Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:5197

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-07-2015
Datum publicatie
20-07-2015
Zaaknummer
C/10/472540 / KG ZA 15-304
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

“Opzeggen van de geldleningsovereenkomst door de Bank op grond van beleidswijziging”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2015, afl. 6, p. 323
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/472540 / KG ZA 15-304

Vonnis in kort geding van 16 juli 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. G.I. Beij te Amsterdam,

tegen

de coöperatie

[gedaagde],

handelend onder de naam [gedaagde] HYPOTHEKEN,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. drs. M. Sweerts te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de producties van [eiser];

  • -

    de producties van [gedaagde];

  • -

    de mondelinge behandeling op 17 april 2015;

  • -

    de pleitnota d.d. 17 april 2015 van mr. G.I. Beij;

  • -

    de pleitnota d.d. 17 april 2015 van mr. drs. M. Sweerts;

  • -

    het (verkorte) proces-verbaal van de zitting d.d. 17 april 2015;

  • -

    de pleitnota d.d. 3 juli 2015 van mr. G.I. Beij;

  • -

    de pleitnota d.d. 3 juli 2015 van mr. drs. M. Sweerts.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is eigenaar van drie appartementen. [eiser] is in het jaar 2000 eigenaar geworden van twee appartementen (woningen) op de adressen [adres1] te Rotterdam en [adres2] te Rotterdam. [eiser] verhuurt deze twee appartementen bedrijfsmatig (hierna ook te noemen: de twee andere appartementen).

2.2.

Voor de aanschaf van de twee andere appartementen had [eiser] hypothecaire geldleningsovereenkomsten gesloten met derden, respectievelijk voor bedragen van

€ 47.646,- (ter zake van de [adres1]) en van € 72.694,- (ter zake van de [adres2]).

2.3.

[eiser] is op 19 juli 2004 eigenaar geworden van een appartement (woning) op het adres [adres3] te Rotterdam. [eiser] bewoont dit appartement zelf (hierna te noemen: de woning). Voor de aanschaf van de woning heeft [eiser] een geldlenings- overeenkomst gesloten met (een rechtsvoorganger van) [gedaagde] (hierna steeds te noemen: [gedaagde]). Dit is vastgelegd in een “Overeenkomst Kredietverstrekking in Rekening-Courant,” gesloten op 17 juli 2004 (hierna ook te noemen: de geldleningsovereenkomst of: de overeenkomst). De geldleningsovereenkomst bepaalt (in artikel 10) dat het aan de bank verschuldigde te allen tijde opeisbaar is drie maanden na opzegging van het krediet.

2.4.

Bij notariële akte de dato 19 juli 2004 heeft [eiser] tot zekerheid van nakoming van haar financiële verplichtingen onder de geldleningsovereenkomst hypotheek gegeven aan [gedaagde] op de woning (eerste hypotheek) en op de twee andere appartementen (tweede hypotheek). De twee andere appartementen waren toen al verhuurd. In deze akte is ten behoeve van [gedaagde] een stil pandrecht gevestigd op onder meer de huurpenningen die [eiser] ontvangt ter zake van de twee andere appartementen.

2.5.

[eiser] had volgens de geldleningsovereenkomst de mogelijkheid om in totaal in rekening-courant een bedrag op te nemen van € 370.000,-. Het betrof een aflossingsvrije parapluhypotheek, waarvan maximaal € 250.000,- bestemd was voor de aankoop van de woning en het meerdere ad € 120.000,- om de twee hypothecaire geldleningsovereen-komsten ter zake van de twee andere appartementen (eerste hypotheek) af te lossen en om te zetten in een hypothecaire geldlening met [gedaagde]. [eiser] heeft van deze laatste mogelijkheid geen gebruik gemaakt: [eiser] heeft wel € 250.000,- geleend van [gedaagde] om de aanschaf van de woning te financieren maar [eiser] heeft niet de aanvullende € 120.000,- van [gedaagde] geleend om de twee andere appartementen te herfinancieren. Er is een toeslag van 0,3% rente berekend “gezien het bedrijfsmatige karakter van het/de onderpanden”.

2.6.

