Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:5118

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-07-2015
Datum publicatie
16-07-2015
Zaaknummer
C/10/420456 + C/10/427850
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil op welke wijze de huwelijkse voorwaarden afgewikkeld dienen te worden. In de akte huwelijkse voorwaarden is bepaald dat tussen partijen geen vermogensrechtelijke gemeenschap bestaat en is een periodiek verrekenbeding opgenomen. Partijen hebben een woning in gemeenschappelijke eigendom, alsmede zijn een aantal vermogensbestanddelen en goederen gemeenschappelijk. De vrouw heeft recht op vergoeding van de door haar geïnvesteerde uit schenking afkomstige bedragen.

In de (tussen)beschikking is beslist dat er tussen partijen gedurende het huwelijk geen verrekening van overgespaarde inkomsten heeft plaatsgevonden, zodat artikel 1:141 lid 3 BW van toepassing is.

Er is voldoende aanleiding om aan te nemen dat het totale vermogen dat partijen gezamenlijk op de peildatum hadden voor een aanzienlijk deel afkomstig is uit schenkingen van de ouders aan de vrouw en dus afkomstig van het privévermogen van de vrouw. Het feit dat de vrouw niet kan aantonen welk deel precies afkomstig is uit schenkingen vindt zijn oorzaak in de wijze waarop de man tijdens het huwelijk de financiën van partijen heeft beheerd. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat voor wat betreft het privévermogen van de vrouw de eisen van redelijkheid en billijkheid zich verzetten tegen toepassing van het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW. Het ligt dus op de weg van de man om voldoende onderbouwd te stellen en bij betwisting te bewijzen dat het privévermogen van de vrouw afkomstig is uit hetgeen verrekend had moeten worden. De man heeft niet aan deze stelplicht voldaan en evenmin op dit punt een bewijsaanbod gedaan. Hieruit volgt dat het vermogen op naam van de vrouw niet verrekend behoeft te worden. Tussen partijen is niet in geschil dat het vermogen van de man verrekend dient te worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/24.3

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie 1

zaaknummer / rekestnummer: C/10/420456 / FA RK 13-2199 + C/10/427850 / FA RK 13-5271

Beschikking van 3 juli 2015 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[de vrouw] , vrouw,

wonende te [adres vrouw],

advocaat mr. K.A. Boshouwers te Utrecht,

t e g e n

[de man] , de man,

wonende te [adres man],

advocaat mr. P.C. van Houten te Dordrecht.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de (tussen-)beschikking van de rechtbank Rotterdam d.d. 14 januari 2014, welke is verbeterd bij beschikking van 18 februari 2014, met de daarin genoemde processtukken;

- de brief van de advocaat van de vrouw, ingekomen op 6 februari 2014;

- de brief van de advocaat van de man, ingekomen op 6 februari 2014;

- het faxbericht, met bijlage, van de advocaat van de vrouw, ingekomen op 7 februari 2014;

- het faxbericht, met bijlage, van de advocaat van de man, ingekomen op 10 februari 2014;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man, ingekomen op 11 februari 2014;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw, ingekomen op 11 februari 2014;

- de brief van de advocaat van de man, ingekomen op 25 februari 2014;

- de brief van de advocaat van de man, ingekomen op 6 maart 2014;

- de brief van de advocaat van de man, ingekomen op 19 augustus 2014;

- het formulier verdelen en verrekenen van de zijde van de man, ingekomen op 20 augustus 2014;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw, ingekomen op 21 augustus 2014;

- de brief van de advocaat van de man, ingekomen op 25 augustus 2014;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man, ingekomen op 27 augustus 2014;

- de brief, met bijlage, van de advocaat van de vrouw, ingekomen op 4 september 2014;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man, ingekomen op 8 september 2014;

- het faxbericht van de advocaat van de man, ingekomen op 9 september 2014.

- de brief van de advocaat van de man, ingekomen op 12 december 2014;

- het faxbericht van de advocaat van de vrouw, ingekomen op 15 december 2014;

- het faxbericht van de advocaat van de man, ingekomen op 15 december 2014;

- het faxbericht van de advocaat van de man, ingekomen op 16 december 2014;

- de brief van de advocaat van de man, ingekomen op 31 december 2014;

- het faxbericht van de advocaat van de vrouw, ingekomen op 19 maart 2015;

- de brief van de advocaat van de vrouw, met bijlagen, ingekomen op 19 maart 2015;

- twee faxberichten van de advocaat van de man, waarvan één met bijlagen, ingekomen op 20 maart 2015;

- het faxbericht van de advocaat van de man, met bijlagen, ingekomen op 24 maart 2015.

