Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:4667

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
06-07-2015
Zaaknummer
ROT 14-7829
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2016:3584, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schending inlichtingenplicht Wwb. Boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 14/7829

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juli 2015 in de zaak tussen

[eiseres], te Capelle aan den IJssel, eiseres,

gemachtigde: mr. M.S. Krol,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel, verweerder,

gemachtigde: M. Cavlak.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2014 (primair besluit I) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) over de periode van 1 januari 2013 tot 1 juni 2014 herzien en een bedrag van € 7.287,04 van eiseres teruggevorderd. Verder heeft verweerder besloten dat de bijstandsuitkering van eiseres met ingang van 1 juli 2014 met
€ 200,- wordt gekort.

Bij besluit van 4 augustus 2014 (primair besluit II) heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 4.960,84.

Bij besluit van 2 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 9 juli 2014 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2015. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.F.H. Tamboenan. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt zich terecht op het standpunt dat in het bestreden besluit niet is beslist op haar bezwaar tegen primair besluit II. De enkele verwijzing in het bestreden besluit naar het advies van de commissie voor de bezwaarschriften, in welk advies wel overwegingen zijn gewijd aan het bezwaar tegen primair besluit II, is onvoldoende om een beslissing over primair besluit II in het bestreden besluit “in te lezen”. De rechtbank acht daarbij van belang dat uit het bestreden besluit niet blijkt of en in hoeverre verweerder dit advies ook wat betreft het bezwaar tegen primair besluit II heeft overgenomen.

Nu verweerder bij het bestreden besluit niet op het bezwaar tegen primair besluit II heeft beslist, is deze beroepsprocedure beperkt tot de beoordeling van de rechtmatigheid van de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen primair besluit I in het licht van de daartegen aangevoerde gronden. Voor zover eiser in zijn beroepschrift gronden heeft gericht die betrekking hebben op primair besluit II, behoeven deze dus geen bespreking.

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder, onder overname van het advies van de bezwaarschriftencommissie van 25 september 2014, ten grondslag gelegd dat eiseres over de periode 1 januari 2013 tot 1 juni 2014 inkomsten uit kinderalimentatie van haar ex‑partner [ex-partner] heeft ontvangen. Nu eiseres in de periode van 2007 tot 2010 ook alimentatie heeft ontvangen die is gekort op haar uitkering, mocht van haar worden verwacht dat zij zou doorgeven dat zij opnieuw alimentatie ontving. Wat betreft het van [ex-partner] ontvangen bedrag van € 1000,- in januari 2013, heeft eiseres niet aangetoond dat sprake is van een lening. Daarom is de uitkering terecht herzien bij primair besluit I. Van dringende omstandigheden die aan terugvordering in de weg staan is niet gebleken, aldus verweerder.

3. Eiseres voert tegen het bestreden besluit aan dat zij haar inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Het was niet nodig om de stortingen van € 200,- te melden aan verweerder aangezien verweerder hiervan op de hoogte was. Voorheen werd dit bedrag aan verweerder overgemaakt en daarna op rekening van eiseres gestort. Dat verweerder nu geen verhaalsonderzoek heeft gedaan, mag niet voor rekening van eiseres komen. Bovendien heeft verweerder onnodig stilgezeten, waardoor eiseres in de schulden is gekomen.

Eiseres voert verder aan dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden, als gevolg waarvan verweerder niet tot herziening en terugvordering mocht overgaan. In dat verband wijst zij erop dat zij inwonende minderjarige kinderen heeft die aan ADHD lijden. Haar kind kan inmiddels geen medicijnen meer krijgen omdat [ex-partner] geen betalingen meer verricht. Eiseres ervaart grote spanning omdat zij haar kinderen niet kan verzorgen. De medicijnen komen niet voor vergoeding in aanmerking.

4. Met ingang van 1 januari 2015 is de Wwb gewijzigd en vernoemd tot Participatiewet. Uit het daarbij gegeven overgangsrecht volgt dat dit geding wordt beoordeeld naar het voor die datum geldende recht, dus de Wwb.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Wwb, voor zover hier van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Op grond van de artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, zoals deze bepaling luidde tot 1 juli 2013 (oud) en voor zover hier van belang, kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Met ingang van 1 juli 2013 is verweerder in een dergelijk geval, behoudens dringende redenen, op grond van artikel 54, derde lid, verplicht om tot herziening of intrekking over te gaan.