[gedaagde] heeft bij e-mailbericht van 14 juli 2011 aan [eiser] medegedeeld, samengevat, dat:

-[gedaagde] haar beleid heeft gewijzigd,

-[gedaagde] niet langer bereid is om “commercial property” te financieren,

-dat het bedrag dat [gedaagde] maximaal onder een hypothecaire geldlening uitleent beperkt wordt tot 80% van de liquidatiewaarde,

-[gedaagde] daarom wil weten wat de liquidatiewaarde is van de woning.

2.7.

[eiser] heeft een taxatierapport ter zake van de woning laten opmaken en aan [gedaagde] doen toekomen. De getaxeerde executiewaarde van de woning was volgens dit rapport € 240.000,-, met als waardepeildatum 14 november 2011.

2.8.

[gedaagde] heeft bij brief van 5 december 2011 aan [eiser] medegedeeld, samengevat, dat de hypothecaire geldlening ter zake van de woning werd verlaagd naar

€ 192.000,- (zijnde 80% van € 240.000,-) en daarbij [eiser] verzocht om het meerdere ad

€ 58.000,- voor 1 augustus 2012 terug te betalen aan [gedaagde].

2.9.

[gedaagde] heeft bij brief van 29 maart 2012 aan de advocaat van [eiser] onder meer medegedeeld dat haar eis om de financiering terug te brengen tot 80% van de executie-waarde is gegrond op artikel 10 van de Algemene Voorwaarden Geldlening en Kredietverstrekking Rekening-Courant alsmede op artikel 10 van de geldlenings-overeenkomst.

Voorts geeft [gedaagde] in deze brief aan bereid te zijn om onder voorwaarden in te stemmen met een soepelere betalingsregeling dan betaling van het bedrag ineens vóór 1 augustus 2012. De rente-opslag van 0,3% zal na terugbrenging van het uitstaande bedrag tot € 192.000,00, vervallen.

2.10.

[eiser] heeft een klacht ingediend bij het financiële klachteninstituut KiFiD. Het KiFiD heeft bij brief van 28 mei 2013 aan [eiser], samengevat, de klacht afgewezen omdat er naar opvatting van het KiFiD weliswaar in de overeenkomst noch in de daarbij van toepassing verklaarde algemene voorwaarden een uitdrukkelijke opzegbevoegdheid was aangetroffen, maar dat een duurovereenkomst door een der partijen (toch) mag worden opgezegd, met inachtneming van de eisen van redelijkheid en billijkheid en dat het [gedaagde] in beginsel vrij staat haar (strategisch) beleid te bepalen en tot conclusie te komen dat bepaalde producten niet meer passen in het nieuwe beleid. In aanmerking nemend dat [gedaagde] genoegen neemt met een betalingsregeling om de lening tot een voor [gedaagde] aanvaardbaar niveau terug te brengen (met € 58.000,00), acht het KiFiD de opstelling van [gedaagde] redelijk.

2.11.

[gedaagde] heeft bij brief van 11 september 2014 [eiser] de geldleningsovereenkomst met [eiser] opgezegd tegen 1 januari 2015 en daarbij aangekondigd dat zij haar stille pandrecht, gevestigd op de huurpenningen die [eiser] ontvangt ter zake van de andere twee appartementen, openbaar zal maken. [gedaagde] voert hiertoe als reden aan, samengevat, dat [eiser] niet met een acceptabel aflossingsvoorstel is gekomen en dat [eiser] een oplossing van de kwestie vertraagt en frustreert.

2.12.

[gedaagde] heeft haar pandrecht openbaar gemaakt en gedurende enkele maanden hebben de huurders aan haar betaald. Ter zitting van 17 april 2015 is een (tijdelijke) afspraak gemaakt, ingevolge welke de huur over de maanden mei, juni (en juli) 2015 aan [eiser] is voldaan. De woning en de overige appartementen zijn (opnieuw) getaxeerd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. [gedaagde] te gebieden om geen beroep te doen op de opzegging en [gedaagde] te veroordelen om binnen 7 dagen na het in dezen te wijzen vonnis schriftelijk aan [eiser] te bevestigen dat de kredietovereenkomst wordt voortgezet en voor zover nodig opnieuw met [eiser]

wordt aangegaan, een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor

iedere dag dat [gedaagde] deze veroordeling niet naleeft;

b. [gedaagde] te gebieden om, bij de voortgezette dan wel hernieuwde kredietovereenkomst, het krediet van [eiser] op tenminste € 250.000,- te laten staan dan wel tenminste 104% van de onderhandse verkoopwaarde dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

