruiter te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagden sub 1] ,

wonende te Rotterdam,

gedaagden sub 1,

gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak te Rotterdam,

en

2 [gedaagde sub 2] ,

thans zonder bekende woon-of verblijfplaats,

gedaagde sub 2,

die niet in de procedure is verschenen.

Partijen blijven hierna aangeduid als ‘Woonstad’ respectievelijk ‘[gedaagden sub 1].’ en ‘[gedaagde sub 2]’ genoemd.

1 Het verdere verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het tussenvonnis van 28 februari 2014 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

  • -

    de akte opgave getuigen van [gedaagden sub 1] van 27 maart 2014, met producties;

  • -

    de processen-verbaal van de op 16 juni 2014 en 24 februari 2015 gehouden getuigenverhoren;

  • -

    de bij brief van 17 maart 2015 door Woonstad overgelegde productie 9;

  • -

    de conclusie na getuigenverhoor aan de zijde van [gedaagden sub 1];

  • -

    rolbeslissing van 29 mei 2015;

  • -

    de (antwoord)conclusie na enquête en contra-enquête aan de zijde van Woonstad.

De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

in het geschil tussen Woonstad en [gedaagden sub 1].

2.1.

Bij tussenvonnis is [gedaagden sub 1]. toegelaten tot het bewijs van feiten en/of omstandigheden van hun stelling dat zij hun hoofverblijf hebben en de afgelopen jaren hebben gehad in de huurwoning aan de [adres] te Rotterdam.

2.2.

[gedaagden sub 1]. hebben in enquête als getuigen doen horen [P.], [K.], [HP.], [dochter] (hierna: de dochter) [zoon] (hierna: de zoon) en [B.] (hierna: de schoonzoon). Woonstad heeft in contra-enquête doen horen [L.] (coördinator wijkbeheer Woonstad, hierna: [L.]) en Ciler [C.].

2.3.

De kantonrechter stelt voorop dat anders dan [gedaagden sub 1]. hebben aangevoerd, aan de zijde van Woonstad geen sprake kan zijn van partijgetuigen als bedoeld in artikel 164 lid 2 Rv, reeds omdat op Woonstad niet de bewijslast rust. Voorts maakt het enkele feit dat iemand werknemer is bij een partij hem of haar nog niet tot partijgetuige.

De kantonrechter begrijpt uit hetgeen partijen bij conclusie over en weer verder nog hebben aangevoerd dat beide partijen de kantonrechter (in ieder geval) verzoeken rekenschap te geven van de nauwe banden die de getuigen aan weerszijde hebben met de partij die hen heeft opgeroepen.

2.4.

De getuigen aan de zijde van [gedaagden sub 1]. hebben allen verklaard dat [gedaagden sub 1]. heen en weer reizen tussen hun land van herkomst Turkije en Nederland. Precieze data daarvan heeft geen van de getuigen kunnen geven. De dochter en de zoon van [gedaagden sub 1]. hebben daarbij verklaard dat zij steeds een aaneengesloten periode van zo’n 3 à 4 tot soms 6 maanden in Nederland verblijven; wanneer precies verschilt per jaar afhankelijk van de omstandigheden. Gemiddeld genomen – zo heeft de dochter verklaard – zijn zij van november tot maart hier en van maart tot november in Turkije; aldaar verblijven zij in hun in eigendom toebehorend eensgezinshuisje in het dorpje [plaatsnaam in Turkije]. De zoon en schoonzoon hebben in gelijke zin verklaard. Een en ander komt ook overeen met hetgeen [HP.] heeft verklaard; deze getuige spreekt van het ‘overwinteren’ in Nederland.
Ten slotte is van belang dat alle getuigen aan deze zijde hebben verklaard dat [gedaagden sub 1]. wanneer zij in Nederland zijn, verblijven in hun ‘eigen huis’, dat wil zeggen in de van Woonstad gehuurde woning.

2.5.

