Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:4894

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-07-2015
Datum publicatie
09-07-2015
Zaaknummer
10/997515-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Onmiddellijk ingrijpen als bedoeld in de artikelen 28 en 29 Wed niet dringend noodzakelijk. Opheffing van het ex artikel 28 Wed als voorlopige maatregel gegeven bevel van de officier van justitie dat verdachte zich onthoudt van op- en overslag van stoffen die overeenkomstig PGS 29 onder brandgevarenklasse 0 vallen. Afwijzing van de ex artikel 29 Wed ingediende vordering van de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/191
M en R 2015/138

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/997515-15

Datum uitspraak: 9 juli 2015

Beslissing van de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer voor economische strafzaken, op het op 20 maart 2015 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoek van na te noemen verdachte vennootschap, ingediend op grond van artikel 28, derde lid, van de Wet op de economische delicten, en de mondelinge vordering van de officier van justitie in dit arrondissement van 25 juni 2015, strekkende tot oplegging van een voorlopige maatregel als bedoeld in artikel 29 van de Wet op de economische delicten aan de verdachte vennootschap genaamd:

[verdachte],

gevestigd aan de [adres],

verder te noemen [verdachte].

Inhoud van het verzoekschrift

Op 18 maart 2015 heeft de officier van justitie als voorlopige maatregel als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet op de economische delicten (hierna: Wed) bevolen dat [verdachte] zich onthoudt van op- en overslag van stoffen afkomstig van het bedrijf [belanghebbende] die overeenkomstig PGS 29 onder brandgevarenklasse 0 vallen. Daarbij is tevens een regeling als bedoeld in artikel 10, eerste lid, Wed opgelegd. Namens [verdachte] is primair verzocht de voorlopige maatregel op te heffen. Subsidiair is verzocht de daarbij opgelegde regeling op te heffen. Meer subsidiair is verzocht de voorlopige maatregel en/of de regeling te wijzigen.

Inhoud van de vordering

De (mondelinge) vordering ex artikel 29 Wed van de officier van justitie strekt ertoe, dat de rechtbank als voorlopige maatregel beveelt dat [verdachte] zich onthoudt van op- en overslag van stoffen die overeenkomstig PGS 29 onder brandgevarenklasse 0 vallen.

Procedure

Op 24 maart 2015 heeft een (regie)zitting plaatsgevonden. Tijdens die zitting is - op verzoek van de officier van justitie en [verdachte] - bepaald dat een schriftelijke conclusiewisseling zal plaatsvinden, zodat de standpunten van de officier van justitie en [verdachte] zo goed mogelijk kunnen worden onderbouwd. De werking van de voorlopige maatregel en de regeling is daarbij met ingang van 18 maart 2015, met terugwerkende kracht, door de officier van justitie geschorst.

Het verzoekschrift is op 25 juni 2015 in openbare raadkamer behandeld. Daarbij zijn gehoord de officier van justitie mr. L.W. Boogert, [verdachte], vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] en bijgestaan door mr. G.J.K. Elsen, advocaat te Rotterdam, alsook de belanghebbende, [belanghebbende], vertegenwoordigd door mrs. H.C. van Geen en N.M.D. van der Aa, beiden advocaat te Amsterdam. De officier van justitie heeft in raadkamer bovengenoemde vordering ex artikel 29 Wed ingediend.

Kennisgenomen is van het verzoekschrift en de daarbij gevoegde bijlagen, alsmede van de volgende stukken en de daarbij gevoegde bijlagen:

  • -

    de conclusie van eis van 7 april 2015;

  • -

    de conclusie van antwoord van 21 april 2015;

  • -

    de conclusie van repliek van 12 mei 2015;

  • -

    de conclusie van dupliek van 16 juni 2015;

  • -

    de e-mailwisselingen tussen de officier van justitie en de raadsman van [verdachte], die hebben plaatsgevonden naar aanleiding van de conclusie van eis en de conclusie van dupliek.

