Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:4691

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
14-07-2015
Zaaknummer
C-10-462393 - HA ZA 14-1082
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot terugbetaling van een lening. Gedaagde is niet aan te merken als borg. De geldverstrekker had gedaagde moeten informeren over te late rentebetalingen van geringe duur door een medeschuldenaar. De lening is niet op grond van art. 6:38 BW opeisbaar. Redelijkheid en billijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/462393 / HA ZA 14-1082

Vonnis van 1 juli 2015

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. drs. A.J.F. Gonesh te 's-Gravenhage,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats2],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 4 maart 2015 waarbij een comparitie is gelast, en de daarin genoemde processtukken;

  • -

    de bij B8-formulier d.d. 10 april 2015 toegezonden producties van [eiser];

  • -

    de bij brief van 22 april 2015 toegezonden productie van [gedaagde];

  • -

    de bij B8-formulier d.d. 6 mei 2015 toegezonden productie van [eiser];

  • -

    de bij brief van 6 mei 2015 toegezonden productie van [gedaagde];

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 7 mei 2015, de brief van [gedaagde] d.d. 20 mei 2015 en de brief van [eiser] d.d. 21 mei 2015 met opmerkingen over het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

2.1.

[eiser] is de oom van [gedaagde]. Zij hebben een samenwerkingsverband gehad dat inmiddels is beëindigd. Sindsdien zijn de verhoudingen tussen hen beiden verstoord.

2.2.

De onroerende zaak aan de [adres] (hierna: de woning) heeft deel uitgemaakt van een onverdeelde boedel uit een erfenis van de echtgenoot van [persoon1] (hierna: [persoon1]), de schoonmoeder van [gedaagde]. [persoon1] was één van de erfgenamen. Zij heeft de andere erfgename uitgekocht.

2.3.

Op 16 juli 2013 hebben [eiser], [persoon1] en [gedaagde] een overeenkomst gesloten waarin staat dat [eiser] een bedrag van € 50.000,00 aan [persoon1] en [gedaagde] heeft verstrekt in verband met de financiering van de aankoop van de woning. In deze overeenkomst (hierna: de overeenkomst van geldlening) is [eiser] aangeduid als Partij 1 en zijn [persoon1] en [gedaagde] aangeduid als Partij 2. Er staat onder meer het volgende in:

"Welke overeenkomst is tot stand gekomen onder de navolgende voorwaarden:

a. Partij 2 verbindt zich om over vorenvermelde som aan Partij 1 te zullen betalen een rente van 6 procent, verschijnend op elke eerste dag van de maand, […]

De wijze van aflossing van de lening vindt door Partijen in onderling overleg plaats en zal uiterlijk nog op nader te bepalen data alsmede onderling overleg door Partijen geschieden. Aflossing vindt in ieder geval plaats bij verkoop van de onroerende zaak gelegen aan [adres].

[…]

Het nog openstaande bedrag van de geldlening is te allen tijde terstond en zonder enige waarschuwing opeisbaar in de volgende gevallen:

 bij niet prompte voldoening van de aflossing of rente op de verschijndag;

[…]

Partij 2 zal in gebreke zijn door het enkel verloop van enige in deze schuldbekentenis overeengekomen termijn of het enkele feit van niet of niet behoorlijke nakoming of overtreding, zonder dat daartoe een bevel of soortgelijke akte noodzakelijk zal zijn."

2.4.

[persoon1] heeft de verschuldigde rente maandelijks betaald. Op een uitdraai uit het internetbankierenprogramma van [eiser] over het jaar 2014 staat dat op 6 januari, 4 februari, 4 maart, 14 april, 12 mei, 16 juni, 4 juli, 16 augustus, 15 september, 6 oktober, 4 november en 2 december (twee keer) een bedrag van € 250,00 is bijgeschreven.

Op een uitdraai uit het internetbankierenprogramma van [persoon1] staat dat een overboeking van € 250,00 naar de bankrekening van [eiser] - steeds met als omschrijving "rente aflossing lening mei 2015" - teruggeboekt is op 30 april 2015 en op 4 mei 2015.

2.5.

De woning is via een makelaar te koop aangeboden.

2.6.

Op enig moment is de woning op naam gesteld van [gedaagde]. De woning is door bemiddeling van de makelaar van 1 april 2014 tot 28 februari 2015 verhuurd geweest. [gedaagde] heeft het "Model huurcontract inzake tijdelijke verhuur op grond van artikel 15 van de Leegstandswet" als verhuurder getekend (hierna: de huurovereenkomst).

2.7.

Bij e-mail van 28 april 2014 heeft [eiser] [gedaagde] onder meer verzocht de gehele lening inclusief eventuele rente uiterlijk op 1 augustus 2014 aan hem te voldoen.

2.8.

