Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:4651

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-07-2015
Datum publicatie
03-07-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 7382
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CBB:2016:306, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet toezicht trustkantoren (Wtt). Intrekking vergunning tot het verlenen van trustdiensten. DNB heeft aannemelijk gemaakt dat (d) vanaf de oprichting binnen (a) een (mede)beleidsbepalende rol heeft gehad en dat hij houder is van een middellijke, gekwalificeerde deelneming in de zin van artikel 1, aanhef en onder g, van de Wtt. DNB stelt zich terecht op het standpunt dat (a) door haar handelwijze bewust een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven, waarmee zij heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Wtt en artikel 5 van de Wtt. DNB heeft in redelijkheid tot intrekking van de vergunning kunnen overgaan.

Wetsverwijzingen
Wet toezicht trustkantoren
Wet toezicht trustkantoren 3
Wet toezicht trustkantoren 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2015/265 met annotatie van mr. drs. M. Van Eersel
JOR 2015/265 met annotatie van mr. drs. M. Van Eersel
JONDR 2015/1172

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 14/7382

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juli 2015 in de zaak tussen

[a], eiseres,

gemachtigde: mr. G.P. Roth en mr. J.S. Roepnarain,

en

de naamloze vennootschap de Nederlandsche Bank N.V. (DNB), te [b], verweerster,

gemachtigde: mr. drs. S.M. Peek en mr. J. Tonino.

Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2014 (het primaire besluit) heeft DNB de op grond van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) aan [a] verleende vergunning per 28 juli 2014 ingetrokken.

Bij besluit van 16 september 2014 (het bestreden besluit) heeft DNB het bezwaar van [a] tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

[a] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2015. [a] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, mr. J.S. Roepnarain, die werd vergezeld door [c] en [d]. DNB heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden, die werden vergezeld door

mr. G.J. Michiels van Kessenich, senior jurist bij DNB.

Overwegingen

1.1.

[a] had een vergunning voor het verrichten van trustdiensten. Bij de aanvraag van deze vergunning zijn [e], [f], [g] en [h] vermeld als oprichters van [a] en houders van een gekwalificeerde deelneming. [e], [i] en [c] zijn bij de vergunningaanvraag vermeld als bestuurders. De vragen wie de commissarissen zijn van het trustkantoor en wie anders dan als bestuurder of commissaris (mede) het beleid van het trustkantoor bepalen, zijn op het aanvraagformulier beantwoord met “n.v.t.”.

1.2.

Per 1 oktober 2012 is [j] enig bestuurder van [a]. [f], [g] en [k] zijn ieder houder van 33,33% van de aandelen van [a] (gedeeltelijk rechtstreeks en gedeeltelijk via een andere rechtspersoon). [i] en [c] zijn directeur/enig aandeelhouder van respectievelijk [f] en [g]

1.3.

Op 8 november 2007 heeft DNB een toezichtbezoek op het kantoor van [a] afgelegd ter controle op de naleving van de wet- en regelgeving op het gebied van cliëntacceptatie. Naar aanleiding van de bevindingen tijdens dit toezichtbezoek heeft DNB [a] gevraagd naar de rol en positie van [d] binnen [a]. [a] heeft in reactie hierop bij brief van 10 december 2007 het volgende verklaard: “De heer [d] heeft geen betrokkenheid bij [a]. Hij kan derhalve niet worden aangemerkt als een beleidsbepaler, noch is hij actief in een integriteitsgevoelige functie. Als zelfstandig dienstverlener is hij echter in bepaalde gevallen adviseur van relaties welke eveneens behoefte hebben aan trustdiensten.”

1.4.

Bij brief van 8 januari 2008 heeft DNB aan [a] laten weten dat zij bij het toezichtbezoek van 8 november 2007 verschillende overtredingen van de bepalingen van de Wtt en de Sanctiewet 1977 heeft geconstateerd. Daarnaast heeft zij in deze brief nogmaals gewezen op de geconstateerde relatie tussen [a] en [d].