1.2.

De voortgezette behandelingen hebben plaatsgevonden ter zitting van 19 september 2014 en 30 maart 2015.

Bij die gelegenheden zijn verschenen:

  • -

    de vrouw met haar advocaat en

  • -

    de man met zijn advocaat.

1.3.

Ten behoeve van de eerste voorgezette behandeling zijn door de advocaat van de man op voorhand pleitnotities, tevens houdende een voorwaardelijk verzoek tot alimentatie, ingediend. Door de advocaat van de vrouw zijn de pleitnotities ter zitting overgelegd. Hoewel deze notities niet in het geheel zijn voorgedragen ter zitting, is – in overleg met en met uitdrukkelijke instemming van partijen – afgesproken dat de inhoud hiervan tot de processtukken behoort, daar de advocaat van de man daar nog schriftelijk op heeft gereageerd.

1.4.

Ten behoeve van de tweede voortgezette behandeling zijn door partijen ieder pleitnotities overgelegd, die zijn voorgedragen ter zitting.

1.5.

Naar aanleiding van de behandeling ter zitting op 30 maart 2015 is, op verzoek van de rechtbank, door de advocaat van de man een bankafschrift van de betaalrekening bij de ING bank met rekeningnummer [ING reknr.1] overgelegd. De advocaat van de vrouw heeft tijdens de betreffende behandeling reeds te kennen gegeven hierop niet te willen reageren.

2 De beoordeling

De redelijke vergoeding ter zake het voortgezet gebruik van de echtelijke woning

2.1.

Zoals in rechtsoverweging 4.3. van de (tussen-)beschikking is weergegeven hadden partijen overeenstemming over de gebruiksvergoeding voor het voorgezet gebruik van de echtelijke woning. Het verzoek van de vrouw is daarom bij gebrek aan belang in voormelde beschikking in het dictum onder 5.2. expliciet afgewezen.

Tussen partijen is thans de ingangsdatum van deze vergoeding in geschil en de vraag of de man terecht bepaalde bedragen met deze vergoeding heeft verrekend/verrekent. De vrouw heeft daarom verzocht alsnog op dit punt te beslissen.

De rechtbank is van oordeel dat nu op het verzoek ter zake de gebruiksvergoeding in onderhavige procedure reeds definitief is beslist, op dit geschilpunt niet nogmaals een beoordeling en een beslissing kan volgen. De rechtbank zal daarom niet ingaan op hetgeen partijen op dit punt nog naar voren hebben gebracht.

2.2.

Voor het geval het verzoek van de vrouw ter zake een gebruiksvergoeding zou worden toegewezen, heeft de man een alimentatievordering ingesteld. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.1 is overwogen, komt de rechtbank niet toe aan dit voorwaardelijke verzoek van de man.

De afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden

2.3.

Tussen partijen is in geschil op welke wijze de huwelijkse voorwaarden afgewikkeld dienen te worden. In de akte huwelijkse voorwaarden is bepaald dat tussen partijen geen vermogensrechtelijke gemeenschap bestaat en is een periodiek verrekenbeding opgenomen. Partijen hebben een woning in gemeenschappelijke eigendom, alsmede zijn een aantal vermogensbestanddelen en goederen gemeenschappelijk. In voormelde (tussen)beschikking is beslist dat er tussen partijen gedurende het huwelijk geen verrekening van overgespaarde inkomsten heeft plaatsgevonden, zodat artikel 1:141 lid 3 BW van toepassing is. Tussen partijen is niet in geschil dat de peildatum 9 november 2012 is.

Eenvoudige gemeenschap

2.4.

Partijen hebben de woning aan de [echtelijke woning] gezamenlijk in eigendom. De woning behoort dientengevolge tot de eenvoudige gemeenschap. Op deze woning rust geen hypothecaire lening meer. In beginsel dient de waarde van deze woning bij helfte gedeeld te worden tussen partijen. De man heeft te kennen gegeven de woning toegedeeld te willen krijgen. In dat geval zal hij in principe de helft van de waarde aan de vrouw dienen te voldoen.

2.5.

De vrouw heeft gesteld dat haar uit de overwaarde eerst een bedrag dient te worden toegekend betreffende een schenking van haar ouders.

