Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:4886

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-07-2015
Datum publicatie
10-07-2015
Zaaknummer
ROT 13/8201
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bureau jeugdzorg of CIZ (mede) bevoegd over de aanvraag te beslissen? Heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat, naast de grondslag psychiatrie, niet tevens sprake is van de grondslag verstandelijke handicap?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 13/8201

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2015 in de zaak tussen

[eiser], te Rotterdam, eiser, vertegenwoordigd door zijn vader, [vader], en zijn moeder, [moeder],

gemachtigde: mr. M.M. Polman,

en

CIZ, verweerder,

gemachtigde: mr. L.M.R. Kater.

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) gedurende de periode van 30 mei 2013 tot 31 januari 2015 geïndiceerd voor de functies begeleiding groep, klasse 4, begeleiding individueel, klasse 3 en persoonlijke verzorging, klasse 2.

Bij beslissing op bezwaar van 13 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder zich onbevoegd verklaard te beslissen en het primaire besluit ingetrokken.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2014. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, teneinde (de ouders van) eiser in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen.

Bij brieven van 13 november 2014, 25 maart 2015 en 1 april 2015 heeft eiser gereageerd.

Bij brief van 23 februari 2015 heeft verweerder de rechtbank een reactie gestuurd.

Partijen hebben toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nadere zitting, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.


Overwegingen

1.1.

Eiser, geboren op 31 januari 1997, heeft, voor zover hier relevant, op 8 maart 2011 bij verweerder een indicatie aangevraagd voor AWBZ-zorg. Bij besluit van 31 maart 2011 heeft verweerder eiser meegedeeld dat niet verweerder maar Bureau jeugdzorg (Bjz) het bevoegde bestuursorgaan is om op de aanvraag te beslissen. Bij besluit van 28 juni 2011 heeft verweerder het tegen het besluit van 31 maart 2011 door eiser gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 31 maart 2011 herroepen en eiser geïndiceerd voor de functies begeleiding individueel, verblijf kortdurend, persoonlijke verzorging, en begeleiding groep, met vervoer.

1.2.

Op 15 april 2013 heeft eiser een herindicatie aangevraagd. Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser gedurende de periode van 30 mei 2013 tot 31 januari 2015 geïndiceerd voor de functies begeleiding groep, begeleiding individueel, en persoonlijke verzorging. Eiser heeft voor de geïndiceerde zorg een persoonsgebonden budget aangevraagd.

1.3.

Naar aanleiding van het namens eiser ingediende bezwaar tegen het primaire besluit heeft verweerder zijn medisch adviseur drs. H.H. Lahuis ingeschakeld. De medisch adviseur heeft in het advies van 4 september 2013 geadviseerd het dossier over te dragen aan Bjz, omdat sprake is van de grondslag psychiatrie en de grondslag verstandelijke handicap medisch gezien niet kan worden gesteld. Hierna heeft verweerder contact gelegd met Bjz. Na verkregen toestemming van eiser heeft verweerder bij brief van 17 september 2013 het dossier aan Bjz overgedragen.

2. Nadat Bjz op 25 oktober 2013 op de aanvraag had beslist, heeft verweerder bij het bestreden besluit het primaire besluit ingetrokken omdat verweerder zich niet bevoegd acht te beslissen op eisers aanvraag om AWBZ-zorg.

3. Eiser heeft in beroep betoogd dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust. Eiser is van mening dat het dossier ten onrechte is overgedragen aan Bjz. Verweerder heeft in voorafgaande jaren wel steeds indicatiebesluiten ten behoeve van eiser afgegeven. Het indicatiebesluit van Bjz van 25 oktober 2013 is nadelig voor eiser en eiser heeft tegen dat besluit dan ook bezwaar gemaakt.

4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2014. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, teneinde (de ouders van) eiser in de gelegenheid te stellen bij eiser een IQ-test te laten afnemen en de uitkomst daarvan aan de rechtbank mee te delen. Bij brieven van 25 maart 2015 en 1 april 2015 is de rechtbank namens eiser meegedeeld dat de school dan wel een andere instantie niet bereid is om op korte termijn een IQ-test af te nemen. Verweerder heeft gereageerd en zich op het standpunt gesteld dat volgens medisch adviseur Lahuis geen sprake is van de grondslag verstandelijke handicap maar dat slechts de grondslag psychiatrie aan de orde is. Nu eiser geen nieuwe informatie of een contra expertise heeft ingebracht op grond waarvan getwijfeld kan worden aan het medisch advies, is er voor verweerder geen aanleiding om een ander standpunt in te nemen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5.1.

Op 1 januari 2015 is de AWBZ en de daarop gebaseerde regelgeving komen te vervallen. Op grond van het van toepassing zijnde overgangsrecht is op dit geschil het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 januari 2015.

5.2.

