Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:4812

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
C/10/477411 / KG ZA 15-592
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Gestelde inbreuk op persoonlijke levenssfeer (uitsluitend) door vermelding van volledige naam is niet aannemelijk en de gestelde onrechtmatigheid van de publicatie is daardoor evenmin aannemelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/477411 / KG ZA 15-592

Vonnis in kort geding van 7 juli 2015

in de zaak van

[eiseres],

wonende te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. G.A. Soebhag,

tegen

1 [gedaagde1],

wonende te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JUST PUBLISHERS B.V.,

gevestigd te Meppel,

gedaagden,

zijnde [gedaagde1] verschenen in persoon en Just Publishers B.V. vertegenwoordigd door haar statutair bestuurder [persoon1].

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagden] genoemd worden. Gedaagden afzonderlijk zullen hierna worden aangeduid als [gedaagde1] en Just Publishers.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen d.d. 9 juni 2015, met producties,

  • -

    de schriftelijke reactie van [gedaagden] d.d. 15 juni 2015, met producties,

  • -

    de mondelinge behandeling ter openbare zitting van 23 juni 2015,

  • -

    de pleitnota van [eiseres].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde1] is auteur van het boek met de titel “Rotterdamse Penoze” met als subtitel “over kruimeldieven en keiharde killers”. Just Publishers is de uitgever van dit boek, dat in maart 2014 voor het eerst is uitgebracht. Inmiddels is de vijfde druk van het boek van [gedaagde1] verschenen.

2.2.

Het boek behandelt het criminele milieu in en rond Rotterdam in de afgelopen jaren. In hoofdstuk 5 (blz. 73 e.v.) van het boek wordt ingegaan op de schietpartij die op 19 november 2005 heeft plaatsgevonden in Café Inn & Out te Rotterdam, waarbij drie dodelijke slachtoffers zijn gevallen (verder: de schietpartij).

2.3.

[eiseres] werkte destijds als barvrouw in voornoemd café. Zij is bij de schietpartij zwaar gewond geraakt en heeft daarbij een dwarsleasie opgelopen.

2.4.

Op bladzijde 73 van het boek wordt [eiseres] met voor- en achternaam vermeld. Op de bladzijden 73 en 76 van het boek wordt zij vermeld, daar alleen met haar voornaam.

2.5.

[eiseres] heeft over de schietpartij een interview gegeven aan een journalist van de Nieuwe Revu. Dit heeft geleid tot een nieuwspublicatie over de schietpartij in de Nieuwe Revu waarin zij met haar voor- en achternaam wordt vermeld. Voorts heeft [eiseres] door het geven van een interview meegewerkt aan de totstandkoming van het boek met de titel “Levenslang” van de auteur [persoon2], waarin zij ook met haar voor- en achternaam in samenhang met de schietpartij wordt vermeld. Dit boek is in 2013 uitgebracht.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat - :

  1. [gedaagden] te gebieden om binnen 48 uur na betekening van het te wijzen vonnis de voor- en achternaam van [eiseres] in het boek te wijzigen in “de bardame”, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  2. [gedaagden] hoofdelijk, des dat de een betaalt de ander zal zijn gekweten, te bevelen om binnen 48 uur na betekening van het te wijzen vonnis een voorschot op de nog nader te bepalen schadevergoeding van € 25.000,- aan gedaagde (de voorzieningenrechter leest: [eiseres]) te voldoen;

  3. [gedaagden] hoofdelijk, des dat de een betaalt de ander zal zijn gekweten, te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

[gedaagden] voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres] legt aan de vorderingen ten grondslag dat [gedaagden] onrechtmatig jegens haar handelen, omdat zij door de vermelding van haar (voor- en achter)naam in het boek van [gedaagden] wordt aangetast in haar persoonlijke levenssfeer en die naamsvermelding niet, althans onvoldoende noodzakelijk is. [gedaagden] bestrijden dat en beroepen zich tevens op artikel 7 van de Grondwet (Gw).

4.2.

