Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:4301

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-06-2015
Datum publicatie
11-06-2019
Zaaknummer
ROT 14-5021
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Verzoek schade na vaststelling beroepsziekte PTSS. Verweerder moet stelling nader onderbouwen dat werk(omstandigheden) niet buitensporig waren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 14/5021

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht van 19 juni 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats eiseres] , eiseres,

gemachtigde: mr. V. Dolderman,

en

de Korpschef van politie, verweerder,

gemachtigde: mr. E. Nijhof

Procesverloop

Bij besluit van 29 juli 2013 (het primaire besluit) is het verzoek van eiseres tot erkenning van aansprakelijkheid voor buiten rechtspositionele schade afgewezen.

Bij besluit van 23 april 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is op de zitting van 10 maart 2015 behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door mr. L. van der Toorn, beleidsmedewerker arbeidsvoorwaarden.

De behandeling van de zaak is ter zitting aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen te bespreken of zij er samen uit konden komen. Nadat was gebleken dat dit niet het geval was, hebben partijen verzocht zonder nadere zitting uitspraak te doen waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.

Omdat het de rechtbank is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, is besloten het onderzoek te heropenen.

Overwegingen

1. Eiseres is op 1 maart 1995 in dienst getreden bij het toenmalige politiekorps Haaglanden (thans Nationale Politie) en was laatstelijk aangesteld als [naam functie] bij het [naam afdeling] in de rang van hoofdagent van politie.

Bij besluit van 6 december 2010 is de ziekte van eiseres, posttraumatische stress stoornis (PTSS) aangemerkt als beroepsziekte als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder y van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Daarbij heeft verweerder het volgende opgemerkt: eiseres heeft geen argumenten aangevoerd waaruit aannemelijk is geworden dat hier sprake is van een ziekte, welke in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en die niet aan zijn schuld of voorzichtigheid is te wijten, anders dan de vertrouwelijke medische informatie die door u bij de bedrijfsarts is verstrekt, die echter niet voor toetsing beschikbaar is.

Uit een oogpunt van goed werkgeverschap heeft verweerder het niet opportuun geacht alsnog van eiseres te verlangen deze omstandigheden aan te leveren. Eiseres zijn aanspraken toegekend die voortvloeien uit haar rechtspositie als politieambtenaar.

2. Bij besluit van 4 februari 2011 is aan eiser met ingang van 1 maart 2011 eervol ontslag verleend wegens arbeidsongeschiktheid.

Bij brief van 30 mei 2012 heeft eiseres verzocht om vergoeding van schade die zij heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden en dientengevolge nog heeft te lijden. De hoogte van de schade zou nader moeten worden vastgesteld.

3. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat door de vaststelling van een beroepsziekte met het besluit van 6 december 2010 niet vast is komen te staan dat eiseres schade heeft gelegen in de uitoefening van haar werkzaamheden en dat er juridisch gezien geen schade is omdat de door eiseres gestelde werkomstandigheden objectief bezien niet als buitensporig kunnen worden aangemerkt.

Verder stelt verweerder dat er voldoende nazorg is geboden zodat er geen sprake is van schending van de op de werkgever rustende zorgplicht.

Verweerder verwerpt voorts de aansprakelijkheid op grond van een onrechtmatig daad van een ondergeschikte jegens eiseres omdat eiseres niet heeft aangetoond dat daarvan sprake is.

Tenslotte aanvaardt verweerder ook geen aansprakelijkheid op grond van handelen in strijd met goed werkgeverschap omdat eiseres de door haar gestelde zeer bijzondere omstandigheden niet heeft toegelicht en uit het besluit van 6 december 2010 al zou moeten blijken van goed werkgeverschap.

4. Eiseres stelt dat met het besluit van 6 december 2010 is erkend dat er sprake is van een beroepsziekte in juridische zin zodat daarmee is voldaan aan de buitensporigheidstoets in het kader van de aansprakelijkheid. Eiseres voert hierbij verder aan dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel omdat er afstand gedaan zou zijn van de juridische erkenning van de beroepsziekte.

4.1.

In artikel 1, aanhef en onder y van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) is bepaald dat onder beroepsziekte wordt verstaan: een ziekte, welke in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en die niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten.

4.2.

Het gaat in dit geschil om de vergoeding van volgens eiseres nog resterende schade, die niet (meer) door rechtspositionele voorzieningen wordt gedekt. Welke schadeposten concreet voor vergoeding in aanmerking komen, is nog niet aan de orde gesteld.

4.3.

Met het besluit van 6 december 2010 is aan eiseres mede een vergoeding toegekend op grond van artikel 54 van het Barp. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep - CRvB – (bijv. de uitspraak van 22 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN3475)

Blijkt dat het aanmerken als dienstongeval, of zoals in dit geval een beroepsziekte in de zin van artikel 54 van het Barp nog niet betekent dat ook aanspraak bestaat op vergoeding van andere schade die een ambtenaar als gevolg van zijn werkzaamheden heeft geleden of wellicht zal lijden. Beide grondslagen voor schadevergoeding kunnen volgens de CRvB naast elkaar bestaan en vergen gezien de verschillen tussen beide normen een afzonderlijke toetsing, die eventueel in afzonderlijke besluiten zijn beslag kan krijgen. Dit betekent dat met het besluit van 6 december 2010 nog niet is komen vast te staan dat verweerder aansprakelijk is voor de door eiseres gestelde andere (rest)schade, nu daarvoor de toetsing een andere is dan de vaststelling dat sprake is van een in de uitoefening van de werkzaamheden geleden schade als bedoeld in art. 54 van het Barp.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep - CRvB - (bijv. de uitspraak van 11 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012: BX9964) geldt hierbij, als het om psychische klachten gaat, dat sprake moet zijn van factoren die in verhouding tot het werk of de werkomstandigheden objectief bezien een buitensporig karakter dragen. Voorts geldt dat de ambtenaar voldoende feiten moet aandragen ter onderbouwing van zijn stelling dat van dergelijke omstandigheden sprake was.

