Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:4825

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-07-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
ROT 14/8192
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom. Beoordeling of sprake is van een overtreding van artikel 2:10A, eerste lid, van de APV. Het perceel kan niet worden aangemerkt als een voor het publiek toegankelijke plaats, als bedoeld in artikel 2:10A, eerste lid, en artikel 1:1, aanhef en onder a van de APV. Dit betekent dat geen sprake is van een overtreding van artikel 2;10A, eerste lid, van de APV. Verweerder heeft dus ten onrechte een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2:10A, eerste lid, van de APV. Beoordeling of sprake is van gebruik door eiser in strijd met het bestemmingsplan. Van overtreding van het bestemmingsplan is geen sprake, zodat verweerder ten onrechte in verband daarmee een last onder dwangsom heeft opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Zittingsplaats Dordrecht

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 14/8192

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2015 in de zaak tussen

[naam], te [adres], eiser,

gemachtigde: mr. K. de Wit,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht, verweerder,

gemachtigde: E.A. van Dommelen-van der Lugt.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een last onder dwangsom opgelegd.

Bij besluit van 28 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is eigenaar van het perceel, gelegen aan de [adres]. Bij brief van 4 november 2013 heeft verweerder eiser bericht dat hij heeft geconstateerd dat eiser in strijd met artikel 2.10A van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) zonder toestemming of vergunning gebruik maakt van gemeentegrond. Het betreft het perceel gelegen aan de zij- en achterkant van de woning. Verweerder heeft eiser verzocht dit onrechtmatig gebruik binnen zestien weken te beëindigen of binnen acht dagen aan te geven de grond te willen huren. In dat geval wordt een huurovereenkomst gesloten, waarbij de huur voor het gebruik van de grond € 3.078,- per jaar bedraagt.

Bij brief van 19 mei 2014 heeft verweerder eiser bericht voornemens te zijn een last onder dwangsom op te leggen in verband met het onrechtmatig gebruik van de gemeentegrond. Volgens verweerder is het gebruik zowel in strijd met artikel 2:10A van de APV, als met het bestemmingsplan “Dubbeldam”, dat alleen het gebruik als (publieke) groenvoorziening toelaat en niet als tuin. Daarbij heeft verweerder opgemerkt dat eiser alleen het perceel aan de zijkant van de woning (het perceel), en dus niet het perceel aan de achterzijde van de woning, in de oorspronkelijke staat dient te herstellen.

Bij brief van 12 juni 2014 heeft eiser een zienswijze ingediend. Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser een last onder dwangsom opgelegd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit besluit gehandhaafd.

2. Eiser voert in beroep aan dat verweerder de publieke weg van oplegging van een last onder dwangsom misbruikt om een civielrechtelijk geschil over de eigendom van het perceel uit te vechten. Volgens eiser is het perceel al sinds bijna 30 jaar niet meer voor publiek toegankelijk, ook niet indien verweerder eigenaar zou zijn. Daarom is geen sprake van overtreding van artikel 2.10A van de APV. Zou wel sprake zijn van een overtreding, dan heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom het gebruik niet op grond van het tweede lid kan worden gelegaliseerd, aldus eiser.

Verder meent eiser dat van strijd met het bestemmingsplan geen sprake is, nu niet valt in te zien waarom het gebruik als tuin niet valt onder de bestemming “groen”. Bovendien heeft verweerder ook hier nagelaten te onderzoeken of het gebruik kon worden gelegaliseerd.

3.1.

In artikel 2:10A, eerste lid, van de APV, is bepaald dat het zonder voorafgaande vergunning van het college verboden is een openbare plaats of openbaar water anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

In het tweede lid, aanhef en onder a, is bepaald dat een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig of veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats.

In artikel 1:1, aanhef en onder a van de APV van de gemeente Dordrecht is bepaald dat onder openbare plaats wordt verstaan een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg als bedoeld onder b.

3.2.