De vrouw heeft in 1986 (tijdens het huwelijk van partijen) de woning aan de [eerdere woning] gekocht. Ter financiering zijn twee hypothecaire leningen verstrekt. De eerste ten bedrage van NLG. 80.000,-- en de tweede ten bedrage van NLG. 50.000,-- (€ 22.689,01). De laatstgenoemde hypothecaire lening ten bedrage van € 22.689,01 is verstrekt door de ouders van de vrouw. De vrouw stelt dat deze lening alleen aan haar is verstrekt en door haar ouders (in etappes) aan haar is kwijtgescholden. De vrouw stelt dat ter zake destijds een schuldbekentenis is opgesteld, waaruit blijkt dat de schuld alleen door haar is aangegaan, doch dat de kluis waarin deze schuldbekentenis was opgeborgen in 1996 is gestolen. De man erkent de diefstal van de kluis, doch betwist bij gebrek aan wetenschap het bestaan van de schuldbekentenis. Ter onderbouwing van haar stellingen heeft de vrouw een verklaring van haar broer en een verklaring van haar zus overgelegd (producties 31 en 32 bij brief van 20 augustus 2014), waarin beiden verklaren dat hun ouders aan ieder van hun drie kinderen een bedrag van fl. 50.000,- hebben geleend voor de aankoop van hun eerste huis, dat deze lening vervolgens werd kwijtgescholden door hierop elk jaar het bedrag van de maximale belastingvrije schenking in mindering te brengen en dat hun ouders expliciet hebben besproken dat deze schenkingen voor de eigen kinderen waren en niet voor de “koude kant”. Voorts heeft de vrouw ter onderbouwing van haar stelling de bewuste schuldbekentenis van haar zus overgelegd d.d. 1 februari 1985 (productie 7 bij verweerschrift op het zelfstandig verzoek), waaruit blijkt dat de zus alleen de schuld is aangegaan, terwijl zij op dat moment was gehuwd. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw hiermee haar stellingen voldoende heeft onderbouwd. Het is vervolgens aan de man om deze stellingen voldoende gemotiveerd te betwisten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft hij dit onvoldoende gedaan. De man heeft gewezen op het feit dat de hypotheekstelling behorende bij bedoelde schuld door zowel hem als de vrouw is aangegaan. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat de schuld ook door beiden is aangegaan. In de overgelegde hypotheekakte (productie 11 bij verzoekschrift) staat ook vermeld dat de hypotheek strekt tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen schuldeiser (de vader van de vrouw) van comparanten sub 1a en b (partijen) zowel van hen tezamen “als van ieder van hen afzonderlijk” te vorderen heeft of mocht hebben.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat bedoelde woning voor een bedrag van NLG. 50.000,-- (te weten 1/3e deel) alleen door de vrouw is gefinancierd. De woning is verkocht voor een bedrag van NLG. 265.000,--. Van dit bedrag kwam 1/3e deel, zijnde een bedrag van NLG. 88.333,33 ofwel € 40.083,90 aan de vrouw toe en behoorde derhalve tot haar privévermogen.

2.6.

De woning aan de [echtelijke woning] is gefinancierd met enerzijds de volledige verkoopopbrengst van de woning aan de [eerdere woning], waaronder het bedrag van € 40.083,90 als hiervoor genoemd, anderzijds zijn partijen een hypothecaire lening aangegaan. De koopsom bedroeg NLG. 500.000,-- (€ 226.890,--) kosten koper. Partijen zijn het erover eens dat de woning thans € 372.500,-- waard is.

Nu de vrouw uit haar privévermogen een investering heeft gedaan in een gemeenschappelijk goed, is er sprake van een vergoedingsrecht zijdens de vrouw. Het verzoek van de vrouw te bepalen dat haar investering nominaal dient te worden vergoed, wordt derhalve toegewezen.

2.7.

De hypothecaire lening die partijen zijn aangegaan ter zake de aanschaf van de woning aan de [echtelijke woning] was groot NLG. 263.500,-- (€ 119.571,--). Deze lening is tijdens het huwelijk volledig afgelost.