Blijkens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1574) volgt uit het ten tijde hier van belang geldende wettelijke systeem dat, indien een jeugdige vanwege een psychiatrische aandoening of beperking, een gedragsprobleem of een psychosociaal probleem is aangewezen op AWBZ-zorg, Bjz het bevoegde bestuursorgaan is om een indicatiebesluit af te geven op grond waarvan aanspraak op die AWBZ-zorg bestaat, voor zover deze zorg verband houdt met genoemde aandoeningen of problemen. CIZ is voor het indiceren van jeugdigen uitsluitend bevoegd ter zake van zorg die geen verband houdt met een psychiatrische aandoening of beperking, een gedragsprobleem of een psychisch of psychosociaal probleem.

5.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser - die ten tijde van belang minderjarig was - bekend is met klassiek autisme en ADHD en dat op basis daarvan sprake is van de grondslag psychiatrie. Uit het voorgaande vloeit voort dat verweerder niet bevoegd was om te besluiten over de AWBZ-zorg van eiser, voor zover deze verband houdt met eisers psychiatrische stoornis. Verweerder heeft eisers aanvraag om AWBZ-zorg dan ook in zoverre terecht overgedragen aan Bjz.

5.4.

Partijen houdt verdeeld de vraag of verweerder (mede) bevoegd is over de aanvraag van eiser te beslissen. In dat verband is van belang het antwoord op de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat, naast de grondslag psychiatrie, niet tevens sprake is van de grondslag verstandelijke handicap.

5.5.

Op bladzijde 36 en 37 van de CIZ Indicatiewijzer (versie 6.0) is hieromtrent het volgende opgenomen:

“Er is conform de DSM-IV-TR-classificatie sprake van een diagnose verstandelijke handicap als de verzekerde cognitief/intellectueel beneden gemiddeld scoort op een algemene intelligentietest (norm: IQ 70 of lager), er blijvende beperkingen zijn op het gebied van de sociale redzaamheid en dit voor het 18e levensjaar is ontstaan. In

dat geval is sprake van een grondslag Verstandelijke handicap.

Op grond van historische overwegingen is er in Nederland consensus dat, als er sprake is van ernstige en chronische beperkingen in sociale redzaamheid, leerproblemen en/of gedragsproblemen, een IQ-score tussen 70 en 85 eveneens mag worden opgevat als een licht verstandelijke handicap. In dat geval kan het CIZ een verzekerde ook onder de grondslag Verstandelijke handicap indiceren voor AWBZ-zorg. (…)”

5.6.

In het in 1.3 genoemde advies van 4 september 2013 heeft de medisch adviseur overwogen dat eiser in 2009 een TIQ van 72 en in 2012 een TIQ van 84 heeft gescoord. Hoewel beide scores binnen een grijs gebied vallen, welke alleen aanspraak geven op de grondslag verstandelijke handicap, indien er sprake is van ernstig probleemgedrag of ernstige en chronische beperkingen in sociale redzaamheid of leerproblemen, is hiervan volgens de medisch adviseur geen sprake. De psychiatrische diagnosen (waaronder klassiek autisme) kunnen redelijkerwijs een negatieve invloed hebben op het IQ en de scores, welke een verklaring kunnen zijn voor de discrepantie in TIQ die zijn gescoord in 2009 en in 2012. De resultaten van de diverse behandelplannen blijken vaak niet tot het gestelde doel te leiden, specifieke doelen worden niet gehaald in het kader van basale ADL handelingen, zoals bijvoorbeeld veters strikken. Deze beperkingen zijn volgens de medisch adviseur niet passend bij een verstandelijke beperking bij een TIQ van 72 en zeker niet van 84. Dit valt redelijkerwijs te verklaren vanuit klassiek autisme, al of niet in combinatie met een benedengemiddelde intelligentie. Alles in ogenschouw nemend kan de grondslag verstandelijke handicap volgens de medisch adviseur, puur medisch gezien, niet worden gesteld.

5.7.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich bij zijn besluitvorming mogen baseren op het advies van de medisch adviseur. Niet is gebleken dat het advies niet zorgvuldig tot stand zou zijn gekomen en de medisch adviseur heeft zijn standpunt, dat geen sprake is van de grondslag verstandelijke handicap, voldoende inzichtelijk onderbouwd. De enkele opmerking van de medisch adviseur in zijn advies dat een nieuwe IQ-test eventueel meer informatie kan verschaffen, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
Eiser is na de zitting, op 16 september 2014, in de gelegenheid gesteld om opnieuw een IQ-test te laten afnemen. Eiser heeft echter geen IQ-test, dan wel andere stukken overgelegd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat getwijfeld dient te worden aan het advies van verweerders medisch adviseur.

5.8.

Nu niet kan worden vastgesteld dat bij eiser (tevens) sprake is van de grondslag verstandelijke handicap, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat hij niet bevoegd was om op eisers aanvraag om AWBZ-zorg te beslissen.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Bergen, rechter, in aanwezigheid van J. Bijleveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.