c. [gedaagde] te gebieden om, bij de voortgezette dan wel hernieuwde kredietovereenkomst, geen 0,3% opslag te laten rekenen boven de gerekende rente;

d. [gedaagde] te veroordelen om binnen 7 dagen na het in dezen te wijzen vonnis het inroepen van het pandrecht te staken en schriftelijk te bevestigen aan de huurder van de [adres] dat deze de huur weer direct aan [eiser] zal voldoen, een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat [gedaagde] deze veroordeling niet

naleeft;

e. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen, althans vanaf een door de voorzieningenrechter redelijk geachte termijn, na het in deze te wijzen vonnis, alsmede in de nakosten ad € 131,- dan wel € 199,- indien betekening van dit vonnis plaatsvindt.

[eiser] stelt ter onderbouwing het volgende.

3.2.

Op [gedaagde] als financier rust een bijzondere zorgplicht (gerechtshof Arnhem 18 februari 2003, JOR 2003,267). [gedaagde] schendt deze zorgplicht. [gedaagde] past artikel 10 lid 2 van haar algemene voorwaarden onjuist toe. Daarnaast bieden de algemene voorwaarden niet de ruimte om vanwege gewijzigd beleid de financiering te beperken tot 80% van de executiewaarde, daar waar eerst nog de onderhandse verkoopwaarde en verbouwingskosten volledig werden gefinancierd.

Als de algemene voorwaarden deze ruimte wel mochten bieden, dan zijn de betreffende bedingen, gezien het feit dat [eiser] consument is, onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233 BW. [eiser] roept de vernietiging in van de desbetreffende bedingen.

Het beroep op de bedingen is ook onaanvaardbaar.

De financiering door [gedaagde] betreft alleen de woning van [eiser]. [gedaagde] heeft een bovengemiddelde positie, omdat zij ook recht van hypotheek heeft op de twee andere appartementen en bovendien een pandrecht gevestigd heeft op de huurpenningen ter zake van deze twee appartementen, terwijl zij daarvoor aan [eiser] geen geld geleend heeft. [eiser] betaalt ten onrechte een rente-opslag van 0,3%. Deze opslag wordt berekend omdat sprake zou zijn van bedrijfsmatige financiering, terwijl in feite slechts sprake is van privéfinanciering, betreffende de woning van [eiser].

De beleidswijziging van [gedaagde] om de financiering te beperken tot 80% van executiewaarde ziet slechts op commercieel vastgoed, waarvan hier geen sprake is, zodat de beleidswijziging hier niet toepasselijk is.

Een beroep op het pandrecht is niet geoorloofd omdat [eiser] niet in gebreke is; [eiser] mocht verhuren en [gedaagde] wist ten tijde van het aangaan van de leningsovereenkomst dat de twee andere appartementen voor de verhuur bestemd waren.

3.3.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot onbevoegdverklaring dan wel afwijzing.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De behandeling van de zaak is na de eerste zitting aangehouden in afwachting van het resultaat van tussen partijen te voeren schikkingsonderhandelingen. Partijen zijn niet tot een vergelijk gekomen. Daarom zal thans vonnis worden gewezen.

4.2.

Op de tweede zitting heeft [gedaagde] haar beroep op relatieve onbevoegdheid van de (voorzieningenrechter van de) rechtbank Rotterdam op louter pragmatische gronden ingetrokken. Dit verweer behoeft derhalve geen bespreking meer.

4.3.

Het spoedeisende belang volgt uit de stellingen van [eiser].

4.4.

Voor zover partijen bezwaren hebben geuit tegen het niet (tijdig) ontvangen van producties van de wederpartij voorafgaand aan de eerste zitting, worden deze bezwaren verworpen. Er heeft immers nadien een tweede mondelinge behandeling van de zaak ter zitting plaats gevonden. Op dat moment hadden partijen in ieder geval wel voldoende tijd gehad om van elkaars stukken kennis te nemen en daarop te reageren.

4.5.

In geding is met name de vraag of aan [gedaagde] het recht toekomt om de financieringsovereenkomst op te zeggen, in elk geval gedeeltelijk voor een bedrag van € 58.000. De voorzieningenrechter gaat er, gelet op het verhandelde ter zitting van 3 juli 2015 vanuit (zie pleitnota 6, 7 en 9) dat [gedaagde] nog steeds bereid is de woning te financieren, en wel voor 80% van de executiewaarde, zodat in zoverre van algehele beëindiging van de kredietrelatie geen sprake is.