Op grond van artikel 58, eerste lid, van de Wwb, zoals deze bepaling luidt sinds 1 januari 2013, vordert het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.

Op grond van het achtste lid, zoals deze bepaling sinds 1 januari 2013 luidt, kan, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres in strijd met haar inlichtingenplicht heeft gehandeld door niet aan verweerder te melden dat zij alimentatie en/of bedragen van haar ex-partner ontving. Het had eiseres redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat deze alimentatie-inkomsten van invloed konden zijn op haar recht op bijstand. Het had dan ook op de weg van eiseres gelegen om van de inkomsten uit eigen beweging mededeling te doen aan verweerder. De stelling van eiseres dat verweerder verhaalsonderzoek had moeten doen, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder is daartoe immers niet gehouden. Sinds de invoering van de Wet werk en bijstand (1 januari 2004) is verhaal van bijstand (wegens onderhoudsplicht) (artikel 61 Wwb en verder) niet langer een verplichting, maar een bevoegdheid. De verantwoordelijkheid om haar inlichtingenplicht na te komen ligt dan ook volledig bij eiseres.

5.1

Dat het in januari 2013 door [ex-partner] gestorte bedrag van € 1.110,84 een lening betreft heeft eiseres, mede gelet op hetgeen de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 9 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1888 heeft overwogen, niet aannemelijk gemaakt. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat de gemachtigde van eiseres desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat het eiseres ondanks haar eerdere aankondiging niet lukt hierover nader bewijs te verstrekken. Verweerder heeft dit bedrag dan ook terecht als inkomsten bij de herziening betrokken.

5.2

Het betoog van eiseres dat verweerder onnodig lang heeft stilgezeten, waardoor haar schuldenlast is opgelopen, vat de rechtbank op als een beroep op de zesmaanden-jurisprudentie. De rechtbank oordeelt, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, bijvoorbeeld van 17 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:907, dat dit beroep faalt, reeds omdat voor toepassing van de zesmaanden-jurisprudentie in WWB-zaken in beginsel geen plaats is indien, zoals in dit geval, sprake is geweest van het niet tijdig, niet juist of onvolledig verstrekken van voor de beoordeling van het recht op bijstand relevante informatie.

5.3

Verweerder was dan ook (tot 1 juli 2013) bevoegd en (vanaf 1 juli 2013) gehouden over de datum hier in geding tot intrekking van het recht op bijstand over te gaan, waarbij de rechtbank van oordeel is, voor zover het de periode tot 1 juli 2013 betreft, dat verweerder in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken en voor zover het de periode daarna betreft, dat verweerder terecht tot intrekking is overgegaan. Nu de grondslag voor de herziening - artikel 54, derde lid, van de Wwb - in het in bezwaar gehandhaafde primair besluit I duidelijk is vermeld, volgt de rechtbank niet de stelling van eiseres dat het besluit op dit punt niet voldoende is gemotiveerd. Het beroep van eiseres op de ‘rechtsbeginselen van algemeen bestuursrecht’ is niet nader gemotiveerd en zal daarom verder onbesproken blijven.”

5.4

Verder heeft verweerder de teveel aan eiseres betaalde uitkering terecht teruggevorderd. Van dringende redenen op grond waarvan verweerder daarvan had moeten afzien, is de rechtbank niet gebleken. Eiseres heeft niet onderbouwd dat zij de kosten voor medicijnen voor haar kinderen daadwerkelijk moet voldoen en zo ja, hoe hoog deze dan zijn. Verder acht de rechtbank van belang dat verweerder in primair besluit I heeft vermeld dat hij de ten onrechte verstrekte uitkering maandelijks met de uitkering van eiseres verrekent en daarbij de beslagvrije voet in acht neemt.

6. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond wordt verklaard.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, voorzitter, en mr. A.I. van Strien en mr. A.C. Rop, leden, in aanwezigheid van mr. J.J. van Giezen-Groenewoud, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.