Op het perceel is het in 2013 vastgestelde bestemmingsplan "Dubbeldam" van toepassing. De grond in kwestie is gelegen in de bestemming "Groen" (artikel 8). Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor: a) beplanting, grasvelden, bloemperken, tuinen, b) water, c) parkeren, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "parkeren", d) bij de bestemming behorende voorzieningen, zoals speelvoorzieningen, recreatievoorzieningen, verhardingen, voet- en fietspaden, nutsvoorzieningen.

In het bestemmingsplan is ook een bestemming "tuin" opgenomen (artikel 15). Gronden met die bestemming zijn bestemd voor a) tuin, b) bij de bestemming behorende voorzieningen, zoals nutsvoorzieningen, parkeren, groen en water.

Strijd met artikel 2:10A van de APV

4.1.

De rechtbank beoordeelt eerst of sprake is van overtreding van artikel 2:10A, eerste lid, van de APV. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de eigendomssituatie volgens rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5842, op zichzelf niet van belang is voor de vraag of een plaats openbaar is in de zin van artikel 1:1, aanhef en onder a, van de APV. Op grond van die bepaling is een plaats immers openbaar indien deze, al dan niet met enige beperking, voor het publiek toegankelijk is. In het navolgende laat de rechtbank zich dan ook niet uit over de eigendom van het perceel.

4.2.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder ongeveer twintig jaar geleden heeft toegelaten dat er op het perceel een dierenweide werd aangelegd. Verweerder heeft blijkens de in beroep overgelegde verklaringen van [naam] (destijds werkzaam bij de afdeling Plantsoenen) en [naam] (destijds opzichter voor onder meer de wijk Dubbeldam en belast met het opnieuw inrichten van stroken grond) zelf landbouwafrastering met palen, schapengaas en een bovenplank geplaatst om de dieren binnen het perceel te houden. Ook heeft verweerder heesterbeplanting en bomen aangebracht, die af en toe door verweerder werd(en) gesnoeid. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat het al die tijd niet de bedoeling was dat de dierenweide door voorbijgangers werd betreden. De gedachte was meer dat het veldje er vanaf de weg “leuk uit zou zien”. Omdat de groenstrook in de loop der jaren steeds meer opschoot, werd het perceel vanaf de openbare weg ook feitelijk steeds slechter toegankelijk.

4.3.

Uitgaande van deze feitelijke situatie kan het perceel naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een voor het publiek toegankelijke plaats, als bedoeld in artikel 2:10A, eerste lid, en artikel 1:1, aanhef en onder a, van de APV. Dit betekent dat geen sprake is van overtreding van artikel 2:10A, eerste lid, van de APV. Verweerder heeft dus ten onrechte een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2:10A, eerste lid, van de APV.

Strijd met het bestemmingsplan

5. Vervolgens moet worden beoordeeld of het gebruik door eiser in strijd is met het bestemmingsplan. Niet in geschil is dat voor het perceel de bestemming “groen” als bedoeld in artikel 8 van het bestemmingsplan geldt. Voor de stelling van verweerder dat met deze bestemming slechts wordt gedoeld op openbaar groen, ziet de rechtbank geen enkel aanknopingspunt in het bestemmingsplan. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in de nadere omschrijving van de bestemming groen in artikel 8.1 onder a ook de bestemming “tuin” is vermeld, zonder dat nadere voorwaarden zijn gesteld omtrent de openbaarheid of publieke toegankelijkheid daarvan. Dat daarnaast nog een aparte bestemming “tuin” bestaat, die in artikel 15 nader is omschreven, leidt niet tot een ander oordeel.

Dit betekent dat evenmin sprake is van overtreding van het bestemmingsplan, zodat verweerder eveneens ten onrechte in verband daarmee een last onder dwangsom heeft opgelegd.

6. Het beroep is gegrond. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Nu naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van overtreding van artikel 2:10A van de APV of van het bestemmingsplan, ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het primaire besluit wordt herroepen.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.960,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, hetgeen in dit geval inhoudt dat het primaire besluit van 1 juli 2014 wordt herroepen;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 165,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1960,-, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, rechter, en mr. I. Geerink-van Loon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.