4.6.

De vraag of een financieringsovereenkomst (deels) voortijdig opzegbaar is hangt in de eerste plaats af van de vraag of de overeenkomst der partijen voorziet in een zodanige (gedeeltelijke) opzegging (vgl. 10 oktober 2014, HR ECLI:NL:2929, rov. 3.5.2). Het staat partijen vrij om overeen te komen in welke gevallen de overeenkomst voortijdig ten einde komt. Partijen mogen elkaar aan die bepalingen houden, tenzij een beroep op deze bepalingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zouden zijn.

Het beroep van [eiser] op voormeld arrest van het gerechtshof Arnhem, dat een ander toetsingskader hanteert dan de Hoge Raad in voormeld arrest, faalt.

4.7.

[gedaagde] beroept zich voor haar opzeggingsbevoegdheid onder meer op artikel 10 van de geldleningsovereenkomst. In dit artikel staat dat, onverminderd het bepaalde in de algemene voorwaarden, het door de geldnemer (s) aan de bank verschuldigde te allen tijde opeisbaar is drie maanden na opzegging van het krediet. Voorts beroept [gedaagde] zich op artikel 10 van haar algemene voorwaarden. Dit artikel voorziet in de mogelijkheid tot herschatting van de waarde van het onderpand. Als deze herschatting tot een lager bedrag (lagere waarde) leidt dan de voorgaande schatting, dan heeft [gedaagde] het recht om het maximale kredietbedrag te verlagen en aflossing te verlangen van een door de bank nodig geacht bedrag, dit tenzij ten genoegen van de bank aanvullende zekerheid is verstrekt. Deze bepaling houdt in zoverre een contractuele mogelijkheid tot gedeeltelijke opzegging in. Tenslotte meent [gedaagde] dat zij ingevolge de beleidswijziging gerechtigd is tot deze gedeeltelijke opzegging.

4.8.

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat geenszins valt uit te sluiten dat het beroep van [gedaagde] op voormelde bepalingen in een bodemprocedure ongegrond zal worden bevonden, respectievelijk dat een beroep op deze bepalingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zal worden geacht. In dit oordeel wordt het volgende betrokken.

4.9.

Artikel 10 van de geldleningsovereenkomst voorziet, zoals [gedaagde] met juistheid betoogt, in de opeisbaarheid van hetgeen [eiser] verschuldigd is aan [gedaagde] drie maanden na opzegging van het krediet. Dit artikel bepaalt echter ook dat zulks geldt onverminderd het bepaalde in de toepasselijke algemene voorwaarden. Dit impliceert dat hetgeen is bepaald in de algemene voorwaarden, zijn werking blijft behouden. Nu artikel 10 van de overeenkomst niet bepaalt in welke gevallen opzegging mogelijk is zal dat moeten blijken uit de algemene voorwaarden.

In deze algemene voorwaarden bevat artikel 14 een -uitgebreide- regeling inzake de directe opeisbaarheid (“terstond” ) van de lening. [gedaagde] heeft niet gesteld, noch onderbouwd, dat één, en zo ja, welke van de gronden in dit artikel 14 (onder a tot en met p) in dit geval toepasselijk zijn. Het is niet aan de voorzieningenrechter om een onderzoek te verrichten in deze uitgebreide regeling om zelf te bezien of zich één van de hierin genoemde gronden in dit geval zou kunnen voordoen. Dan zou [eiser] niet weten hoe zij zich zou moeten verweren. [gedaagde] had zich bij de opzegging duidelijk moeten beroepen op één van die gronden.

Artikel 10 van de algemene voorwaarden bevat een voorziening, ten gunste van [gedaagde], voor het geval dat de waarde van het aan [gedaagde] verstrekte onderpand gedaald is. Daargelaten of verlaging van het kredietbedrag al dan niet gelijk staat aan gedeeltelijke opzegging, [gedaagde] heeft bij die gedeeltelijke opzegging in dit geval kennelijk deze bepaling niet voor ogen gehad. Waardedaling van het onderpand is niet de reden van de gedeeltelijke opzegging van de kredietovereenkomst zoals deze blijkt uit het e-mailbericht van [gedaagde] van 14 juli 2011. Volgens dit e-mailbericht is de reden voor de gedeeltelijke opzegging dat [gedaagde] haar beleid heeft gewijzigd door voortaan geen commercieel vastgoed meer te willen financieren en ten aanzien van woningen nog maar 80% van de executiewaarde.