1.5.

Op 20 mei 2008, 17 september 2008 en 4 maart 2009 heeft DNB bij [a] onderzoek gedaan naar de naleving van de Wtt. Deze onderzoeken hebben ertoe geleid dat DNB op 8 juni 2009 aan [a] een last onder dwangsom heeft opgelegd. In het kader van de controle op de uitvoering van de last heeft DNB [a] verschillende keren bezocht. Omdat [d] telkens bij de gesprekken met DNB aanwezig was, heeft DNB [a] bij brief van 29 september 2009 opnieuw gewezen op de geconstateerde relatie tussen [a] en [d]. In deze brief heeft DNB er tevens op gewezen dat het op de weg van [a] ligt de betrouwbaarheid van [d] te toetsen, omdat hij optreedt in een integriteitsgevoelige functie. Bij brief van 13 oktober 2009 heeft [a] aan DNB laten weten dat dit onderzoek naar de betrouwbaarheid van [d] heeft plaatsgevonden en dat er geen aanleiding is te twijfelen aan zijn betrouwbaarheid.

1.6.

Bij brieven van 19 en 23 maart 2012 heeft [a] bij DNB melding gemaakt van de beslaglegging door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD). DNB heeft hierop verschillende gesprekken gevoerd met de bestuurder en drie aandeelhouders van [a], te weten [j], [i], [c] en [k]. In die gesprekken hebben de aandeelhouders verklaard dat zij ieder in een strafrechtelijk onderzoek als verdachte zijn aangemerkt en verschillende keren door de FIOD zijn verhoord. In september 2013 heeft de FIOD aan DNB toestemming gegeven gebruik te maken van de stukken en getuigenverklaringen uit het betreffende strafdossier voor het toezicht op de naleving van de Wtt door [a]. Bij brief van 4 november 2013 heeft DNB het voornemen geuit om de vergunning van [a] in te trekken.

1.7.

Bij het primaire besluit heeft DNB op basis van de bevindingen van haar bezoeken aan [a] en de inhoud van de door de FIOD aan haar ter beschikking gestelde stukken uit het vermelde strafdossier de aan [a] verleende vergunning op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Wtt ingetrokken. DNB heeft aan die beslissing ten grondslag gelegd dat [d] vanaf de vergunningaanvraag en nog steeds feitelijk het beleid van [a] (mede)bepaalt en houder is van een gekwalificeerde deelneming in [a], eerst via [i] en sinds 2008 via [k], zonder dat [a] [d] als (mede)beleidsbepaler en houder van een gekwalificeerde deelneming in haar vergunningaanvraag heeft vermeld. Indien [a] dit wel had gedaan dan had DNB, gezien de aard en ernst van de verdenkingen van het Openbaar Ministerie (OM) die ten tijde van de vergunningaanvraag tegen [d] bestonden, de vergunningaanvraag afgewezen omdat zijn betrouwbaarheid niet buiten twijfel stond. Indien [d] pas op een later moment (mede)beleidsbepaler van en/of houder van een gekwalificeerde deelneming in [a] zou zijn geworden, dan heeft [a] volgens DNB in de jaren na de vergunningaanvraag in elk geval voortdurend haar meldingsplicht geschonden.

1.8.

[a] heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank gevraagd bij wijze van voorlopige voorziening het primaire besluit te schorsen. De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 4 juli 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:7391) [a] niet in haar standpunt gevolgd dat DNB ten onrechte de aan [a] verleende vergunning op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Wtt heeft ingetrokken.