Een vordering die is gericht op beëindiging van een beweerdelijke onrechtmatige publicatie is in beginsel spoedeisend. Aan dat spoedeisend karakter doet in dit geval niet af dat [eiseres], zoals [gedaagden] onweersproken hebben aangevoerd, reeds in augustus 2014 bekend was met de gewraakte inhoud van het boek van [gedaagden] maar eerst bij de dagvaarding in dit kort geding wijziging van haar naam in het boek heeft gevorderd. Dat tijdsverloop alleen brengt immers niet mee dat thans van [eiseres] kan worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.

4.3.

Niet in geschil is dat [gedaagden] voorafgaand aan de publicatie van het boek [eiseres] geen toestemming hebben gevraagd voor de vermelding van haar (voor- en achter)naam in dat boek. Zoals [gedaagden] terecht hebben aangevoerd is een dergelijke toestemming niet vereist. Het ontbreken van die toestemming brengt echter wel mee dat [eiseres] zich tegen het gebruik van haar naam in het boek kan verzetten indien daardoor inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer wordt gemaakt. Aangezien de juistheid van het feitelijk relaas over de schietpartij in het boek niet ter discussie staat, kan de door [eiseres] gestelde schending van de onderzoeksplicht van [gedaagden] verder onbesproken blijven.

4.4.

Aannemelijk is dat de schietpartij voor [eiseres] een zeer traumatische ervaring was, waaraan zij liever niet wordt herinnerd. De herinneringen daaraan kunnen, via derden, echter ook worden opgeroepen door de nieuwspublicatie in de Nieuwe Revu of het – kort voor het boek van [gedaagde1] uitgebrachte – boek met de titel “Levenslang” waarin immers eveneens de volledige naam van [eiseres] in samenhang met de schietpartij is vermeld. Het lag derhalve op de weg van [eiseres] haar stelling dat de herinneringen die worden opgeroepen door een publicatie waar ze geen toestemming heeft gegeven traumatisch zijn en dat niet het geval is bij de herinneringen die worden opgeroepen door publicaties waaraan zij heeft meegewerkt, te onderbouwen. Bij gebrek aan die onderbouwing is voorshands niet aannemelijk dat het boek van [gedaagde1] door de vermelding van haar volledige naam in samenhang met de schietpartij, zoals [eiseres] stelt, tot de door [eiseres] gestelde traumatische ervaringen leidt.

4.5.

Van onjuistheid van de feiten die in het boek van [gedaagde1] over [eiseres] zijn vermeld is geen sprake. Voorts is niet gesteld dat hetgeen daarin is vermeld iets toevoegt aan de informatie over [eiseres] die het boek met de titel “Levenslang” en de nieuwspublicatie van de Nieuwe Revu bevatten. Dat de vermelding van de volledige naam van [eiseres] in het boek van [gedaagde1], zoals zij stelt, schadelijk is voor haar maatschappelijk leven, waaronder haar terugkeer op de arbeidsmarkt, is derhalve evenmin aannemelijk. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat, zoals ter zitting met partijen besproken, een eenvoudige zoektocht op internet naar [eiseres]’s naam een reeks van hits, die nagenoeg allen zien op de schietpartij en veelal haar voor- en achternaam vermelden, oplevert. Een causaal verband tussen de publicatie van het boek en schade voor haar maatschappelijke positie is, ervan uitgaande dat een potentiële werkgever een dergelijke zoekopdracht ook eenvoudig kan en zal uitvoeren, daarom voorshands niet aannemelijk.

4.6.

Op grond van het vorenstaande is de door [eiseres] gestelde inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer (uitsluitend) door de vermelding van haar volledige naam in het boek van [gedaagde1] niet aannemelijk. Aan een afweging van het recht van [eiseres] op bescherming tegen een dergelijke inbreuk en de vrijheid van meningsuiting waarop [gedaagden] zich beroepen wordt derhalve niet toegekomen. Voorts betekent het dat het gestelde onrechtmatig handelen van [gedaagden] en de daarop gebaseerde vordering tot schadevergoeding van [eiseres] niet aannemelijk zijn. Dat leidt ertoe dat de vorderingen worden afgewezen met veroordeling van [eiseres] in de kosten van dit geding. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op € 613,00 aan griffierecht.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de vorderingen af,

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 613,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2015.

2515/2009