Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:4196

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-06-2015
Datum publicatie
16-06-2015
Zaaknummer
4077712 - VV EXPL 15-231
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering werknemer tot loondoorbetaling nadat werkgever de arbeidsovereenkomst heeft vernietigd op grond van dwaling. Werknemer hoefte werkgever bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst niet in te lichten over priveproblemen die tot ziekte leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1129
AR-Updates.nl 2015-0561
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4077712 / VV EXPL 15-231

uitspraak: 15 juni 2015

vonnis in kort geding ex artikel 254 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te Rotterdam,

eiser,

gemachtigde: mr. M.Y. van Oel, advocaat te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Fondel Staff B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. M.L.C. Lugard-Van Basten Batenburg, advocaat te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” en “Fondel”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    het exploot van dagvaarding d.d. 20 mei 2015 met producties 1 t/m 7;

  • -

    de bij brief van 28 mei 2015 zijdens [eiser] overgelegde aanvullende producties 8 en 9;

  • -

    de pleitaantekeningen van [eiser];

  • -

    de pleitaantekeningen van Fondel.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 mei 2015. [eiser] is in persoon verschenen tezamen met zijn gemachtigde. Voorts is namens Fondel verschenen mevrouw [G.], personeelsfunctionaris, bijgestaan door haar gemachtigde. De mondelinge behandeling heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de mondelinge behandeling in de door Fondel geëntameerde (voorwaardelijke) ontbindingsprocedure met zaaknummer 4150710 VZ VERZ 15-11177. Hetgeen in het kader van de ene procedure is gesteld of betwist, wordt ook in de andere procedure als gesteld of betwist beschouwd. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden door de griffier.

1.3

De uitspraak van het vonnis is door de kantonrechter op heden bepaald.

2 De vaststaande feiten

In het kader van de onderhavige procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1

[eiser], geboren op [geboortedatum]1988, heeft op basis van een detacheringsovereenkomst tussen Astorium en Fondel, lopende van 1 mei 2014 tot 1 november 2014, voor Astorium bij Fondel werkzaamheden verricht als Financial Controller.

2.2

Op 1 oktober 2014 heeft [eiser] van Fondel bij e-mail een voorstel tot indiensttreding bij Fondel met bijbehorende arbeidsvoorwaarden ontvangen, inhoudende indiensttreding bij Fondel in de functie van Financial Controller Commodities per 1 november 2014 voor de duur van één jaar. Diezelfde dag heeft [eiser] bij e-mail aan Fondel kenbaar gemaakt positief te staan tegenover het gedane voorstel.

2.3

Op 2 oktober 2014 is [eiser] ziek uitgevallen.

2.4

Op 9 oktober 2014 heeft [eiser] getracht zijn werkzaamheden te hervatten, doch is diezelfde dag kort daarna weer ziek naar huis gegaan.

2.5

Op 13 oktober 2014 is [eiser] naar het kantoor van Fondel gekomen en heeft hij de arbeidsovereenkomst ondertekend.

2.6

Het in de arbeidsovereenkomst overeengekomen salaris bedraagt € 3.700,- bruto per maand, exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten. In de arbeidsovereenkomst staat vermeld dat de bepalingen in de personeelsgids onderdeel zijn van de arbeidsovereenkomst.

2.7

Op 17 oktober 2014 heeft [eiser] een bevestiging van zijn aanmelding bij psycholoog SP3 ontvangen. Diezelfde dag heeft tevens een persoonlijk gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] en [G.].

2.8

[eiser] is op 31 oktober 2014 op het spreekuur geweest van Arbovitale, de arboarts van Astorium. In de rapportage van de arboarts staat onder meer:

Betrokkene werknemer is uitgevallen met medische klachten, is onder behandeling en controle bij curatieve sector. Heeft afspraken voor verder behandeling staan.

(…)

Betrokkene mag het werk (volgens afspraak met werkgever) voorlopig voor 5x4 a 5 uur per week op arbeidstherapeutische basis in eigen aangepast werk (afgebakken taken) hervatten.

Daarbij is het van belang dat de werktijden en de werkinhoud tijdelijk worden aangepast: geen psychische inspannend werk, geen tijdsdruk.

(…)

Tijdelijke medische beperkingen. De verwachte duur is nog niet goed in de schatten. Een nieuwe evaluatie van de belastbaarheid adviseer ik rondom weeknummer 48/2014.”