2. Aan het bestreden besluit heeft DNB ten grondslag gelegd dat de vergunning van [a] terecht is ingetrokken, omdat [d] vanaf de vergunningaanvraag en nog steeds is aan te merken als (mede)beleidsbepaler en als houder van een gekwalificeerde deelneming in [a]. Indien [a] ten tijde van de vergunningaanvraag had aangegeven dat [d] bestuurder zou worden van [a], dan wel dat hij houder zou worden van een gekwalificeerde deelneming in [a], dan had DNB aan [a] geen vergunning verleend voor het verrichten van trustdiensten omdat ten tijde van de aanvraag de betrouwbaarheid van [d] niet buiten twijfel stond. DNB is zich bewust van de gevolgen die de intrekking voor [a] heeft, maar is van oordeel dat de intrekking vanwege de ernst en verwijtbaarheid van de normschendingen door [a] een passende en proportionele maatregel is om het beoogde resultaat te bereiken.

3. [a] voert aan dat DNB in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel door zich vrijwel volledig te baseren op stukken die onderdeel uitmaken van het procesdossier in een nog lopende strafzaak zonder verder zelf aanvullend onderzoek te doen. Volgens [a] heeft DNB ook niet kennisgenomen van het volledige strafdossier, waarin mogelijk ontlastende stukken kunnen zitten, die nu door DNB niet bij de beoordeling zijn betrokken.

3.1.

Op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vergaart het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

3.2.

De rechtbank volgt [a] niet in haar standpunt dat DNB in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel. DNB mocht zich voor de feitelijke grondslag van haar oordeel baseren op de gegevens uit het door de FIOD verrichte strafrechtelijk onderzoek en in beginsel uitgaan van de juistheid daarvan. Zij was niet zonder meer gehouden naar de juistheid van de uit dat onderzoek gebleken feiten nader onderzoek te doen. In het geval [a] de juistheid en/of volledigheid van die feiten in de bestuurlijke fase zou hebben bestreden, had dat mogelijk aanleiding behoren te vormen voor nader onderzoek, maar [a] heeft dat nagelaten. Dat DNB niet beschikte over het volledige strafdossier maakt dit niet anders. [a] beschikt als verdachte over het volledige strafdossier, zodat het op haar weg lag om ontbrekende relevante stukken te overleggen, die DNB dan bij haar oordeelsvorming had moeten betrekken. Er is dus geen grond voor het oordeel dat de feitelijke grondslag van het bestreden besluit niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

3.3.

De beroepsgrond faalt.

4. [a] voert verder aan dat DNB handelt in strijd met het verbod van détournement de pouvoir door haar toezichtinstrumenten in te zetten met als doel om het OM te faciliteren in een strafzaak.

4.1.

Op grond van artikel 3:3 van de Awb gebruikt het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.

4.2.

DNB heeft weersproken dat zij haar toezichtinstrumenten heeft ingezet om het OM te faciliteren in de rond [a] lopende strafzaak. Uit het feit dat DNB [a] in de periode 2007 tot 2013 geen handhavingsmaatregel heeft opgelegd die betrekking had op [d], terwijl DNB toen al twijfels had over de betrokkenheid van [d], blijkt, anders dan [a] meent, niet dat DNB met de intrekking van de vergunning beoogde het OM te faciliteren. DNB heeft verklaard dat zij eerder al vermoedens had van de betrokkenheid van [d] binnen [a] en [a] daar ook naar bevraagd heeft, maar dat zij pas bewijzen had na het onderzoek van de FIOD. Het dossier bevat ook verder geen aanknopingspunten voor het oordeel dat DNB haar toezichtinstrumenten heeft ingezet voor een ander doel dan waarvoor die zijn gegeven. Dat DNB een standpuntbepaling aan het OM heeft gegeven is ook geen reden om aan te nemen dat er een onoorbaar nauwe samenwerking was tussen het OM en DNB.

4.3.

De beroepsgrond faalt.

5. Voor de beroepsgrond dat het bestreden besluit niet duidelijk maakt op welke wettelijke grondslag de bevoegdheid tot intrekking van de vergunning is gebaseerd, ontbreekt een feitelijke grondslag. In het bestreden besluit staat dat de vergunning is ingetrokken op grond van artikel 6, aanhef, en onder e en f, van de Wtt en de motivering laat er geen twijfel over bestaan dat DNB beide intrekkingsgronden toepasselijk acht en aan [a] tegenwerpt. Of dat terecht is wordt hierna beoordeeld.