De vrouw stelt dat er van de op haar naam gestelde rekening bij de ING-bank met nummer [ING reknr.2] op 29 augustus 2005, 1 september 2005 en 2 september 2005 bedragen zijn overgemaakt naar de bankrekening op naam van de man met nummer [reknr.man] van in totaal € 43.738,81 met telkens als omschrijving “aflossing hypotheek”, waarna vanaf die bankrekening van de man op 8 september 2005 en 31 oktober 2005 een totaalbedrag van € 71.679,- is afgelost op de hypotheek. De man heeft deze stelling niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat de rechtbank deze overboekingen als vaststaand aanneemt.

De vrouw stelt dat de van haar rekeningen overgeboekte bedragen afkomstig waren van schenkingen die zij van haar ouders heeft ontvangen, welke schenkingen telkens op bedoelde ING-rekening werden gestort. Voormelde aflossingen op de hypotheek zijn derhalve tot een bedrag van € 43.738,81 uit haar privévermogen gedaan, aldus de vrouw. De rechtbank is van oordeel dat zij deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd. De man heeft onbetwist gesteld dat op bedoelde rekening ook het salaris van de vrouw werd gestort. Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dat de vrouw in 2005 een bedrag van € 4.300,- heeft ontvangen van haar ouders. De overige door de vrouw gestelde schenkingen dateren uit 2004 en eerder. Nu vaststaat dat op bedoelde bankrekening tevens het salaris van de vrouw werd overgemaakt (van circa € 30.000,- netto per jaar) kan, mede gezien het tijdsverloop tussen de schenkingen en de aflossingen, niet vastgesteld worden of voornoemde bedragen waarmee de hypotheek is afgelost, afkomstig waren van te verrekenen inkomen of van het privévermogen van de vrouw. Dit ligt anders ten aanzien van het bedrag van € 9.450,-- dat op 20 maart 2008 van de ING-rekening van de vrouw is overgemaakt naar de bankrekening van de man met nummer [reknr.man] met als vermelding “aflossing hypotheek” (productie 48 bij brief van 20 augustus 2014 van de zijde van de vrouw). De man heeft de stelling van de vrouw dat hiermee vervolgens de resterende hypotheekschuld van € 9.421,- volledig werd afgelost niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist. De vrouw had vlak voor deze overboeking op 28 februari 2008 een schenking van haar ouders ontvangen van € 100.000,- (partijen noemen de datum 28 maart 2008, doch uit productie 49 bij voormelde brief van 20 augustus 2014 blijkt genoemde datum van 28 februari 2008). De rechtbank is van oordeel dat door de korte periode tussen beide overboekingen de relatie tussen de schenking en de aflossing van de hypotheek voldoende is komen vast te staan. Hiermee staat vast dat de aflossing van € 9.421,- gedaan is uit het privévermogen van de vrouw, zodat zij dit bedrag nominaal terug dient te ontvangen na overdracht van de woning.

2.8.

Partijen stellen dat er diverse verbouwingen aan de woning hebben plaatsgevonden.

Hoewel door de man is betwist dat de verbouwingen uit schenkingen/erfenissen zijn betaald, is door hem erkend dat de keuken is betaald door middel van een schenking. De keuken is in 2008 aangeschaft voor een bedrag van € 25.942,32, hetgeen door de man niet is betwist. De stelling van de man inhoudende dat de keuken geen investering in de woning betreft, wordt gepasseerd. Het plaatsen van een nieuwe keuken behoort in elk geval niet tot het (reguliere) onderhoud van een woning. Deze kosten kunnen derhalve niet tot de kosten van de huishouding worden gerekend, hetgeen met kosten van (regulier) onderhoud anders kan zijn. De vrouw heeft vanuit privévermogen geïnvesteerd in de woning. Het bedrag van

€ 25.942,32,-- dient zij nominaal terug te ontvangen.

De vrouw stelt dat ook de overige verbouwingen aan de woning uit schenkingen en erfenissen zijn betaald. Het gaat, zo blijkt uit het verweerschrift op zelfstandig verzoek, om een nieuwe badkamer op de begane grond, een nieuwe badkamer op de eerste verdieping, een dakkapel in de stijl van het huis op maat gemaakt, een nieuwe vloer en het plafond op de begane grond en de aanleg van groendaken op de bijgebouwen. De man heeft in de akte d.d. 8 november 2013 erkend dat deze verbouwingen uit schenkingen zijn voldaan. Hij stelt dat de vrouw dienaangaande een bedrag van € 17.465,83 aan aannemer [naam aannemer] heeft betaald. Later in de procedure stelt de man dat de verbouwingen geen investering in de woning betroffen, doch zagen op het onderhoud van de woning. Gelet op de specificatie van de verbouwingen door de vrouw en de eerdere erkenning hiervan door de man, had het op de weg van de man gelegen zijn betwisting nader te motiveren, hetgeen hij niet heeft gedaan. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat de verbouwingen ad € 17.465,83 door de vrouw uit schenkingen zijn betaald en dat deze verbouwingen een investering in de woning betroffen. De vrouw heeft derhalve recht op vergoeding van het nominaal door haar geïnvesteerde bedrag.

