Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:50

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-01-2015
Datum publicatie
12-01-2015
Zaaknummer
C/10/454013 / HA ZA 14-671
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burenrecht, erfgrens, geen verjaring, medewerking aan oprichting van een bepaalde scheidsmuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/454013 / HA ZA 14-671

Vonnis van 7 januari 2015

in de zaak van

1 [eiser1],

2. [eiseres2],

beiden wonende te Poortugaal,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. R. Teerink,

tegen

1 [gedaagde1],

2. [gedaagde2],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. T.P.A.M. Reynaers.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 27 augustus 2014 en de daarin vermelde processtukken;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie met producties;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie ter plaatse van 13 november 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] en [gedaagden] zijn buren. [eisers] zijn eigenaar van het perceel gelegen aan de [adres] [gedaagden] zijn eigenaar van het perceel gelegen aan de [adres2].

2.2.

De percelen van [eisers] en [gedaagden] grenzen aan elkaar. De ligging van de erfgrens is door het kadaster bepaald en/of aangewezen op 20 oktober 1993 en op 7 februari 2014. Deze kadastrale erfgrens bevindt zich volgens de meest recente meting op een afstand van 29 cm evenwijdig aan de garagemuur van [gedaagden] en in een rechte lijn van de voorzijde tot aan de achterzijde van de percelen.

3. Het geschil

in conventie

3.1.

[eisers] vorderen om, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat de grens tussen de percelen van [eisers] en [gedaagden] is gelegen alwaar de landmeter van het Kadaster op 7 februari 2014 de grens heeft aangewezen en zoals blijkt uit de als productie 10 bij dagvaarding gevoegde veldwerktekening van 7 februari 2014;

II. [gedaagden] te veroordelen tot ontruiming van het erf van [eisers] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag(deel) en indien [gedaagden] binnen vier weken na betekening van dit vonnis in gebreke blijven, [eisers] te machtigen om op kosten van [gedaagden] (te voldoen binnen acht dagen) de ontruiming te laten plaatsvinden met sterke arm van justitie;

III. [gedaagden] te veroordelen tot verlenen van medewerking aan de plaatsing van een (ondoorzichtige) scheidsmuur (van twee meter hoog), binnen acht weken na dit vonnis, op de erfgrens, conform de offerte van A&B Prefab Beton- & Houtbouw, althans een door de rechtbank te bepalen scheidsmuur, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag(deel) en [eisers] te machtigen om op kosten van [gedaagden] (te voldoen binnen acht dagen) de scheidsmuur op te richten en de grond bouwrijp te maken, desnoods met sterke arm van justitie, indien niet binnen twaalf weken na betekening van dit vonnis hieraan is voldaan;

IV. [gedaagden] te veroordelen in de kosten van de procedure en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente over die kosten.

3.2.

[eisers] leggen aan hun vorderingen het volgende ten grondslag. De erfgrens staat vast sinds de kadastrale meting en de inschrijving daarvan in de openbare registers in 1993. Bij de reconstructiemeting op 7 februari 2014 is de erfgrens door de deskundige van het Kadaster bepaald op 29 cm afstand van, en evenwijdig aan, de garagemuur van [gedaagden] maken onrechtmatig gebruik van de grond van [eisers], omdat zij op die grond een draadwerken scherm, een houten poortje en bouwmaterialen hebben geplaatst. [eisers] hebben er belang bij dat de kadastrale erfgrens, en daarmee hun eigendom van de grond, in rechte wordt vastgesteld. Voorts dienen [gedaagden] de strook grond van [eisers] te ontruimen en op grond van artikel 5:49 BW mee te werken aan de oprichting van een gemeenschappelijke scheidsmuur.

3.3.

[gedaagden] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [eisers] in de proceskosten.

[gedaagden] maken aanspraak op een strook grond die ligt op het kadastrale perceel van [eisers] Die strook ligt tussen de kadastrale erfgrens en de plek waar in de visie van [gedaagden] vanaf de bouw van hun woning de feitelijke erfafscheiding heeft gestaan. [gedaagden] beroepen zich erop door verkrijgende, subsidiair bevrijdende verjaring eigenaar te zijn geworden van die strook grond. In de visie van [gedaagden] heeft de erfafscheiding altijd gestaan op omstreeks 35 cm afstand van, en evenwijdig aan, zijn garagemuur, volledig op het perceel van [eisers], terwijl de kadastrale erfgrens lag op omstreeks 29 cm van, en evenwijdig aan, die garagemuur.

in reconventie

3.4.