6. [a] voert ten principale aan dat DNB zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [d] ten tijde van de vergunningverlening (mede)beleidsbepaler was en steeds is gebleven, alsmede dat [d] houder was van een gekwalificeerde deelneming, zodat DNB zich ten onrechte bevoegd heeft geacht toepassing te geven aan de vermelde intrekkingsgronden.

6.1.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder g, van de Wtt wordt onder ‘gekwalificeerde deelneming’ verstaan: een rechtstreeks of middellijk belang van ten minste 10 procent van het geplaatste aandelenkapitaal of een daarmee vergelijkbaar belang, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van ten minste 10 procent van de stemrechten of een daarmee vergelijkbare zeggenschap.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wtt, voor zover hier van belang, verstrekt de aanvrager van een vergunning de volgende gegevens:

a. de identiteit en de antecedenten van de bestuurders en commissarissen van het trustkantoor;

b. de identiteit en de antecedenten van degenen die het beleid van het trustkantoor bepalen of mede bepalen;

c. de identiteit en de antecedenten van degenen die een gekwalificeerde deelneming houden in het trustkantoor, alsmede de omvang van de desbetreffende gekwalificeerde deelneming.

Op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wtt verleent de toezichthouder een vergunning tenzij hij op grond van de voornemens of de antecedenten van de personen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen a, b of c, van oordeel is dat de betrouwbaarheid van een van deze personen niet buiten twijfel staat.

Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wtt meldt een trustkantoor vooraf schriftelijk aan de toezichthouder een wijziging van de gegevens, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen a, b of c, voor zover het de identiteit van de daar genoemde personen betreft, of van de gegevens, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel d.

Op grond van het derde lid van artikel 5 van de Wtt meldt het trustkantoor, indien zich een wijziging voordoet in de antecedenten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen a, b, of c, dan wel in de gegevens, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen e tot en met g, deze onverwijld schriftelijk aan de toezichthouder.

Op grond van artikel 6 van de Wtt, voor zover hier van belang, kan de toezichthouder een vergunning intrekken:

e. in geval de houder in gebreke blijft om te voldoen aan de verplichtingen, hem bij of krachtens deze wet opgelegd;

f. in geval de toezichthouder informatie bekend wordt die, was zij hem bekend geweest op het moment van het verlenen van de vergunning, ertoe zou hebben geleid dat de vergunning niet zou zijn verleend.

6.2.

In aanmerking genomen de stukken en verklaringen, in samenhang bezien, is DNB naar het oordeel van de rechtbank terecht tot de slotsom gekomen dat zowel ten tijde van de oprichting van [a] als daarna de feitelijke daden en positie van [d] bij [a] kwalificeren als het (mede) bepalen van het beleid én dat [d] houder was van een gekwalificeerde deelneming in [a]. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat DNB, anders dan [a] heeft aangevoerd, voor de kwalificatie terecht alle feiten in hun samenhang heeft beschouwd en niet separaat. Nu het er hier om gaat vast te stellen wat feitelijk de invloed was van [d] en hoe groot zijn middellijk belang was in [a], en niet of hij formeel was aangesteld als beleidsbepaler, dan wel beschikte over een rechtstreeks belang in [a], is bepalend het beeld dat ontstaat uit het geheel der feiten.

6.2.1.