2.9.

Aangezien de woning partijen gezamenlijk toebehoort, zal deze verdeeld dienen te worden. De man wenst de woning aan de [echtelijke woning] toegedeeld te krijgen. De vrouw heeft hiertegen geen bezwaren geuit. De woning zal gelet op de wens van de man aan hem worden toegedeeld onder de voorwaarde dat hij een bedrag ad € 92.913,06 (te weten € 40.083,91 + € 9.421,-- + € 25.942,32 + € 17.465,83) aan de vrouw vergoedt en tevens de helft van de resterende waarde ( € 372.500,-- - € 92.913,06) / 2 = € 139.793,47 aan de vrouw betaalt binnen 3 maanden na de datum van de onderhavige beschikking. Indien de man de toedeling van de woning aan hem niet kan financieren en dus niet aan de voorwaarde voldoet, dient de woning alsnog verkocht te worden. Nu de vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man aan verkoop van de woning tegen ieder aannemelijk bod zijn medewerking dient te verlenen en de man hiertegen geen verweer heeft gevoerd anders dan de wens te hebben geuit de woning toegedeeld te krijgen, zal het verzoek worden toegewezen. De eveneens verzochte dwangsom zal worden bepaald op € 500,-- per dag of gedeelte daarvan dat de man niet zijn medewerking verleent, met een maximum van 25.000,--.

Uit de verkoopopbrengst dient eerst een bedrag van € 92.913,06 aan de vrouw te worden voldaan, het restant dient tussen partijen bij helfte te worden verdeeld.

2.10.

Tot de eenvoudige gemeenschap behoren volgens partijen de saldi op de volgende rekeningen (de belettering verwijst naar de (tussen-)beschikking):

b. de rekening bij de Economy Bank met rekeningnummer [reknr.XXXXXXX];

d./e. Aegon eigen stijl basis /spaarpot met nummer [reknr.XXXXXXX];

g. de renteplusrekening bij Centraal Beheer met rekeningnummer [reknr.XXXXXXX];

h. de rekening bij NIBC met rekeningnummer [reknr.XXXXXXX];

i. de rekening bij SNS Funcoach;

l. de rekening bij Binck;

m. het spaardeposito bij NIBC met nummer [reknr.XXXXXXX];

n. het spaardeposito bij NIBC met nummer [reknr.XXXXXXX];

o. het spaardeposito bij NIBC met nummer [reknr.XXXXXXX];

p. het spaardeposito bij NIBC met nummer [reknr.XXXXXXX];

q. het spaardeposito bij NIBC met nummer [reknr.XXXXXXX];

r. Spaardeposito TEB met nummer [reknr.XXXXXXX];

s. Spaardeposito TEB met nummer [reknr.XXXXXXX];

t. Spaardeposito TEB met nummer [reknr.XXXXXXX].

Tussen partijen is in confesso dat zij de saldi van deze rekeningen bij helfte delen per de datum van opheffing van de betreffende rekening. Partijen hebben ter zitting afgesproken dat de man zorgdraagt voor het opheffen van de rekeningen. Hij zal dan ook een bewijsstuk van de saldi per de datum van opheffing van iedere rekening aan de vrouw tonen.

2.11.

De stelling van de vrouw inhoudende dat het mogelijk is dat gelden van door haar ontvangen erfenissen en schenkingen op de gezamenlijke rekening staan en derhalve niet tot het gezamenlijke vermogen van partijen behoren en dat derhalve bedragen aan haar in privé toekomen en niet tot de verdeling behoren, wordt gepasseerd. Juist is dat dat de tenaamstelling van bankrekeningen de gerechtigdheid tot het beschikken over een bepaald saldo weergeeft, maar niets zegt over de interne gerechtigheid van ieder van partijen tot het saldo. De overboeking van de schenking naar een rekening van partijen tezamen of een rekening van de man verandert het karakter van de schenking niet. De vrouw heeft echter niet aangetoond welke saldi van de bovengenoemde gezamenlijke rekeningen/ spaarproducten haar in privé toebehoren. Van haar had verwacht mogen worden dat zij per rekening/spaarproduct telkens concreet had aangegeven met welk bedrag zij dit heeft gevoed uit privévermogen, wanneer dit is gebeurd, waaruit dit is af te leiden en welke financiële consequenties hieruit getrokken moeten worden. Dit heeft zij niet gedaan, zodat de rechtbank aan haar stelling voorbij gaat.