[gedaagden] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal verklaren voor recht dat de strook gelegen tussen de garagemuur van [gedaagden] en de paaltjes met groen gaas door verjaring hun eigendom is geworden.

3.5.

Al hetgeen [gedaagden] in conventie ten verwere hebben aangevoerd, leggen [gedaagden] mede ten grondslag aan hun vordering in reconventie.

3.6.

[eisers] betwisten het door [gedaagden] gestelde en concluderen tot afwijzing van de vordering met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [gedaagden] in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente over die kosten.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Hoewel [gedaagden] de op 7 februari 2014 nagemeten kadastrale erfgrens hebben erkend, stellen [gedaagden] dat de kadastrale erfgrens niet gelijk is aan de feitelijke grens die wordt gevormd door de aanwezige paaltjes met groen gaas die zij jarenlang als erfafscheiding hebben beschouwd. Dat het groene gaas de feitelijke grens aangeeft is door [eisers] betwist.

4.2.

Ter beoordeling van het verjaringsverweer wordt het volgende overwogen.

In het geval van verkrijgende verjaring, worden rechten op (onder meer) onroerende zaken verkregen door een bezitter te goeder trouw door een onafgebroken bezit van tien jaren (artikel 3:99 BW). Hiervoor is vereist dat de bezitter bij de inbezitneming van de zaak te goeder trouw was (artikel 3:102 lid 2 BW). Een bezitter is te goeder trouw, wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijs als zodanig mocht beschouwen (artikel 3:118 lid 1 BW). In het geval van bevrijdende verjaring worden rechten op goederen verkregen door een bezitter op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, ook al was de bezitter niet te goeder trouw (artikel 3:105 BW). Een dergelijke rechtsvordering verjaart door verloop van twintig jaren (artikel 3:306 BW).

4.2.1.

Voor een geslaagd beroep op zowel verkrijgende als bevrijdende verjaring is in ieder geval vereist dat [gedaagden] gedurende tien jaar, respectievelijk twintig jaar het bezit van de strook van [eisers] hebben ontnomen. Dit heeft als gevolg dat [eisers] niet meer de beëindiging van het (onrechtmatige) bezit van deze strook kunnen vorderen en dat [gedaagden] daarvan eigenaar zijn geworden.

4.2.2.

[eisers] hebben gesteld dat met hun brief van 30 juli 2013 de verjaringstermijn is gestuit. Nu [gedaagden] hiertegen slechts hebben aangevoerd dat op het moment van ontvangst van die brief de verjaringstermijn reeds was voltooid, kan in rechte worden vastgesteld dat de brief in beginsel stuitende werking had. In dat geval, zou de termijn door een bezitshandeling van [gedaagden] uiterlijk moeten zijn aangevangen op 29 juli 2003, dan wel op 29 juli 1993.

4.2.3.

Onder onrechtmatig bezit moet worden verstaan een continue inbreuk op het eigendomsrecht van [eisers] Incidentele breuken zijn niet voldoende, ook niet als deze herhaaldelijk plaatsvinden. De vraag of sprake is van bezit moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van artikel 3:107 BW. Bezit is het houden van een goed voor zichzelf, dat wil zeggen dat de feitelijke macht over het goed wordt uitgeoefend met de pretentie rechthebbende te zijn. Er moet sprake zijn van ondubbelzinnig bezit.

4.2.4.

Uitgezonderd het plaatsen van het houten poortje in 2007 en van het draadwerken scherm in 2011, kunnen de door [gedaagden] gestelde handelingen niet als continue inbreuk op het eigendomsrecht van [eisers] worden gekwalificeerd, omdat dit geen daden zijn waaruit het bezit van de grond blijkt. [gedaagden] stellen dat zij in 1992 leiding en drainage hebben aangelegd ter hoogte van de piketpaaltjes. Dit is niet als bezitshandeling aan te merken. Hoogstens zou hieruit kunnen volgen dat er een erfdienstbaarheid is ontstaan ten laste van [eisers] voor zover de leiding door hun grond loopt. De door [gedaagden] gestelde opslag van bouwmaterialen aan de achterzijde van het erf rechtvaardigt op zichzelf niet de conclusie dat sprake is van inbezitneming die ondubbelzinnig op de pretentie van eigendom wijst. Dit geldt evenmin voor het egaliseren van grond en het onderhoud daarvan. Omdat de verjaringstermijn door inbezitneming eerst is aangevangen door het plaatsen van het houten poortje in 2007 en die termijn is gestuit door de brief van 30 juli 2013, is er geen sprake van een voltooide tien-, dan wel twintigjaarstermijn. Het beroep op verjaring slaagt daarom niet.