Uit de verklaringen van [e], [i] en [c] blijkt dat [d] nauw betrokken is geweest bij de oprichting van [a]. [e] verklaart dat [d] hem heeft benaderd om met anderen [a] op te zetten en dat [d], zoals hij het heeft begrepen, de initiator was bij het oprichten van [a]. [i] verklaart dat [d] de plannen van [a] heeft uitgedacht. Samen met [e] schreef [d] het businessplan en hield hij zich bezig met de dagelijkse gang van zaken binnen [a]. Daarnaast wierf hij actief nieuwe klanten. Blijkens een e-mailbericht van 12 juni 2006 was [d] zodanig bij het werven van nieuwe klanten betrokken dat hij een nieuwe klant van [a] heeft ondergebracht in één van zijn eigen vennootschappen, totdat [a] over een vergunning beschikte. Daarnaast blijkt uit een verslag van [a] van 12 juni 2006 dat [i] 40% van de aandelen van [a] hield, in verband met een winstrecht en optie voor [d]. [a] stelt dat dit een van de plannen was en er nooit een winstrecht en optierecht is gekomen, maar uit de verklaring van [i] van 20 november 2012 blijkt dat [i] de helft van zijn aandelen in [a] aan [d] zou verkopen op het moment dat [d] geen verdachte meer was in het strafrechtelijke onderzoek. Hieruit leidt de rechtbank af dat [d] in beginsel aanspraak kon maken op 20% van de aandelen van [a], waarmee hij een aandelenpercentage in handen zou krijgen dat gelijk was aan het aandelenpercentage van de overige aandeelhouders. Dit wil niet zeggen dat [i] de helft van zijn aandelen hield voor [d], maar wel dat bij de oprichting van [a] de intentie bestond [d] materieel gezien hetzelfde te behandelen als de aandeelhouders, zij het dat dit ten tijde van de oprichting niet geformaliseerd kon worden vanwege de op [d] rustende verdenking. Voorts is de e-mail van 14 september 2006 over de oprichtingskosten ook direct aan [d] gericht, waaruit DNB terecht heeft afgeleid dat [d] ook beoogd aandeelhouder was ten tijde van de oprichting.

Uit de onderlinge correspondentie en notities van [a] blijkt verder dat [d] bij de dagelijkse gang van zaken betrokken was en als dagelijks leidinggevende betrokken is geweest bij de reorganisatie van [a]. [a] kan derhalve niet gevolgd worden in haar stelling dat [d] alleen als adviseur hierbij betrokken is geweest. [c] heeft in de verhoren op 8 januari 2013 (V22-02, p. 6) en 27 februari 2013 (V22-03, p. 4) bij de FIOD verklaard dat [d] de motor achter [a] was en medebeleidsbepaler was. In tegenstelling tot wat [a] stelt is [c] in het gehoor van 27 februari 2013 niet teruggekomen op deze verklaringen over [d]. Met het door [a] overgelegde urenoverzicht van [d] van de maand januari 2013 heeft [a] niet aannemelijk gemaakt dat [d] slechts als adviseur werkzaam was, omdat niet is vast te stellen door wie het urenoverzicht is opgesteld en of het authentiek is en daarnaast is het niet duidelijk waarom is gekozen voor de maand januari 2013 terwijl dit een periode is waarvan [a] zelf stelt dat de situatie toen anders was dan daarvoor. Voorts leidt de rechtbank uit de stukken af dat [d] binnen het bestuur van [a] zich uitte op een wijze die erop duidt dat hij een sturende invloed had op het beleid. Die sturende invloed vindt zijn bevestiging in de omstandigheid dat zijn voorstellen ten behoeve van het beleid stelselmatig werden opgevolgd.

6.2.2.