2.12.

De personenauto Renault met kenteken [kenteken auto] is, zo hebben partijen ieder verklaard, verkocht en de verkoopopbrengst is reeds bij helfte gedeeld zodat deze niet meer in de verrekening betrokken behoeft te worden

Het overige vermogen

2.13.

Tussen partijen is niet in geschil dat de saldi op de rekeningen op naam van de vrouw tot het vermogen van de vrouw behoren en dat de saldi op de rekeningen op naam van de man tot het vermogen van de man behoren, althans dit is bij partijen het laatste uitgangspunt geweest.

Uit de processtukken en het verhandelde op de zittingen zijn de volgende saldi en tenaamstellingen gebleken. Partijen zijn overeengekomen dat zij bij de saldi van de Leaseplanbank niet de rentebedragen meenemen voor het vaststellen van het te verrekenen saldo. Daarnaast hebben zij met betrekking tot de lijfrentes afgesproken een belastinglatentie van 40% te hanteren. Het saldo van de comfortspaarrekening van de man

( R) is in onderling overleg ter zitting op € 7.600,-- bepaald. Het saldo van de betaalrekening (Q) is gebleken uit het nagestuurde rekeningafschrift.

Het vermogen dat op naam van de man staat:

j. de rekening bij Mon@you met nummer [reknr.XXXXXXX] € 42.852,82

k. de rekening bij Leaseplanbank met nummer [reknr.XXXXXXX] € 250,--

u. de rekening bij Leaseplanbank met nummer [reknr.XXXXXXX] € 2.767,--

v. de rekening bij Leaseplanbank met nummer [reknr.XXXXXXX] € 5.782,--

w. de rekening bij Leaseplanbank met nummer [reknr.XXXXXXX] € 4.628,--

x. de rekening bij Leaseplanbank met nummer [reknr.XXXXXXX] € 13.500,--

y. de rekening bij Leaseplanbank met nummer [reknr.XXXXXXX] € 7.000,--

z. de rekening bij Leaseplanbank met nummer [reknr.XXXXXXX] € 23.000,--

J. de lijfrentepolis bij Centraal Beheer met nummer [reknr.XXXXXXX]-003 € 7.307,65

M. de ABN Pensioen Beleggingspolis met nummer [reknr.XXXXXXX] € 5.756,35

Q. de ING betaalrekening met nummer [reknr.XXXXXXX] € 376,13

R. de ING comfortspaarrekening met nummer [reknr.XXXXXXX] € 7.600,--

Totaal €120.819,95

Het vermogen dat op naam van de vrouw staat:

c. de rekening bij Mon@you met nummer [reknr.XXXXXXX] € 46.403,20

f. de rekening bij Leaseplanbank met nummer [reknr.XXXXXXX] € 6,88

A. de rekening bij Leaseplanbank met nummer [reknr.XXXXXXX] € 4.527,--

B. de rekening bij Leaseplanbank met nummer [reknr.XXXXXXX] € 5.000,--

C. de rekening bij Leaseplanbank met nummer [reknr.XXXXXXX] € 15.000,--

D. de rekening bij Leaseplanbank met nummer [reknr.XXXXXXX] € 16.000,--

E. de rekening bij Leaseplanbank met nummer [reknr.XXXXXXX] € 10.000,--

F. de rekening bij Leaseplanbank met nummer [reknr.XXXXXXX] € 10.000,--

G. de rekening bij Leaseplanbank met nummer [reknr.XXXXXXX] € 3.511,--

H. de rekening bij Leaseplanbank met nummer [reknr.XXXXXXX] € 9.500,--

L. de lijfrentepolis bij Centraal Beheer met nummer [reknr.XXXXXXX] € 9.322,21

O. de Internetspaarrekening bij Lloyds met nummer [reknr.XXXXXXX] € 5.635,--

P. de rekening met rekeningnummer [reknr.XXXXXXX] € 1.741,56

Totaal €136.646,85

2.14.