Bij brief van 2 juni 2014 heeft [eiser] aan [gedaagde] meegedeeld dat in de door [gedaagde] ondertekende overeenkomst van geldlening geen bepaling is opgenomen waarin staat dat de lening pas zal worden afgelost bij verkoop van de woning en dat hij het geleende geld zelf nodig heeft zodat hij er niet mee kan instemmen dat de lening dan pas wordt afgelost. [eiser] heeft herhaald dat de lening op 1 augustus 2014 integraal dient te zijn afgelost.

2.9.

Bij brief van 19 augustus 2014 heeft [gedaagde] aan [eiser] onder meer meegedeeld dat mondeling is afgesproken dat de lening ineens voldaan dient te worden bij verkoop van de woning en dat [eiser] geen tussentijdse aflossingen wilde ontvangen.

2.10.

Bij brief van 3 september 2014 heeft [eiser] opnieuw aan [gedaagde] laten weten dat de geldlening onmiddellijk opeisbaar is omdat geen datum voor de nakoming van de aflossingsverplichting is afgesproken. [eiser] heeft ontkend dat is afgesproken dat de lening zou worden afgelost bij verkoop van de woning. Hij heeft [gedaagde] in de gelegenheid gesteld de lening binnen veertien dagen af te lossen.

2.11.

Na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, heeft [eiser] op 8 oktober 2014 ten laste van [gedaagde] conservatoir beslag doen leggen op de woning en op de onroerende zaak aan de [adres2].

2.12.

Bij brief van 30 januari 2015 heeft [eiser] aan [gedaagde] en [persoon1] bericht dat de verschuldigde rente over de geldlening op de eerste dag van de maand dient te zijn betaald, maar dat [gedaagde] en [persoon1] zich niet aan deze verplichting hebben gehouden zodat het openstaande bedrag van de geldlening zonder enige waarschuwing opeisbaar is. [eiser] heeft [gedaagde] en [persoon1] verzocht het openstaande bedrag van € 50.000,00, vermeerderd met de lopende rente, binnen zeven dagen na dagtekening van de brief te voldoen.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiser] van het bedrag van € 50.000,00, te vermeerderen met de contractuele rente ad 6% tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede tot betaling van de buitengerechtelijke kosten welke worden gevorderd ten titel van vermogensschade, een en ander zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub c BW en op basis van de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten te begroten op € 1.275,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van betekening van het te wijzen vonnis tot aan de datum der algehele voldoening;

2. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding conform het liquidatietarief, te begroten op € 131,00 dan wel in geval van betekening op € 199,00.

3.2.

Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vorderingen en - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. [eiser] veroordeelt tot opheffing van de conservatoire beslagen gelegd op de onroerende zaken gelegen aan de [adres] en de [adres2], op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag zolang hij hiermee in gebreke blijft, en [eiser] verbiedt nieuwe conservatoire beslagen te leggen ten laste van [gedaagde] op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat hij hiermee in gebreke blijft;

2. [eiser] veroordeelt in de kosten van de procedure in reconventie.

3.5.

Het ter comparitie gevoerde verweer van [eiser] strekt tot afwijzing van de vordering tot opheffing van de beslagen.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] gehouden is tot aflossing van het restant van de door [eiser] verstrekte geldlening, welk restant bij de overeenkomst van geldlening van 16 juli 2013 is vastgesteld op € 50.000,00. [eiser] heeft daaromtrent aangevoerd dat in die overeenkomst geen tijd voor nakoming van de verplichting tot aflossing is bepaald zodat [gedaagde] als hoofdelijk medeschuldenaar op grond van artikel 6:38 BW gehouden is de geldlening op eerste verzoek van [eiser] af te lossen. [eiser] heeft voorts aangevoerd dat hij de rentebetalingen regelmatig te laat heeft ontvangen waardoor de lening op grond van het bepaalde onder d. van de overeenkomst van geldlening direct opeisbaar is. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat hij gehouden is de geldlening af te lossen.

4.2.

Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] houdt in dat hij de overeenkomst van geldlening enkel heeft ondertekend teneinde [eiser] meer zekerheid te verschaffen voor het geval [persoon1], de kredietnemer, niet in staat zou zijn aan haar verplichtingen uit die overeenkomst te voldoen. Hij is van mening dat hij zich dus enkel borg heeft gesteld voor de schulden van [persoon1] zodat [eiser] eerst haar dient aan te spreken. Omdat [persoon1] haar verplichtingen steeds is nagekomen, is er volgens [gedaagde] geen reden om hem tot betaling aan te spreken.

4.3.