4.2.5.

Ten overvloede wordt overwogen dat [gedaagden], anders dan zij stellen, niet te goeder trouw waren in de zin van de wet (artikel 3:118 BW). Daarbij zijn de volgende omstandigheden in aanmerking genomen. Bij de levering van de percelen van [gedaagden] en [eisers] in 1992 is bij notariële akte uitdrukkelijk bepaald dat de nog op te meten kadastrale grens de erfgrens van de percelen is, zodat [gedaagden] de paaltjes met groen gaas niet als erfgrens markeringen hadden kunnen beschouwen. De enkele aanwezigheid van die paaltjes brengt niet met zich mee dat daar de erfgrens loopt; deze erfgrens is immers op 20 oktober 1993 door het Kadaster vastgesteld. [gedaagden] waren met die grens bekend, omdat zij daarmee in overeenstemming hebben gebouwd; zij hebben hun garage gebouwd conform de bouwvoorschriften en de gemeentelijke afspraken dat de erfgrens loodrecht onder de uiterste rand van de dakgoot van de garage zou komen te liggen. Voorts is als onweersproken komen vast te staan dat [eisers] de paaltjes met groen gaas bewust op afstand van de erfgrens hebben geplaatst om wildgroei van beplanting tegen te houden. Daaruit volgt niet dat dit groene gaas bedoeld was als erfafscheiding, dan wel als zodanig was aan te merken. Het vermoeden van de goede trouw (vgl. artikel 3:118 lid 3 BW) is daarmee weerlegd.

4.3.

Nu de erfgrens bij de reconstructiemeting op 7 februari 2014 opnieuw door het Kadaster is aangewezen, kan in rechte worden vastgesteld dat de strook gelegen op 29 cm afstand van en evenwijdig aan de garagemuur van [gedaagden] eigendom is van [eisers] Dat de meting van 7 februari 2014 met 2 cm afwijkt van die uit 1993 doet daar niet aan af, omdat in het licht van de gemotiveerde stelling van [eisers], [gedaagden] onvoldoende hebben betwist dat thans nauwkeuriger metingen kunnen worden verricht dan twintig jaar geleden. De door [eisers] gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen met dien verstande dat zal worden verwezen naar de op 7 februari 2014 verrichte meting van het Kadaster.

4.4.

Het eigendom van [eisers] van de strook betekent dat [eisers] over hun grond moeten kunnen beschikken op een wijze zoals hen goeddunkt met inachtneming van goed nabuurschap. [gedaagden] zullen daarom worden veroordeeld tot verwijdering van alle door hen op de grond van [eisers] geplaatste zaken. Daarnaast zijn [gedaagden] ingevolge artikel 5:49 BW verplicht mee te werken aan de oprichting van een scheidsmuur van twee meter hoog op de kadastrale erfgrens, nu gesteld noch gebleken is dat er een plaatselijke gewoonte of verordening is die de wijze of de hoogte van de afscheiding anders regelt. Op grond van voornoemde wettelijke bepaling dienen [gedaagden] voor de helft in de kosten van de scheidsmuur en de oprichting daarvan bij te dragen. Voor plaatsing van de scheidsmuur geheel op kosten van [gedaagden] is geen deugdelijke juridische grondslag gesteld.

4.5.

De vorderingen tot ontruiming en tot medewerking aan de plaatsing van een scheidsmuur liggen voor toewijzing gereed, met dien verstande dat de dwangsommen zullen worden opgelegd tot een bedrag als hierna bepaald.

Ten aanzien van de gevorderde ontruiming zal echter niet eerder een dwangsom worden verbeurd dan vanaf twee weken na betekening van dit vonnis, teneinde [gedaagden] in de gelegenheid te stellen om de zich thans nog op het perceel van [eisers] bevindende zaken te verwijderen. De dwangsom ten behoeve van de plaatsing van een scheidsmuur zal worden verbeurd vanaf twee maanden na betekening van dit vonnis, rekening houdende met een mogelijk langere duur van (de start van) de oprichting van de muur. Naast deze dwangsommen bestaat geen aanleiding voor toewijzing van de gevorderde machtigingen om de ontruiming en plaatsing van de scheidsmuur zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van politie en justitie.