DNB heeft ook aannemelijk gemaakt dat [k] zijn aandelen feitelijk voor [d] hield en [d] daardoor vanaf 1 maart 2008 een middellijke, gekwalificeerde deelneming hield in [a]. [k] heeft op 22 november 2012 verklaard dat hij de aandelen [a] heeft gekocht als vriendendienst voor [d], zodat [d] kon blijven werken, en dat de aandelen [a] zijn gefinancierd door [d], omdat [k] hier geen eigen geld aan wilde besteden. [d] heeft hiertoe het initiatief genomen en alles geregeld, zo verklaart [k]. Ook uit de verklaringen van [c], [e] en [l] blijkt dat [k] weliswaar formeel houder is van de aandelen, maar dat [d] feitelijk de zeggenschap over deze aandelen heeft. Dat [d] de feitelijke zeggenschap over de aandelen van [k] heeft, vindt verder steun in een interne notitie die op 14 april 2011 door [m] aan alle bestuursleden en [d] is verzonden en waarin staat vermeld dat [d] zijn “indirecte aandeelhoudersbelang” wenst te verhogen naar 30%. Daarnaast is in een “voorstel verdeling van de aandelen [a]”, dat voor het laatst is opgeslagen op 10 mei 2011, geen aandelenpercentage voor [k], maar wel voor [d] vastgesteld. In dit voorstel wordt het aandelenpercentage voor [d] op basis van de behaalde omzet en winst vastgesteld op 35. Ook ten tijde van het bestreden besluit houdt [k], naar volgt uit het voorgaande voor [d], 33,33% van de aandelen van [a]. Dat [d] de aandelen niet daadwerkelijk in zijn bezit had doet er niet aan af dat hij wel invloed kon uitoefenen op het stemrecht van de aandelen van eerst [i] en later [k]. Dit wordt ondersteund door de verklaringen van [k] dat hij slechts aanwezig is geweest op een vergadering van aandeelhouders omdat [d] dat wilde en dat hij [d] heeft gemachtigd voor de andere vergaderingen.

6.3

Gelet op het voorgaande heeft DNB aannemelijk gemaakt dat [d] vanaf de oprichting binnen [a] een (mede)beleidsbepalende rol heeft gehad en dat hij houder is van een middellijke, gekwalificeerde deelneming in de zin van artikel 1, aanhef en onder g, van de Wtt. Het aandeel dat [d] in [a] houdt, is daarbij vergelijkbaar met dat van de overige aandeelhouders van [a]. Gelet hierop volgt de rechtbank DNB’s standpunt dat [d] binnen [a] materieel gezien eenzelfde positie had als de formele bestuurders en aandeelhouders. In de vergunningaanvraag en ook later heeft [a] [d] echter niet als (mede)beleidsbepaler opgegeven en niet opgegeven dat [d] een gekwalificeerde deelneming had in [a]. DNB stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat [a] door haar handelwijze bewust een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven, waarmee zij heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Wtt en artikel 5 van de Wtt.

6.4.

DNB heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat zij, indien zij ten tijde van de vergunningaanvraag had geweten dat [d] (mede)beleidsbepaler was, de Wtt-vergunning niet zou hebben verleend. De rechtbank overweegt hierover dat vaststaat dat ten tijde van de vergunningaanvraag van [a] tegen [d] een strafrechtelijk onderzoek liep ter zake van verdenking van (medeplegen van) witwassen (van afpersgelden). Een dergelijke verdenking is blijkens bijlage A1 van de Beleidsregel Betrouwbaarheidstoetsing aan te merken als een strafrechtelijk antecedent. Mede gelet op de aard en ernst van deze verdenking stelt DNB zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat de vereiste betrouwbaarheid van [d] als (mede)beleidsbepaler van een trustkantoor ten tijde van de vergunningaanvraag niet buiten twijfel stond, zodat zij destijds de vergunningaanvraag op grond van artikel 4, aanhef en onder a, van de Wtt had moeten afwijzen. De rechtbank volgt [a] niet in haar standpunt dat DNB onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de vergunning destijds niet zou zijn verleend aan [a]. Doordat [a] de rol van [d] niet heeft vermeld ten tijde van de aanvraag heeft [a] DNB de gelegenheid ontnomen om destijds te onderzoeken of de betrouwbaarheid van [d] buiten twijfel stond. Met hetgeen DNB thans heeft aangevoerd heeft zij deugdelijk beargumenteerd dat aan [a] met hetgeen nu bekend is destijds geen vergunning zou zijn verleend.

6.5.

De beroepsgrond faalt.