Partijen zijn het er over eens dat de lijfrentes bij Centraal Beheer met nummer [reknr.XXXXXXX] (I) en Ohra met nummer [reknr.XXXXXXX] (K) bestemd zijn voor hun zoon [naam zoon] en dat deze lijfrentes daarom buiten de verrekening dienen te blijven.

2.15.

Op grond van artikel 1:141 lid 3 BW vindt het bewijsvermoeden dat het vermogen is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden (overgespaard inkomen en de belegging daaruit) toepassing, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en de omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. De rechtbank is van oordeel dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat ten aanzien van het privévermogen van de vrouw het bewijsvermoeden geen toepassing vindt en overweegt hiertoe als volgt.

De vrouw stelt dat zij gedurende het huwelijk van partijen in ieder geval een bedrag van € 282.802,28 aan schenkingen heeft verkregen van haar ouders. De man erkent dat de vrouw in de periode 2005-2012 in ieder geval een bedrag aan schenkingen heeft ontvangen van € 175.405,20. Ten aanzien van de door de vrouw gestelde schenkingen in de daarvoor gelegen periode is door de vrouw een kopie van het kasboek van haar ouders overgelegd. Hieruit blijken de betalingen van verschillende bedragen. Hoewel de man opmerkt dat niet bij elk bedrag staat vermeld dat het een schenking betreft en hij stelt dat hij niet ieder rekeningnummer herkent, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw door de rekeningnummers te benoemen en enkele afschriften te overleggen ten aanzien van de schenkingen ten bedrage van € 37.546,87 in 2001, € 3.999,-- in 2002, € 4.143,-- in 2003, € 32.000,-- in 2003 en de rente over het kindsdeel ad € 9.019,95 in 2004 haar standpunt voldoende heeft onderbouwd. Deze bedragen zijn in het privévermogen van de vrouw gestroomd. Daarmee is vast komen te staan dat de vrouw gedurende het huwelijk van partijen een behoorlijk bedrag aan schenkingen/erfenissen heeft ontvangen. Het totale bedrag dat de vrouw aan schenkingen heeft ontvangen is, gelet op het voorgaande, meer dan het door de man erkende bedrag van € 175.405,20.

Door de man is tijdens de eerste voortgezette mondelinge behandeling op ondubbelzinnige wijze erkend dat er nog gelden van die schenkingen/erfenissen aanwezig moeten zijn op de rekeningen of in de lijfrentepolissen, doch hij stelt dat het aan de vrouw is om te bewijzen op welke rekening het staat of ten behoeve van welke polis de schenkingen zijn aangewend. De vrouw stelt hiertoe niet in staat te zijn, doordat de man tijdens het gehele huwelijk met geld heeft geschoven. Door de man is erkend dat hij de financiën beheerde en dat hij er telkens naar streefde drie gelijke “potten” te creëren, namelijk een pot voor de vrouw, een pot voor de man en een pot voor partijen tezamen. Bij het creëren van die “potten” werden de verschillende vermogens heen en weer geschoven. Het doel hiervan was drieledig, zo blijkt uit de stellingen van de man, namelijk een zo hoog mogelijk rendement behalen, hoge successierechten voorkomen en tot slot risicospreiding.

Weliswaar is vast komen te staan dat partijen uit het inkomen ook konden sparen, doch het vermogen dat partijen hierdoor hebben gevormd is ook (in ieder geval deels) weer uitgegeven. In ieder geval dient te worden aangenomen dat de aflossingen op de hypotheekschuld van € 119.571,--, welke partijen hadden afgesloten ten behoeve van de aankoop van de woning aan de [echtelijke woning], met uitzondering van het bedrag van € 9.421,--, zijn betaald uit die overgespaarde inkomsten daar de man uitdrukkelijk heeft betwist dat deze betalingen zijn gedaan uit schenkingen en ook niet is vast komen te staan dat de schenkingen hiervoor zijn aangewend.