4.5.

Eiseres heeft als feiten op basis waarvan er sprake zou moeten zijn van factoren die in verhouding tot het werk of de werkomstandigheden objectief bezien een buitensporig karakter dragen een lijst met incidenten overgelegd van gebeurtenissen die zich vanaf 1998 tot en met 2004 hebben afgespeeld. De beoordeling hiervan vergt een juridische kwalificatie van de zich voordoende feiten. Pas nadat is vastgesteld dat de aard van het werk dan wel de omstandigheden waaronder dat moest worden verricht - objectief beschouwd - als buitensporig moeten worden aangemerkt, komt de vraag aan de orde of er tussen die werkomstandigheden en de ontstane psychische arbeidsongeschiktheid een oorzakelijk verband aanwijsbaar is. In het buitensporigheidsvereiste en de daarbij toe te passen objectivering ligt volgens vaste rechtspraak van de CRvB (bijv. uitspraak van

28 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3470), besloten dat geen rekening moet worden gehouden met een meer dan gemiddelde, individuele gevoeligheid van de betrokken ambtenaar voor bepaalde werkomstandigheden.

4.6.

Verweerder stelt dat een deel van de incidenten niet bekend was en geeft aan dat voor het overige de confrontatie met een reeks ernstige tot zeer ernstige ongevallen inherent is aan de functie van een executieve politieambtenaar. De functie van uitvoerend politieagent brengt volgens verweerder met zich mee dat men geconfronteerd wordt met zelfdodingen, geweldsincidenten enz. Alhoewel het causaal verband tussen de door eiseres meegemaakte incidenten en de opgetreden arbeidsongeschiktheid tussen partijen vaststaat, kan de rechtbank op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet beoordelen of in het geval van eiseres in de jaren 1998 – 2004 de arbeidsomstandigheden buitensporig zijn geweest in vergelijking met wat zich ‘normaal’ voordoet. De enkele stelling van verweerder over het inherent zijn aan de functie alsmede dat er geen bijzondere factoren in de werkomstandigheden zijn aangedragen, acht de rechtbank daartoe niet voldoende.

Verweerder zal derhalve op basis van interne gegevens nader dienen te adstrueren in welke mate incidenten van het type als hier aan de orde inherent zijn aan de functie in die zin dat een politieambtenaar in executieve dienst dergelijke incidenten ook pleegt te ondervinden.

4.7.

Ook in het geval zal komen vast te staan dat de arbeidsomstandigheden, gelet op de frequentie en de ernst van het aantal incidenten als buitensporig zijn aan te merken, dan nog staat daarmee niet vast dat verweerder aansprakelijk kan worden gehouden voor de door eiseres geleden schade. De thans beschikbare medische gegevens geven naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen of het medische gevolg is ingetreden al dan niet op grond van in de persoon van eiseres gelegen eigenschappen. Verweerder heeft om hem moverende redenen geen verdere medische gegevens opgevraagd, noch een nader medisch onderzoek doen instellen, zulks in reactie op de weigering van eiseres om toestemming tot het verlenen van die gegevens te verstrekken. Verweerder zal zo nodig in de gelegenheid worden gesteld alsnog te onderbouwen of en in welke mate het ingetreden gevolg in de persoon van eiseres is gelegen, waartoe eiseres de toestemming tot de medische gegevens alsnog dient te verlenen.

4.8.

De vraag of in het kader van goed werkgeverschap verweerder toch niet is gehouden om gemaakte kosten van eiseres op basis van haar rechtpositie als ex politieambtenaar te vergoeden laat de rechtbank vooralsnog in het midden. Pas als de eerdere vragen zijn beantwoord ten nadele van eiseres komt die vraag aan de orde. Eiseres zal dan in eerste instantie dienen te specificeren welke kosten daarvoor naar haar opvatting in aanmerking komen.

5. Het bestreden besluit is, gelet op het voorgaande, in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat wil zeggen ondeugdelijk gemotiveerd.

6. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te (laten) herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, zal verweerder alsnog hard dienen te maken dat het aantal door eiseres gemelde en bij verweerder bekende (als ernstig onderkende) incidenten in de periode van 1998 – 2004 niet als buitensporig is aan te merken, inherent aan de functie van executieve politieambtenaar en daarom ook niet uitzonderlijk. In het geval verweerder er niet in zou slagen dit gebrek te herstellen komen pas de vragen naar de medische onderbouwing, respectievelijk de verplichtingen als goed werkgever aan de orde, gelet op de vastgestelde causaliteit tussen de incidenten en de ontstane schade.

6.1.

De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op 4 weken na verzending van deze tussenuitspraak.

6.2.

Als verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, moet hij dat op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk meedelen aan de rechtbank. Als verweerder wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beide gevallen en in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

6.3.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    stelt verweerder in de gelegenheid om binnen 4 weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak,

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.S. Korteweg-Wiers, rechter, in aanwezigheid van

mr. J. Nieuwstraten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.