Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:4765

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
ROT 14/2065 en ROT/8150
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CBB:2016:226, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

In deze mondelinge uitspraak overweegt een meervoudige kamer van de rechtbank ambtshalve het volgende. In artikel 1, tweede lid, aanhef en onder a, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen is bepaald dat dit besluit niet van toepassing is op de exploitanten van slachthuizen, bedoeld in bijlage II, secties II en III, van verordening (EG) 853/2004. Eiseres kwalificeert als een exploitant van een slachthuis, bedoeld in bijlage II, secties II en III, van verordening (EG) 853/2004. Haar inrichting is immers een inrichting voor het slachten en uitslachten van dieren waarvan het vlees bestemd is voor menselijke consumptie, zodat de inrichting voldoet aan de definitie onder punt 1.16. van bijlage I bij Verordening 853/2004. Naar het oordeel van de rechtbank valt het toezicht op en handhaving jegens exploitanten van slachthuizen onder de werkingssfeer van de Wet dieren. (...) Dit betekent dat artikel 2, derde lid, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen niet is overtreden en dat verweerder niet bevoegd was tot het opleggen van de bestuurlijke boetes. Voorts volgt hieruit dat de minister van Economische Zaken en niet verweerder bevoegd is tot enige handhaving indien artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG) 2073/2005 en de daarbij behorende bijlage I door eiseres niet zou zijn nageleefd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummers: ROT 14/2065 en ROT 14/8150

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juli 2015 in de zaken tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Naam] , te [plaats], eiseres,

gemachtigde: mr. A.F.M. van ‘t Hooft,

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder,

gemachtigde: mr. I.C.M. Nijland.

Zitting hebben mr. dr. P.G.J. van den Berg, voorzitter, en mr. J. Bergen en mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van mr. dr. R. Stijnen, griffier.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [Naam], bijgestaan door mr. A.F.M. van ’t Hooft. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. I.C.M. Nijland en ing. G.L. Hennink.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting op 1 juli 2015 heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de besluiten op bezwaar van 4 februari 2014 en 27 oktober 2014;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten op bezwaar en herroept de primaire besluiten van 26 april 2013 en 11 juli 2014;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van totaal € 656,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 2.411,40, te betalen aan eiseres.

Overwegingen

1.1.

Artikel 3 van Verordening (EG) 2073/2005 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 15 november 2005 inzake microbiologische criteria voor levensmiddelen luidt als volgt:

“1. Exploitanten van levensmiddelen zorgen ervoor dat levensmiddelen voldoen aan de desbetreffende microbiologische criteria zoals aangegeven in bijlage I. Daartoe nemen de exploitanten van levensmiddelenbedrijven in alle stadia van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen, met inbegrip van de detailhandel, de nodige maatregelen, in het kader van hun op HACCP gebaseerde procedures en de toepassing van goede hygiënepraktijken, om te bereiken dat:

a) de bevoorrading met en de behandeling en verwerking van de grondstoffen en levensmiddelen onder hun beheer zodanig geschieden dat aan de proceshygiënecriteria wordt voldaan;

b) de producten onder redelijkerwijs te verwachten omstandigheden bij de distributie, de opslag en het gebruik kunnen voldoen aan de voedselveiligheidscriteria die voor hun hele houdbaarheidstermijn gelden.

(…)”

Uit de punten 1.7 en 1.28 van bijlage I bij Verordening (EG) 2073/2005 volgt dat separatorvlees respectievelijk vers pluimveevlees dat in de handel is gebracht, moet worden getest op de aanwezigheid van Salmonella respectievelijk Salmonella Typhimurium en Salmonella Enteritidis en dat als grenswaarde geldt dat die micro-organismen afwezig dienen te zijn in een bemonstering van respectievelijk 10 en 25 gram voor de duur van de houdbaarheidstermijn.

1.2.