Een partij die zich borg stelt, verplicht zich jegens de schuldeiser de schuld van een ander te voldoen. In de overeenkomst van geldlening zijn [persoon1] en [gedaagde] echter zonder onderscheid gezamenlijk als "Partij 2" aangeduid. Daarbij komt dat de geldlening is verstrekt voor de financiering van de woning die op naam staat van [gedaagde] - waardoor hij als eigenaar is te beschouwen - en dat hij degene is die als verhuurder de huurovereenkomst heeft getekend. Daarom gaat het verweer van [gedaagde] niet op dat hij zich borg heeft gesteld voor een schuld die hem niet aangaat. De rechtbank merkt hem - in ieder geval - aan als medeschuldenaar. Of hij hoofdelijk medeschuldenaar is zoals [eiser] stelt, kan thans in het midden blijven. Wel verdient opmerking dat het enkele feit dat in de overeenkomst van geldlening tussen de namen van [persoon1] en [gedaagde] het woordje "en" staat - zonder toelichting, die ontbreekt - onvoldoende is om in afwijking van de hoofdregel van artikel 6:6 BW aan te nemen dat [persoon1] en [gedaagde] hoofdelijk verbonden zijn.

4.4.

De rechtbank zal hierna eerst bespreken of de geldlening opeisbaar is omdat [persoon1] en/of [gedaagde] niet aan hun verplichtingen hebben voldaan.

4.5.

[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat de rente regelmatig te laat werd betaald verwezen naar de door hem overgelegde uitdraai uit zijn internetbankierenprogramma (zie 2.4). Daaruit volgt dat de rente niet voor of op iedere eerste dag van de maand is betaald, zoals in de overeenkomst van geldlening onder a. is overeengekomen. Het bedrag van € 250,00 is vaak binnen een week daarna en in een aantal gevallen binnen twee weken daarna betaald.

[gedaagde] heeft tot zijn verweer aangevoerd dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dat de geldlening door deze korte termijnoverschrijdingen direct opeisbaar is geworden.

4.6.

De rechtbank is van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiser] zich op het bepaalde onder d. van de overeenkomst van geldlening beroept. De omstandigheden die hierbij een rol spelen zijn de volgende:

  1. de termijnoverschrijdingen zijn steeds van korte duur, de rente is steeds voldaan ruimschoots voordat de volgende termijn verviel;

  2. [eiser] heeft nooit laten blijken dat hij de te late betalingen problematisch vond en heeft evenmin gesteld dat hij voorafgaand aan deze procedure ooit met [gedaagde] heeft gesproken over de termijnoverschrijdingen;

  3. tussen [gedaagde] en [eiser] bestaat een familierelatie;

  4. [persoon1] is een voormalige cliënte van [eiser].

Gelet op deze omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de rechtbank het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [eiser] het openstaande bedrag in deze procedure terstond opeist, te meer nu [eiser] slechts van [gedaagde] terugbetaling van de geldlening verlangt, hoewel de te late betalingen door [persoon1] zijn gedaan. [eiser] wist dat [persoon1] de rente betaalde en hij kon als waarschijnlijk aannemen dat [gedaagde] niet wist van de relatief korte termijnoverschrijdingen. Mede gelet op de familierelatie had hij [gedaagde] hiervan daarom eerst op de hoogte behoren te stellen zodat [gedaagde] de gelegenheid kreeg om voor correcte nakoming van de rentebetalingsverplichting te zorgen. Gelet op de geringe duur van de termijnoverschrijdingen, is ook alleszins aannemelijk dat tijdige betaling niet op problemen zou stuiten. Dat [persoon1] aan haar rentebetalingsverplichtingen wil voldoen volgt ook uit de door [gedaagde] overgelegde uitdraaien uit het internetbankierenprogramma van [persoon1], Daarop staat dat op 30 april 2015 de rentebetaling over de maand mei is teruggeboekt en dat dit bedrag na een nieuwe poging tot betaling, op 4 mei 2015 opnieuw is teruggeboekt. [eiser] heeft daarover opgemerkt dat dit zijn oorzaak vindt in een wijziging van zijn bankrekeningnummer.

De omstandigheid dat de te late rentebetalingen in de dagvaarding niet als grond voor opeisbaarheid van de geldlening wordt genoemd maar dat [eiser] dit pas op de comparitie heeft aangevoerd, doet bovendien vermoeden dat de reden voor het opeisen van de geldlening niet zo zeer is dat de rente te laat is betaald, maar dat de verhoudingen tussen [eiser] en [gedaagde] inmiddels verstoord zijn.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het (thans) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de geldlening terstond opeisbaar is omdat [persoon1] de rentetermijnen regelmatig een aantal dagen te laat betaalde.

4.7.

De rechtbank onderzoekt hierna of de geldlening opeisbaar is op grond van artikel 6:38 BW. In dat artikel staat onder meer dat terstond nakoming kan worden gevorderd indien geen tijd voor de nakoming van een verbintenis - zoals die tot aflossing van een geldlening - is bepaald.

4.8.