Het voorgaande overziend is er voldoende aanleiding om aan te nemen dat het totale vermogen dat partijen gezamenlijk op de peildatum hadden voor een aanzienlijk deel afkomstig is uit schenkingen van de ouders aan de vrouw en dus afkomstig van het privévermogen van de vrouw. Het feit dat de vrouw niet kan aantonen welk deel precies afkomstig is uit schenkingen vindt zijn oorzaak in de wijze waarop de man tijdens het huwelijk de financiën van partijen heeft beheerd. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat voor wat betreft het privévermogen van de vrouw de eisen van redelijkheid en billijkheid zich verzetten tegen toepassing van het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW. Het ligt dus op de weg van de man om voldoende onderbouwd te stellen en bij betwisting te bewijzen dat het privévermogen van de vrouw afkomstig is uit hetgeen verrekend had moeten worden. De man heeft niet aan deze stelplicht voldaan en evenmin op dit punt een bewijsaanbod gedaan.

Uit het voorgaande volgt dat het vermogen op naam van de vrouw zoals omschreven in rechtsoverweging 2.13. ad € 136.646,85 niet verrekend behoeft te worden.

2.16.

Tussen partijen staat vast dat het vermogen van de man ad. € 120.819,95 tot het te verrekenen vermogen behoort. De man dient dientengevolge de helft van dit bedrag, zijnde een bedrag van € 60.409,98, aan de vrouw te voldoen in het kader van de verrekening van de overgespaarde inkomsten. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

Inboedel

2.17.

De inboedel wordt volgens de akte huwelijkse voorwaarden geacht aan ieder van partijen voor de helft in eigendom toe te behoren indien geen van partijen kan aantonen aan wie een goed toebehoort. Partijen zijn niet in staat gebleken om over de inboedel volledige overeenstemming te verkrijgen en om voorts in onderling overleg tot een verdeling van de inboedelgoederen te komen die worden geacht aan beide partijen toe te komen. De rechtbank zal derhalve de wijze van verdeling gelasten ten aanzien van de goederen die aan beide partijen toekomen of worden geacht aan beide partijen toe te komen. Voor de verdeling van de inboedel wordt voor wat betreft de omvang aangesloten bij de lijst zoals overgelegd door de vrouw als productie 52 bij brief van 20 augustus 2014. Ieder van partijen houdt die inboedelgoederen die hij/zij thans onder zich heeft. De inboedelgoederen dienen te worden getaxeerd, met uitzondering van die goederen waarvan tussen partijen vaststaat dat zij aan één van hen toebehoren, dus waarover zij overeenstemming hebben dat deze tot een erfenis dan wel schenking dan wel anderszins tot het privévermogen behoren. De taxatie dient plaats te vinden door een erkend Register Taxateur, van wie partijen de kosten bij helfte moeten delen. Degene die ter zake de inboedelgoederen is overbedeeld, dient de helft aan de ander te vergoeden.

Proceskosten

2.18.

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

gelast de wijze van verdeling van de woning aan de [echtelijke woning] in die zin dat de woning aan de man wordt toegedeeld onder voorwaarde dat hij binnen drie maanden na het wijzen van deze beschikking aan de vrouw vergoedt het bedrag van € 92.913,06, alsmede aan de vrouw betaalt de helft van de resterende overwaarde ten bedrage van € 139.793,47, te weten in totaal € 232.706,53 (zegge: tweehonderd tweeëndertigduizend zevenhonderd zes euro en drieënvijftig cent);

3.2.

bepaalt dat indien de man niet aan de in 3.1. genoemde voorwaarde voldoet de woning verkocht dient te worden, en de man zijn medewerking dient te verlenen aan de verkoop van de woning aan de [echtelijke woning] op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag of gedeelte daarvan dat hij niet zijn medewerking verleent, met een maximum van € 25.000,--;

3.3.

bepaalt dat in het geval de woning wordt verkocht het restant van de verkoopopbrengst, na betaling van het onder 3.1. vermelde bedrag van € 92.913,06 aan de vrouw, tussen partijen bij helfte wordt gedeeld;

3.4.

gelast de wijze van verdeling van het gezamenlijke vermogen van partijen zoals weergegeven onder rechtsoverweging 2.10;

3.5.

veroordeelt de man op grond van het in de akte huwelijkse voorwaarden opgenomen verrekenbeding tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 60.409,98 (zegge: zestigduizendvierhonderdnegen euro en achtennegentig cent);

3.6.

gelast de wijze van verdeling van de gezamenlijke inboedelgoederen zoals weergegeven onder rechtsoverweging 2.17;

3.7.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

3.8.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.9.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Fiege, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.A.C. Smulders op 3 juli 2015.

Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door partijen hoger beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof Den Haag. Een in eerste aanleg niet verschenen partij kan hoger beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze uitspraak aan hem/haar in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend gemaakt.