Bijlage I bij Verordening (EG) 853/2004 van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004, houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong, bevat een aantal definities, waaronder:

(1.9.) karkas: het hele slachtdier na slachting en uitslachting; (1.14.) separatorvlees: het product dat wordt verkregen door vlees dat na het uitbenen nog aan de beenderen vastzit of vlees van de pluimveekarkassen daarvan mechanisch te scheiden, waardoor de spierweefselstructuur verloren gaat of verandert; (1.16.) slachthuis: een inrichting voor het slachten en uitslachten van dieren waarvan het vlees bestemd is voor menselijke consumptie; en (1.17.) uitsnijderij: een inrichting voor het uitbenen en/of uitsnijden van vlees. In Bijlage II en III bij Verordening (EG) 853/2004 worden deze definities toegepast.

2.1.

De Warenwet luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

d. Onze Minister:

1°. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (…)

(…)

Artikel 13

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorts regels worden gesteld ter uitvoering van een met betrekking tot waren tot stand gekomen bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen dat betreft:

a. een der in artikel 3 bedoelde belangen;

(…)

Artikel 32a

1. Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen (…) 13 (…).”

2.2.

Op grond van het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten, een algemene maatregel van bestuur ter bepaling van de boetehoogte als bedoeld in de artikelen 32a en 32b van de Warenwet, wordt de bestuurlijke boete wegens overtreding van artikel 2, derde lid, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen door de natuurlijke persoon of rechtspersoon welke op de dag waarop de overtreding is begaan 50 of minder werknemers telde vastgesteld op € 525,-.

2.3.

In artikel 1, tweede lid, aanhef en onder a, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen is bepaald dat dit besluit niet van toepassing is op de exploitanten van slachthuizen, bedoeld in bijlage II, secties II en III, van verordening (EG) 853/2004.

In artikel 2, derde lid, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen is bepaald dat het verboden is te handelen in strijd met artikel 3 van verordening (EG) 2073/2005.

3.1.

De Wet dieren luidt voor zover hier van belang:

“Artikel 1.1. Begripsbepalingen

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken;

(…)

Artikel 3.1. Algemeen

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen over dierlijke producten.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor het onderwerp, bedoeld in het eerste lid, regels worden gesteld die betrekking hebben op onder meer:

a. het produceren, het bewerken, het verwerken, het in voorraad of voorhanden hebben, het vervoeren, het opslaan, het verzamelen, het hanteren, het gebruik, het verwijderen, het in de handel brengen en het in of buiten Nederland brengen van dierlijke producten;

(…)

n. hygiëne, het voorkomen van de verspreiding van dierziekten, zoönosen en ziekteverschijnselen, en het weren van ziekteverwekkers.
(…)

Artikel 3.2. Productie van vlees

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden in het belang van de volksgezondheid regels gesteld voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen over de productie van vlees na het doden van dieren.

(…)

3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op gehakt vlees, separatorvlees, vleesbereidingen en vleesproducten als bedoeld in krachtens de Warenwet gestelde voorschriften.

Artikel 6.2. Strafbaarstelling overtredingen EU-verordeningen

1. Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.

(…)

Artikel 8.6. Definities

1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. overtreding: gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens:

1°. de artikelen (…) 3.1, 3.2, eerste en tweede lid (…);

2°. een van de bepalingen, bedoeld in onderdeel a, in samenhang met de artikelen 6.2, eerste lid (…);

(…)

Artikel 8.7. Bevoegdheid

Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.”

3.2.

De algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 3.1 en 3.2 van de Wet dieren is het Besluit dierlijke producten. Krachtens dit besluit heeft de Minister van Economische Zaken de Regeling dierlijke producten vastgesteld. Die regeling luidt, voor zover hier van belang:

“Artikel 2.2. Toepassingsbereik

1. Deze paragraaf is van toepassing op exploitanten van levensmiddelenbedrijven als bedoeld in sectie I tot en met IV van bijlage III bij verordening (EG) nr. 853/2004.