Ontvankelijkheid officier van justitie

Standpunt [verdachte]

Aangevoerd is - zo wordt begrepen - dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering als bedoeld in artikel 29 Wed. [verdachte] heeft zich op het standpunt gesteld dat in déze procedure slechts het verzoekschrift ex artikel 28 Wed aan de orde is. Een bevel ex artikel 29 Wed kan uitsluitend worden gevorderd tijdens de terechtzitting waarin de strafzaak inhoudelijk wordt behandeld. Daarnaast heeft [verdachte] aangevoerd dat de vordering ertoe strekt dat de rechtbank ambtshalve als voorlopige maatregel beveelt dat de verdachte zich onthoudt van bepaalde handelingen, hetgeen wettelijk gezien niet mogelijk is. De rechtbank kan ambtshalve alleen het bevel als bedoeld in artikel 28 Wed wijzigen. Tot slot heeft [verdachte] gesteld dat uit de literatuur blijkt dat de mogelijkheid om een vordering als bedoeld in artikel 29 Wed in te dienen niet is bedoeld om de aan een bevel ex artikel 28 Wed verbonden maximale termijn van 6 maanden te kunnen omzeilen. De officier van justitie moet dan ook een keuze maken tussen een bevel ex artikel 28 Wed en een vordering ex artikel 29 Wed.

Beoordeling

Op grond van artikel 29 Wed kan het gerecht (lees: de rechtbank) zowel ter terechtzitting (ambtshalve) als vóór de behandeling van de strafzaak op de terechtzitting een voorlopige maatregel bevelen. De stelling van [verdachte] dat de officier van justitie een keuze moet maken tussen een bevel ex artikel 28 Wed en een vordering ex artikel 29 Wed, vindt geen steun in het recht.

Conclusie

De officier van justitie is derhalve ontvankelijk in zijn vordering.

Bespreking van het verzoek en de vordering

Standpunt officier van justitie

Aangevoerd is dat er - kort gezegd - ernstige bezwaren tegen [verdachte] zijn gerezen en dat de belangen die door het vermoedelijk overtreden van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht worden beschermd een onmiddellijk ingrijpen vereisen.

Standpunt [verdachte]

[verdachte] heeft zich op het standpunt gesteld dat - kort gezegd - ernstige bezwaren ontbreken, dat de voorlopige maatregel - nu deze neerkomt op een gedeeltelijke stillegging - in strijd is met de wet en met het rechtszekerheidsbeginsel en dat onmiddellijk ingrijpen geenszins is vereist. Daarnaast heeft [verdachte] zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie opgelegde regeling als bedoeld in artikel 10, eerste lid, Wed in strijd is met de Wed.

Beoordeling

1 Ernstige bezwaren?

Naar aanleiding van een incident begin augustus 2014 verwijt de officier van justitie [verdachte] nafta te hebben opgeslagen die overeenkomstig PGS 29 onder brandgevarenklasse 0 valt, terwijl [verdachte] daarvoor geen vergunning heeft. Daarbij hanteert de officier van justitie het beginkookpunt van nafta als richtsnoer.

[verdachte] stelt dat de opgeslagen nafta niet onder brandgevarenklasse 0 valt maar onder klasse 1, indien de dampspanning als criterium wordt gebruikt. De dampspanning zou volgens [verdachte] bovendien als criterium betrouwbaarder zijn.

Voor beide standpunten zijn ter gelegenheid van de conclusiewisseling en ter terechtzitting argumenten aangedragen. Beide standpunten lijken, voor zover thans te beoordelen, pleitbaar. In elk geval blijkt de vraag of de opslag van de nafta die het incident in augustus 2014 veroorzaakte, wel of niet vergund was, niet gemakkelijk te beantwoorden, zonder nader (deskundigen)onderzoek waarvoor deze procedure zich niet leent.

Mede gelet op het voorgaande is ook de vraag of er ernstige bezwaren tegen de verdachte zijn gerezen die wijzen in de richting van het verwijt dat de officier van justitie [verdachte] maakt, nog niet zo eenvoudig te beantwoorden. Om die reden zal eerst de tweede voorwaarde worden bezien die van belang is bij de beoordeling van het verzoek van [verdachte] en de vordering van de officier van justitie: is onmiddellijk ingrijpen vereist?