Volgens [eiser] is in de overeenkomst van geldlening geen tijd voor de verplichting tot aflossing van de geldlening bepaald zodat [gedaagde] gehouden is het bedrag van € 50.000,00 te betalen zodra hij daarom verzoekt. Dit is door [gedaagde] bestreden. Hij heeft aangevoerd dat in de overeenkomst staat dat nader overleg dient plaats te vinden over de wijze en de tijdstippen waarop wordt afgelost en dat in ieder geval wordt afgelost bij verkoop van de woning. Volgens [gedaagde] heeft mondeling nader overleg plaatsgevonden en is toen afgesproken dat alleen rente betaald hoeft te worden en dat de lening integraal afgelost dient te worden bij verkoop van de woning. [eiser] heeft bestreden dat deze nadere mondelinge afspraak is gemaakt.

Uit het bepaalde onder b. in de geldleningsovereenkomst is op te maken dat partijen nader overleg zouden voeren over de wijze van aflossing en de data waarop afgelost zou worden. Hieruit volgt niet - anders dan [eiser] meent - dat in het geheel geen tijd voor nakoming van de aflossingsverbintenis is bepaald. Overeengekomen is juist dat hierover overlegd zou worden. Bij het sluiten van de overeenkomst van geldlening moet daarom de bedoeling van [eiser], [gedaagde] en [persoon1] zijn geweest om gezamenlijk een aflossingsschema op te stellen, waarbij toen al duidelijk was dat de schuld in elk geval bij verkoop van de woning algeheel zou worden afgelost. Nu [eiser] zich op het standpunt stelt dat geen overleg heeft plaats gevonden terwijl hij verlangt dat op de lening wordt afgelost, had het op zijn weg gelegen een dergelijk overleg te starten.

De rechtbank oordeelt daarom dat de vordering dat [gedaagde] een bedrag van € 50.000,00 aan [eiser] moet betalen als aflossing van de geldlening er niet op kan worden gegrond dat terstond nakoming van de aflossingsverplichting kan worden gevorderd omdat geen tijd voor nakoming is bepaald.

4.9.

Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering zal worden afgewezen. De rechtbank vindt in het door [gedaagde] gestelde aanleiding nog het volgende op te merken. Ook indien veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat mondeling is afgesproken dat de lening tot het moment van verkoop van de woning niet hoeft te worden afgelost, betekent dit niet - anders dan [gedaagde] lijkt aan te nemen - dat deze afspraak niet zou kunnen worden gewijzigd. Hiervoor kan aanleiding zijn indien de onvoorziene omstandigheid zich voordoet dat verkoop van de woning uitblijft (zie de door [gedaagde] als productie 4 overgelegde e-mail van 15 december 2014 van de makelaar waarin staat dat voor koop nog steeds geen belangstelling bestaat) in welk geval het tijdstip van nakoming aan de hand van de redelijkheid en billijkheid dient te worden vastgesteld. Voor het overeenkomen van een aflossingsschema is te meer aanleiding omdat de verhouding tussen [eiser] en [gedaagde] intussen is vertroebeld. Van [eiser] kan daarom niet worden verlangd dat de geldlening tot in lengte van jaren blijft voortbestaan zonder enig zicht op aflossing. [eiser] ontvangt weliswaar een rentevergoeding tegen een tarief dat als zakelijk kan worden beschouwd, maar - zoals hiervoor is overwogen - spelen ook de vertroebelde verhoudingen een rol. Gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen kan [gedaagde] zich bij dit overleg niet met vrucht op het standpunt stellen dat hij geen partij is bij de overeenkomst van geldlening.

4.10.

Nu de vordering van [eiser] zal worden afgewezen, ziet de rechtbank geen aanleiding [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

4.11.

[eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 586,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 2.374,00

in reconventie

4.12.

[gedaagde] verlangt dat de op de woning en de onroerende zaak aan de [adres2] gelegde conservatoire beslagen worden opgeheven.

Gelet op hetgeen in conventie is overwogen - met als slotsom dat de vordering van [eiser] zal worden afgewezen - zal de rechtbank de beslagen opheffen.

4.13.

De gevorderde dwangsom zal worden beperkt tot een bedrag van maximaal € 10.000,00.

4.14.

De vordering dat het [eiser] wordt verboden nieuwe conservatoire beslagen ten laste van [gedaagde] te leggen zal als te onbepaald en te ruim geformuleerd worden afgewezen.

4.15.

[eiser] zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op salaris advocaat € 894,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 894,00).

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 2.374,00;

5.3.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

5.4.

heft op de op 8 oktober 2014 ten laste van [gedaagde] op de onroerende zaken gelegen aan de [adres] en de [adres2] gelegde beslagen;

5.5.

veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag dat hij niet aan de in 5.4 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;

5.6.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 894,00;

5.7.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. T. Boesman en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2015.

2066 / 2309