De omstandigheid dat [gedaagde] in dit e-mailbericht ook aan [eiser] heeft verzocht om de waarde van het onderpand (de woning) kenbaar te maken, noopt niet tot een ander oordeel.

Deze vraag is kennelijk gesteld om te kunnen toetsen of de financiering aan [eiser] nog wel voldoet aan de voorwaarden die [gedaagde] ingevolge haar beleidswijziging hanteert en niet om te beoordelen of sprake is van een waardedaling van het onderpand in de zin van artikel 10 van de algemene voorwaarden.

4.10.

Bij het voorgaande komt, dat onduidelijk is hoe de directe opeisbaarheid van de gehele lening zich verhoudt tot de gedeeltelijke opzegging.

Thans is derhalve in onvoldoende mate gebleken dat [gedaagde] in dit geval een contractuele opzegbevoegdheid toekomt. Voor zover [gedaagde] zich in dat verband beroept op de -aanvankelijk- niet door [eiser] verrichte hertaxatie, miskent [gedaagde] dat zijzelf [eiser] nogmaals de gelegenheid heeft gegeven en dat toen ook daadwerkelijk een hertaxatie heeft plaatsgevonden; dat die 13 dagen te laat was is een zo gering verzuim dat daaraan geen betekenis toekomt.

Op voorhand valt evenmin uit te sluiten dat, indien [gedaagde] zich op artikel 10 van de geldleningsovereenkomst beroept, een beroep op deze bevoegdheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in een bodemprocedure onaanvaardbaar zal worden bevonden. ([eiser] stelt dat die bepaling vernietigbaar zou kunnen zijn, doch nu voorshands zelfs onduidelijk is of het hier een algemene voorwaarde in de zin van artikel 6:233 BW betreft, valt dat voorhands te betwijfelen.)

4.11.

In het algemeen kunnen duurovereenkomsten, ook als niet voorzien is in opzegging, eenzijdig worden opgezegd. Voor zover [gedaagde] heeft opgezegd op grond van de beleidswijziging beroept zij zich daarop. Daarbij zal de opzeggende partij rekening hebben te houden met de belangen van de wederpartij en kan meewegen wat de beweegredenen voor de opzegging zijn en dat de wederpartij consument is.

[eiser] stelt dat de gedeeltelijke opzegging haar voor onoverkomelijke financiële problemen stelt. Dat geldt te meer nu de huurinkomsten haar enige structurele bron van inkomsten vormen. [eiser] heeft voor onbepaalde tijd, aflossingsvrij, een bedrag van € 250.000,- geleend van [gedaagde]. [gedaagde] heeft vervolgens voortijdige terugbetaling verlangd van € 58.000,- hetgeen zowel relatief als absoluut een zeer substantieel bedrag is. [gedaagde] heeft later zelfs het gehele financieringsbedrag van € 250.000,- voortijdig opgeëist.

Het is vooralsnog aannemelijk dat het voor [eiser] financieel zeer bezwaarlijk is om de € 58.000 in één keer, dan wel door termijnbetalingen binnen afzienbare tijd, af te lossen. In de onderhavige kort gedingprocedure is de financiële positie van [eiser] weliswaar niet volledig duidelijk geworden, maar er is geen enkele concrete stelling ingenomen door [gedaagde] (die over de IB-gegevens van [eiser] beschikt) waaruit kan blijken dat de stellingen van [eiser] onjuist zijn; [gedaagde] komt niet verder dan mogelijke inkomsten uit kunstverkopen. Voorshands acht de voorzieningenrechter dit zeer zwaarwegende belangen zijdens [eiser] die tegen de toelaatbaarheid van deze opzegging pleiten.

4.12.

Voorts is van belang dat de reden waarom [gedaagde] terugbetaling van dit substantiële bedrag verlangde, niet toerekenbaar is aan [eiser]. Het verlangen tot terugbetaling vindt immers zijn grondslag in een door [gedaagde] ingevoerde beleidswijziging waarvan gesteld noch gebleken is dat deze voor [eiser] voorzienbaar was ten tijde van het sluiten van de overeenkomst en die ook niet aan [eiser] te wijten is of in haar risicosfeer ligt. Het verweer van [gedaagde] dat [eiser] in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in de geldleningsovereenkomst door de twee andere appartementen commercieel te verhuren zonder toestemming van [gedaagde], zodat haar een beroep op artikel 27 ABV toekomt, faalt.