De twee getuigen aan de zijde van Woonstad hebben dit laatste tegengesproken.
Zo heeft getuige [C.] verklaard dat zij in de jaren 2009-2013 op dezelfde verdieping in hetzelfde portiek heeft gewoond alwaar [gedaagden sub 1]. de woning hebben gehuurd en dat zij in die periode nooit een oudere man en vrouw heeft gezien maar wel een Bulgaarse vrouw met blond haar tussen de 30 en 40 jaar. Zij heeft erkend destijds over de periode waarin zij daar woonde leugenachtig te hebben verklaard, namelijk dat zij daar slechts een half jaar heeft (in)gewoond (bij haar schoonzus), omdat zij bang was dat dit consequenties zou kunnen hebben voor haar schoonzus. [L.] heeft verklaard over het destijds, in februari 2013, door hem tezamen met een collega verricht huisbezoek naar aanleiding van een anonieme melding. Tijdens dat bezoek hebben zij niet [gedaagden sub 1]. aangetroffen maar wel een Bulgaarse vrouw. Uit nader onderzoek bij de buren (waaronder [C.]) is hen toen gebleken dat geen van de buren [gedaagden sub 1]. kende, ter zake waarvan de op schrift gestelde verklaringen eerder in het geding zijn gebracht. Voorts heeft hij verklaard dat hij naar aanleiding hiervan een brief heeft gestuurd aan [gedaagden sub 1]. en een gesprek met de dochter heeft gehad, in welk gesprek de dochter heeft gezegd dat zij als ze in Nederland zijn vrijwel de hele tijd bij familie verblijven. Uit een en ander heeft hij destijds de conclusie getrokken dat 1) de familie niet het hoofdverblijf had in de woning 2) zij veel in het buitenland verbleven en 3) wanneer zij in Nederland waren zij niet in de woning verbleven. Over de periode na 2013 hebben deze getuigen niet verklaard.

2.6.

De verklaringen van de gehoorde getuigen in onderling verband en samenhang beschouwd, alsmede gelet op hetgeen partijen in hun conclusies na getuigenverhoor nog hebben aangevoerd en gelet op de in het geding gebrachte schriftelijke stukken, is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagden sub 1]. niet in het opgedragen bewijs zijn geslaagd. Daartoe wordt overwogen dat weliswaar op grond van de getuigenverklaringen aan de zijde van [gedaagden sub 1]. voldoende is komen vast te staan dat wanneer [gedaagden sub 1]. in Nederland verblijven, zij -althans de laatste paar jaar- hoofdzakelijk verblijven in de van Woonstad gehuurde woning - in zoverre kan het standpunt van [gedaagden sub 1]. als neergelegd in de conclusie na getuigenverhoor dan ook worden gevolgd - maar evenzeer vast is komen te staan dat [gedaagden sub 1]. sinds een langere periode structureel het grootste deel van het jaar in hun huis in het buitenland verblijven, zodat naar de tijd gemeten de conclusie moet zijn dat zij over een periode van meerdere jaren hun werkelijk verblijf elders hebben gehad en niet in de van Woonstad gehuurde woning. In een situatie als deze kan niet meer gezegd worden dat het privéleven van [gedaagden sub 1]. zich hoofdzakelijk in en vanuit de woning in Nederland afspeelt. Van het hebben van een hoofdverblijf in de litigieuze woning is dan ook geen sprake. De omstandigheid dat zij wel op dit adres zijn ingeschreven, aldaar hun pensioen/uitkering ontvangen en ook vanuit de woning indien nodig van de medische zorg in Nederland gebruik maken, zoals eerder is aangevoerd van de zijde van [gedaagden sub 1]. onder overlegging van de nodige schriftelijke bescheiden, kan niet leiden tot een andere conclusie. Feit blijft immers dat [gedaagden sub 1]. structureel het grootste deel van het jaar in het buitenland en dus niet in de gehuurde woning werkelijk verblijf houden.

2.7.

Het voorafgaande betekent dat er in rechte vanuit moet worden gegaan dat [gedaagden sub 1]. niet hebben voldaan aan de in artikel 8.2 van de algemene voorwaarden als behorend bij de huurovereenkomst neergelegde verplichting om hun hoofdverblijf in de woning te hebben.