(…)

Artikel 2.4. Verbodsbepalingen EU-verordeningen

1. Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn:

(…)

e. de artikelen 3 (…) van verordening (EG) nr. 2073/2005;

(…)”

4. De pluimveeslachterij van eiseres (de inrichting) is een slachterij van uitgelegde legkippen. Op 10 december 2012 en op 20 september 2013 is de inrichting aan een inspectie onderworpen door medewerkers van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Volgens de bevindingen van de NVWA moet het in de slachterij geproduceerde vlees worden aangemerkt als separatorvlees en is dit niet in overeenstemming met punt 1.7 van de bijlage I bij Verordening 2073/2005 bemonsterd en onderzocht. Verweerder heeft eiseres vervolgens bestuurlijke boetes opgelegd wegens het niet in acht nemen van de op HACCP gebaseerde procedures en de toepassing van goede hygiënepraktijken voor wat betreft separatorvlees. De bestuurlijke boetes zijn gehandhaafd bij de besluiten op bezwaar van 4 februari 2014 en 27 oktober 2014. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen deze besluiten en daarbij onder meer betwist dat sprake is van separatorvlees.

5. Ambtshalve overweegt de rechtbank het volgende. In artikel 1, tweede lid, aanhef en onder a, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen is bepaald dat dit besluit niet van toepassing is op de exploitanten van slachthuizen, bedoeld in bijlage II, secties II en III, van verordening (EG) 853/2004. Eiseres kwalificeert als een exploitant van een slachthuis, bedoeld in bijlage II, secties II en III, van verordening (EG) 853/2004. Haar inrichting is immers een inrichting voor het slachten en uitslachten van dieren waarvan het vlees bestemd is voor menselijke consumptie, zodat de inrichting voldoet aan de definitie onder punt 1.16. van bijlage I bij Verordening 853/2004. Naar het oordeel van de rechtbank valt het toezicht op en handhaving jegens exploitanten van slachthuizen onder de werkingssfeer van de Wet dieren. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de uitsluiting van de Wet dieren op grond van artikel 3.2, derde lid, van die wet toepassing mist, omdat hiervoor is vastgesteld dat geen sprake is van krachtens de Warenwet gestelde voorschriften, nu eiseres kwalificeert als exploitant van een slachthuis. Uit de nota’s van toelichting bij het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen (Stb. 2005, 517, blz. 11) en het Besluit van 17 maart 2006, houdende wijziging van diverse Warenwetbesluiten in verband met verordening (EG) 2073/2005 (Stb. 2006, 179, blz. 5) valt niet af te leiden dat in dit verband sprake is van een omissie van de wet- of regelgever. Dit betekent dat artikel 2, derde lid, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen niet is overtreden en dat verweerder niet bevoegd was tot het opleggen van de bestuurlijke boetes. Voorts volgt hieruit dat de minister van Economische Zaken en niet verweerder bevoegd is tot enige handhaving indien artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG) 2073/2005 en de daarbij behorende bijlage I door eiseres niet zou zijn nageleefd.

6. Gelet hierop kunnen de besluiten op bezwaar van 4 februari 2014 en 27 oktober 2014 geen stand houden. De beroepen zijn daarom gegrond. De rechtbank zal met inachtneming van artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak voorzien door de primaire besluiten van 26 april 2013 en 11 juli 2014 te herroepen.

7. Verweerder dient eiseres het door haar betaalde griffierecht te vergoeden. De rechtbank veroordeelt verweerder tevens in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.960,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en wegingsfactor 1 wegens de samenhang van de zaken). Voorts komen voor vergoeding in aanmerking reiskosten van W. van der Meer tot een bedrag van

€ 51,40 (heen- en terugreis op basis van openbaar vervoer 2e klasse) en verletkosten van hem tot het gevorderde bedrag van € 400,-. Hetgeen eiseres daarboven als proceskosten heeft opgevoerd komt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voor vergoeding in aanmerking.

Waarvan proces-verbaal.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.