Het is voorshands aannemelijk dat [gedaagde] ten tijde van het sluiten van de geldlenings-overeenkomst wist dat [eiser] de twee andere appartementen toen al verhuurde. [eiser] bezat de twee andere appartementen toen al enige jaren en de geldleningsovereenkomst der partijen voorzag in de mogelijkheid dat de financiering van de twee andere appartementen bij [gedaagde] ondergebracht zou worden.

In de offerte voor de leningsovereenkomst staat achter beide appartementen “verhuurd”. [gedaagde] wist dus vanaf het begin dat [eiser] deze panden verhuurde. Dat de afspraken tussen partijen inhouden dat alleen de oorspronkelijke verhuur is toegestaan en elke wijziging is verboden acht de voorzieningenrechter zeer onaannemelijk, hoewel op [eiser] wel de verplichting rust [gedaagde] op de hoogte te houden. De enkele omstandigheid dat - kennelijk - inmiddels de aanvankelijke huurder vervangen is door een andere huurder kan, bij gebreke van concrete stellingen waaruit blijkt dat door de nieuwe huurder de positie van [gedaagde] verslechterd is, geen zelfstandige grond voor opzegging met een beroep op artikel 27 ABV zijn. Daarbij is nog daargelaten dat die reden nu pas, ter zitting, door [gedaagde] genoemd wordt.

4.13.

Bovendien heeft [gedaagde] niet onderbouwd waarom zij tot haar beleidswijziging is gekomen, waarom deze ook op [eiser] van toepassing is en waarom deze geen uitzondering voor bestaande gevallen toeliet. Dat zij tot de beleidswijziging verplicht was is niet aanne-melijk. Dat haar beleid niet langer is gericht op financiering van commercieel vastgoed is naar voorshands oordeel in dit geval irrelevant. [eiser] heeft met de geleende gelden slechts de woning gefinancierd, niet de twee andere appartementen. Deze zijn slechts een vorm van additionele zekerheid. Niet in te zien valt thans dat het gewijzigde beleid zonder meer tot maatregelen jegens [eiser] noopte. Voorts, zo dit wel het geval mocht zijn, is niet aannemelijk dat er geen andere, voor [eiser] minder belastende mogelijkheden bestaan

dan de zeer ingrijpende manier waarop [gedaagde] dat thans wil doen.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat zij [eiser] verregaand tegemoet gekomen is. Weliswaar heeft zij zich gedurende de periode die is verstreken sinds de opzegging geduldig betoond en is zij bereid met [eiser] tot een aflossingsregeling te komen, op een, op zichzelf, keurige manier, doch deze heeft nog steeds ten doel op tamelijk korte termijn tot aflossing van tenminste € 58.000,= te komen.

[gedaagde] heeft voorts gesteld dat zij zich alle rechten voorbehoudt nu de taxatie van de woning lager uitvalt dan de eerdere € 240.000,=. Voorts heeft zij weliswaar ingestemd met tijdelijk niet uitoefenen van haar pandrecht, doch zij ziet daarvan niet af. Mede gezien de voor de opzegging gegeven, voorshands ondeugdelijke, grond, het ontbreken van contractueel voorziene toepasselijke opzeggingsgronden en de omstandigheid dat [eiser] in ieder geval sedert 2009 stipt haar rentebetalingen voldoet, acht de voorzieningenrechter zeker niet uitgesloten dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat het [gedaagde] niet vrij stond de overeenkomst op deze wijze (gedeeltelijk) op te zeggen en deze opzegging zo te effectueren, hoewel voorshands te ver gaat het standpunt van [eiser] dat zij er recht op heeft dat [gedaagde] de overeenkomst gedurende dertig jaar ongewijzigd gestand doet. In die omstandigheden acht de voorzieningenrechter een ordemaatregel aan de hand van het gevorderde op zijn plaats; een belangenafweging brengt mee dat de situatie wordt bevroren als na te melden, doch slechts tot in eerste aanleg een bodemvonnis is gewezen.