2.8.

Daarmee komt de kantonrechter toe aan de vraag of deze tekortkoming de ontbinding en ontruiming van de woning rechtvaardigt. Daarbij dienen de omstandigheden van het onderhavige geval een rol te spelen, zoals de tijdsduur en frequentie van het feitelijk gebruik van het gehuurde door de huurder en de aard van de huurovereenkomst.
Zoals hiervoor reeds is overwogen, houden [gedaagden sub 1]. structureel en gedurende het grootste deel van het jaar elders werkelijk verblijf, dit terwijl – naar eerder reeds is gebleken (zie tussenvonnis onder 4.3) – de woning alhier in het verleden, evenzeer in strijd met de huurovereenkomst, aan derden in gebruik is gegeven en thans leeg staat. Daarbij komt dat het hier gaat om een woning in de sociale sector, waar veel vraag naar is en waar schaarste bestaat. Woonbron heeft er als verhuurder in de sociale sector belang bij dat de woningen daadwerkelijk voor een substantieel deel van de tijd worden bewoond door de doelgroep en dat het gehuurde goed wordt beheerd. Zij dient daarbij zorg te dragen voor een eerlijk toedelingsbeleid. Daarbij dient in ogenschouw te worden genomen dat de wettelijke huurbescherming niet in het leven is geroepen om het behoud van een woning in deze sector te garanderen voor iemand die zijn hoofdverblijf elders heeft, terwijl anderen een betaalbare woning moeten ontberen. De conclusie moet zijn dat het verplaatsen van het hoofdverblijf in de gegeven omstandigheden niet is aan te merken als een tekortkoming van weinig ernstige aard of geringe betekenis, zodat de tekortkoming de ontbinding en ontruiming rechtvaardigt. De kantonrechter zal de termijn voor ontbinding en ontruiming stellen op de laatste dag van de eerstvolgende maand, zijnde 31 augustus 2015.

2.9.

[gedaagden sub 1]. zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

in het geschil tussen Woonstad en [gedaagde sub 2]

2.10.

Tegen [gedaagde sub 2] is, nu ten aanzien van haar de voorgeschreven formaliteiten en termijnen in acht zijn genomen en zij niet is verschenen, verstek verleend. Het vonnis dient echter ingevolge artikel 140 lid 2 Rv als een vonnis op tegenspraak te worden beschouwd.

2.11.

Zoals reeds in het tussenvonnis is overwogen onder 4.3 staat vast dat [gedaagde sub 2] inmiddels de woning heeft verlaten, zodat Woonstad geen belang meer heeft bij de vorderingen tegen haar gericht. Deze vorderingen zullen derhalve bij gebrek aan belang worden afgewezen.

2.12.

Woonstad wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. Nu [gedaagde sub 2] niet in deze procedure is verschenen (en tegen haar verstek is verleend), worden deze proceskosten vastgesteld op nihil.

3 De beslissing

De kantonrechter:

in het geschil tussen woonstad en [gedaagden sub 1].

ontbindt de tussen Woonstad en [gedaagden sub 1]. gesloten huurovereenkomst met ingang van

1 september 2015;

veroordeelt [gedaagden sub 1]. om uiterlijk op 31 augustus 2015 de huurwoning gelegen aan de [adres] te Rotterdam te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken, voor zover deze laatste niet het eigendom van Woonstad zijn, onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van Woonstad te stellen;

veroordeelt [gedaagden sub 1]. in de proceskosten, aan de zijde van Woonstad vastgesteld op € 256,00 aan verschotten en op € 2.064,79 aan salaris gemachtigde;

in het geschil tussen Woonstad en [gedaagde sub 2]

wijst af de vorderingen gericht tegen [gedaagde sub 2];

veroordeelt Woonstad in de proceskosten, aan de zijde [gedaagde sub 2] vastgesteld op nihil;

en voorts:

verklaart dit vonnis waar het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Heevel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

464/879