7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen was DNB bevoegd de aan [a] verleende vergunning op grond van artikel 6, aanhef en onder e en f, van de Wtt in te trekken. [a] wordt niet gevolgd in haar standpunt dat DNB artikel 6, aanhef en onder e, van de Wtt niet kan tegenwerpen, omdat [a] ten tijde van de intrekking niet meer in gebreke was. Met DNB is de rechtbank van oordeel dat ‘in gebreke blijven’ niet zo uitgelegd moet worden dat de overtreding steeds moet voortduren. Daarbij is er voldoende grond om met DNB aan te nemen dat [d] ook na het aantreden van [j] en ten tijde van de intrekking van de vergunning nog een (mede)beleidsbepalende rol speelde.

8. Aan het gebruik van de bevoegdheid tot intrekking stond, anders dan [a] betoogt, het ‘ne-bis-in-idem’-beginsel niet in de weg, reeds omdat de intrekking van de vergunning geen bestraffende sanctie is, maar een herstelsanctie, namelijk uitsluitend gericht op bescherming van de integriteit van het financiële stelsel door de situatie te herstellen in de toestand zoals deze zou zijn geweest indien [a] DNB op de hoogte had gesteld van de (mede)beleidsbepalende rol van [d] binnen [a] en zijn gekwalificeerde deelneming.

9. [a] voert tevergeefs aan dat DNB niet in redelijkheid tot intrekking van de vergunning heeft kunnen overgaan. Volgens [a] kan, gelet op alle omstandigheden van het geval, het intrekken van de vergunning niet worden aangemerkt als een proportionele en evenredige sanctie jegens haar, omdat DNB nooit eerder een toezichtmaatregel heeft ingezet en DNB heeft nagelaten te onderzoeken wat de werkzaamheden van [d] ten tijde van de intrekking waren. Voorts blijkt volgens [a] niet dat DNB de belangen voldoende heeft meegewogen, want niet blijkt dat rekening is gehouden met de belangen van de medewerkers en de belangen van de cliënten.

9.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft DNB in redelijkheid de vergunning kunnen intrekken en geen lichter middel van toezicht dan een intrekking hoeven te kiezen. Artikel 6, aanhef en onder e en f, van de Wtt is specifiek bedoeld voor de onderhavige situatie waarin naderhand informatie bekend wordt over degenen die feitelijk het beleid van een trustkantoor bepalen die, indien eerder bekend, verlening van de vergunning in de weg zou hebben gestaan. De betrouwbaarheidstoets in de Wtt maakt een essentieel onderdeel uit van het doel om de integriteit van het Nederlandse financiële stelsel te waarborgen. Door [d] niet te laten toetsen bij oprichting van [a] en evenmin op een later moment, geeft [a] er blijk van dat zij zich bewust was van het essentiële karakter van de betrouwbaarheidstoets. [a] heeft jarenlang de (mede)beleidsbepalende rol van [d] niet gemeld. De beleidsbepalers van [a] waren zich vanaf de oprichting bewust van het feit dat de vergunning alleen verleend kon worden als hun betrouwbaarheid en die van de aandeelhouders buiten twijfel stond. Desondanks hebben zij op diverse signalen van DNB dat zij twijfels had over de feitelijke positie van [d], DNB bewust onvolledig en/of onjuist geïnformeerd. De rechtbank volgt DNB in haar standpunt dat het geven van een aanwijzing of het opleggen van een bestuurlijke boete niet het beoogde effect zou hebben gehad, omdat [d] formeel geen functie had binnen [a] en geen aandelen had waarvan hij afstand kon doen. DNB heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de vergaande verwevenheid van [d] en [a] niet kon worden beëindigd door het hanteren van een lichter middel van toezicht. Niet staande kan worden gehouden dat DNB, onder afweging van alle belangen, niet in redelijkheid doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van de integriteit van het financiële stelsel.

10. De slotsom is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit in stand kan blijven.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, voorzitter, en mr. D. Haan en

mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van mr. S. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.