Als [eiser] niet binnen na te melden termijn een bodemprocedure aanhangig maakt geldt deze ordemaatregel dus niet.

4.14.

Mitsdien zal vordering a worden toegewezen op na te melden wijze, met dien verstande dat de voorzieningenrechter deze vordering begrijpt als een verbod, dat zal worden toegewezen. Voor het voorzetten van de overeenkomst, laat staan een gebod tot aangaan van een nieuwe, bestaat geen grond in het kader van dit kort geding. Gelet op de van de kant van [gedaagde] tot dusver gevolgde gedragslijn (waar grotendeels gehandeld wordt alsof de overeenkomst nog gold) ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het opleggen van een dwangsom, nu in feite slechts voorzetting van die praktijk wordt bevolen tot de bodemrechter heeft beslist.

4.15.

Ook vordering d, inzake het pandrecht op de huurpenningen, zal worden toegewezen. In het oordeel aangaande vordering a, luidende (in wezen) dat gerede twijfel mogelijk is of [gedaagde] een opzeggingsbevoegdheid toekomt, ligt besloten dat dezelfde twijfel mogelijk is ten aanzien van het inroepen van het pandrecht door [gedaagde]. Daarbij komt dat [eiser], onweersproken, veel nadeel (op de korte termijn) van de inning door [gedaagde] ondervindt, nu zij de huurinkomsten voor haar levensonderhoud (en de rentebetalingen aan [gedaagde]) benut.

4.16.

Vordering b zal worden afgewezen. Deze vordering heeft een declaratoir karakter. In kort geding kan geen declaratoir vonnis worden gewezen. Daarbij komt dat het in beginsel niet aan de (voorzieningen)rechter is om te bepalen wat de inhoud van een overeenkomst moet zijn.

4.17.

Vordering c zal eveneens worden afgewezen. De voorzieningenrechter acht het niet duidelijk dat [eiser] de opslag van 0,3%, die in rekening wordt gebracht als de geldlening betrekking heeft op commercieel onroerend goed, niet hoeft te betalen. Op zich is juist de stelling van [eiser] dat de geldlening in feite slechts betrekking heeft op privé onroerend goed en niet op commercieel onroerend goed. Daar staat echter tegenover dat in de geldleningsovereenkomst wél is voorzien in de mogelijkheid dat de geldlening mee zou worden aangewend ter financiering van commercieel onroerend goed. Ten tijde van het sluiten van de geldleningsovereenkomst is deze mogelijkheid in ieder geval nadrukkelijk onder ogen gezien. Zowel de offerte als de overeenkomst vermelden deze opslag en [eiser] heeft deze, totdat het geschil zo opliep, ook steeds betaald.

4.18.

Vordering e, inzake proceskosten, is eveneens toewijsbaar, aangezien [gedaagde] de grotendeels in het ongelijk gestelde partij is. De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 816,- aan salaris advocaat (standaard tarief kort geding volgens de Liquidatietarieven), € 285,- aan griffierecht en € 94,19 aan griffierecht, vermeerderd met de gevorderde nakosten.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt [gedaagde] om een beroep te doen op de opzegging totdat in een vonnis in een te entameren bodemprocedure in eerste aanleg hierover is beslist (zodat de verhouding tussen partijen (tot dat vonnis ) wordt beheerst door de geldleningsovereenkomst zoals die ten tijde van de opzegging gold) op voorwaarde dat [eiser] uiterlijk op 12 augustus 2015 een bodemprocedure tegen [gedaagde] aanhangig heeft gemaakt;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om binnen 7 dagen na de datum van betekening van het onderhavige vonnis het inroepen van het pandrecht te staken en schriftelijk te bevestigen aan de huurder van de [adres] dat deze de huur weer direct aan [eiser] mag voldoen totdat een vonnis in eerste aanleg in de bodemprocedure is gewezen, een en ander op straffe van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag dat [gedaagde] deze veroordeling niet naleeft, met een maximum van € 50.000,- en op voorwaarde dat [eiser] uiterlijk op

12 augustus 2015 een bodemprocedure tegen [gedaagde] aanhangig heeft gemaakt;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiser], tot op heden begroot op € 1.195,19, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van het wijzen van het onderhavige vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, en voorts te vermeerderen met nakosten ad € 131,- respectievelijk € 199,- ingeval van betekening van dit vonnis;

5.4.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2015.2026/1862/106