4.6.

Voorts is tussen partijen in geschil uit welk materiaal de scheidsmuur dient te bestaan en welke constructie deze dient te hebben. [eisers] hebben drie offertes voor scheidsmuren overgelegd. [gedaagden] hebben enkel de materiaal- en constructiekeuze en de prijs van de betonschutting van A&B Prefab Beton- & Houtbouw betwist en de hoogte van de offerte van Mosterd Sierwerk. [gedaagden] hebben geen steekhoudende argumenten aangedragen tegen de plaatsing van een ondoorzichtige dubbel staafmatten erfafscheiding zoals geoffreerd door Meeuwsen hoveniersbedrijf. Na afweging van de belangen van beide partijen, wordt geoordeeld dat op de kadastrale erfgrens zoals onder 4.3. is vastgesteld een scheidsmuur van twee meter hoog dient te worden opgericht conform de offerte van Meeuwsen hoveniersbedrijf van 22 oktober 2014 (zie productie 21 bij conclusie van antwoord in reconventie).

4.7.

[gedaagden] zullen als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De gevorderde wettelijke rente daarover en de nakosten, zijn niet weersproken, zodat deze worden toegewezen. De proceskosten aan de zijde van [eisers] worden tot heden begroot op:

- explootkosten € 104,80

- griffierecht € 282,00

- salaris advocaat € 678,00 (1,5 punt × tarief II € 452,00)

Totaal € 1.064,80

in reconventie

4.8.

De door [gedaagden] gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen, nu het beroep op verkrijgende en bevrijdende verjaring niet slaagt.

4.9.

[gedaagden] zullen als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten in deze procedure aan de zijde van [eisers] worden tot heden begroot op € 678,00 (1,5 punt × tarief II € 452,00) aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat als erfgrens tussen de percelen aan de [adres] en aan de [adres2] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente Poortugaal, respectievelijk [adres] en [adres2], overeenkomt met de kadastrale grens zoals is neergelegd in het op 7 februari 2014 door de deskundige van het Kadaster opgemaakte relaas van bevindingen en de daarbij behorende veldwerktekening;

5.2.

veroordeelt [gedaagden] om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis:

  • -

    alle door hen op en boven de grond van [eisers] nog aanwezige zaken te verwijderen en verwijderd te houden;

  • -

    mee te werken aan de oprichting van een scheidsmuur van twee meter hoog op de erfgrens, bestaande uit een ondoorzichtige dubbel staafmatten erfafscheiding conform de offerte van Meeuwsen hoveniersbedrijf van 22 oktober 2014;

  • -

    de helft van de kosten van die scheidsmuur, alsmede de oprichting daarvan te voldoen;

  • -

    en degene(n) die de scheidsmuur zal (zullen) plaatsen, toegang te verlenen tot hun perceel teneinde de daartoe benodigde werkzaamheden te verrichten;

5.3.

bepaalt dat [gedaagden] een dwangsom verbeuren van € 100,00,

  • -

    vanaf twee weken na betekening van dit vonnis, voor iedere dag dat zij niet voldoen aan de onder 5.2. vermelde ontruiming;

  • -

    vanaf twee maanden na betekening van dit vonnis, voor iedere dag dat zij niet voldoen aan de onder 5.2. vermelde medewerking aan de oprichting van een scheidsmuur;

tot een maximum van € 10.000,00 in totaal;

5.4.

veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van Ruseler c.s tot op heden begroot op € 1.064,80, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten, te rekenen vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis, tot de dag van de algehele voldoening;

5.5.

verklaart het vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

5.7.

wijst de vordering af;

5.8.

veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 678,00, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten, te rekenen vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis, tot de dag van de algehele voldoening;

5.9.

verklaart het vonnis in reconventie voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

in conventie en in reconventie

5.10.

veroordeelt [gedaagden] in de na dit vonnis ontstane kosten, aan de zijde van [eisers] begroot op € 205,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagden] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van

€ 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van voldoening.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.L.M. Hofman - de l’Isle en in het openbaar uitgesproken

op 7 januari 2015.1

1 2322/1729