2 Onmiddellijk ingrijpen vereist?

Uit het onderzoek in raadkamer blijkt dat op 4 en 5 augustus 2014 ongeveer 100 ton nafta, die was opgeslagen in een tank van [verdachte], is verdampt. De nafta behoorde toe aan [belanghebbende]. Pas ruim zeven maanden na voornoemd incident heeft de officier van justitie de bovengenoemde maatregel en regeling opgelegd. Vervolgens is - als gezegd - de werking van de maatregel en de regeling door de officier van justitie geschorst. De duur van de schorsing beloopt thans ruim drie maanden. Door de voorzitter gevraagd naar het spoedeisend belang dat tot onmiddellijk ingrijpen noopt, heeft de officier van justitie in raadkamer aangevoerd - kort gezegd - dat [verdachte] niet vergunde activiteiten verricht en dat dit risico’s met zich meebrengt. Dat er (op dit moment) concreet gevaar bestaat, zoals de officier impliciet stelt, is door hem niet nader gemotiveerd. Zonder nadere toelichting is dit ook niet zonder meer in te zien. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de twee verschillende criteria aan de hand waarvan de vluchtigheid van nafta kan worden beoordeeld - het beginkookpunt versus de dampdruk - weliswaar in de onderhavige zaak tot een verschillende uitkomst zouden kunnen leiden (klasse 0 dan wel klasse 1), maar dat daaruit nog geen concrete gevaarzetting blijkt.

Daarnaast wordt vastgesteld dat [verdachte] en [belanghebbende] direct na het incident de condensaat-splitter hebben stilgelegd en - in overleg met het bevoegd gezag - maatregelen hebben getroffen om herhaling te voorkomen. Met toestemming van de DCMR Milieudienst Rijnmond is de splitter vervolgens weer opgestart, na implementatie van een door DCMR goedgekeurd plan van aanpak. Bovendien hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland aan [verdachte] een last onder dwangsom opgelegd, teneinde [verdachte] ertoe te bewegen om overtreding van de omgevingsvergunning van 15 juni 2007 te (blijven) voorkomen. Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, heeft het bestuurlijk bevoegd gezag bepaald niet stilgezeten.

De veiligheids- en milieubelangen kunnen dan ook worden beschermd door minder ingrijpende maatregelen, hetgeen reeds is gebeurd. Eén en ander leidt tot de conclusie dat onmiddellijk ingrijpen niet is vereist.

Conclusie

Gelet op het voorgaande wordt onmiddellijk ingrijpen als bedoeld in de artikelen 28 en 29 Wed niet dringend noodzakelijk geacht. Het als voorlopige maatregel gegeven bevel van de officier van justitie als bedoeld in artikel 28 Wed wordt dan ook opgeheven en de vordering van de officier van justitie tot oplegging van een voorlopige maatregel als bedoeld in artikel 29 Wed afgewezen.

Beslissing

De rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer voor economische strafzaken:

Heft op het als voorlopige maatregel gegeven bevel van de officier van justitie dat [verdachte] zich onthoudt van op- en overslag van stoffen afkomstig van het bedrijf [belanghebbende] die overeenkomstig PGS 29 onder brandgevarenklasse 0 vallen;

Wijst af de vordering van de officier van justitie, ertoe strekkende dat de rechtbank als voorlopige maatregel beveelt dat [verdachte] zich onthoudt van op- en overslag van stoffen die overeenkomstig PGS 29 onder brandgevarenklasse 0 vallen.

Deze beschikking is gewezen door

mr. E.M. Havik, voorzitter,

en mrs. J.H. Janssen en V. Mul, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H. Biemond, griffier,

en op 9 juli 2015 in het openbaar uitgesproken.

Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Tegen deze beschikking kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na de uitspraak en de verdachte binnen veertien dagen na betekening daarvan in beroep komen bij het gerechtshof Den Haag.