2.9

Per e-mail d.d. 31 december 2014 bericht de psycholoog van SP3 aan [eiser]:

Onderstaand mijn informatie voor de bedrijfsarts.

(…)

1. Welke diagnose heeft u kunnen vaststellen?

De heer [eiser] heeft een matig tot ernstige depressie. Ook heeft hij klachten die een “burn-out” indiceren (echter de term “burn-out” is geen officiële DSM-diagnose).

Op de 4Dimensionele KlachtenLijst scoort hij op alle 4 de schalen sterk verhoogd, bij meerdere meetmomenten.(…)

(…)

3. Hoe acht u de prognose ten aanzien van het herstel?

Gezien de ernst van de klachten reken ik op een behandelperiode van tenminste 6 maanden.”

2.10

Bij brief d.d. 16 februari 2015 bericht Fondel aan [eiser] onder meer:

Psychologische problemen zijn op zichzelf natuurlijk een privé aangelegenheid, maar zodra het je belemmert om de overeengekomen werkzaamheden te verrichten, is dat informatie die je met een (toekomstige) werkgever behoort te delen. Dit is dus ook het geval bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst. Door het feit dat jij je op 13 oktober jl. heel goed bewust was dat je het overeen te komen werk helemaal niet aankon door de door jou ondervonden belemmeringen in jouw gezondheid, had je een plicht dit met Fondel te delen.

Als wij (Fondel) toen hadden geweten dat jouw gezondheidsproblemen je op deze (ingrijpende) wijze zouden gaan belemmeren de overeen te komen werkzaamheden uit te voeren, dan hadden we de arbeidsovereenkomst met jou zeker niet gesloten. Dit klemt te meer omdat de arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar in feite nutteloos blijkt te zijn c.q. te worden, omdat de bedongen arbeid naar verwachting gedurende vrijwel de gehele periode niet zal kunnen worden uitgevoerd.

(…)

Vanwege de hierboven omschreven dwaling, is Fondel gerechtig de gesloten arbeidsovereenkomst te vernietigen. Fondel wenst van dit recht gebruik te maken en vernietigt hierbij de met jou gesloten arbeidsovereenkomst. Dit bericht is een buitengerechtelijke verklaring, zoals bedoeld in artikel 6:228 BW. Deze verklaring leidt ertoe dat daardoor tussen jou en Fondel geen arbeidsovereenkomst is gesloten.

3 De vordering

3.1

[eiser] heeft gevorderd bij vonnis in kost geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de door Fondel ingeroepen buitengerechtelijke vernietiging verklaring van de arbeidsovereenkomst nietig te verklaren totdat in het onderhavige geschil in de te entameren bodemprocedure onherroepelijk is beslecht omtrent de rechtmatigheid van de ingeroepen buitengerechtelijke vernietiging verklaring en Fondel te veroordelen tot betaling van het aan [eiser] toekomende achterstallig salaris berekend over het krachtens de arbeidsovereenkomst overeengekomen brutoloon, vermeerderd met 8% vakantietoeslag vanaf 1 februari 2015 tot en met de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtmatig mag worden beëindigd;

  2. Fondel te bevelen om aan [eiser] te betalen de maximale wettelijke verhoging over het gevorderde onder 1 op grond van artikel 7:625 BW;

  3. Fondel te bevelen om aan [eiser] te betalen de wettelijke rente over het onder 1 en 2 gevorderde te rekenen vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

  4. Fondel te veroordelen in de kosten van deze procedure, een bedrag aan salaris gemachtigde van Fondel daaronder begrepen.

3.2

Aan de vordering heeft [eiser] - zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. [eiser] heeft zich gedurende de zes maanden dat hij werkzaam is geweest voor Astorium bij Fondel volledig ingezet, hetgeen er uiteindelijk in heeft geresulteerd dat [eiser] op 1 oktober 2014 van Fondel een concept arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar heeft aangeboden gekregen. Vervolgens is [eiser] op 2 oktober 2014 uitgevallen met griep waarna hij zich zowel bij Astorium als Fondel ziek heeft gemeld. Hoewel hij op 9 oktober 2014 getracht heeft zijn werkzaamheden te hervatten, heeft hij die dag op advies van zijn werkgever besloten om nog een paar dagen thuis te blijven omdat de vrees bestond dat hij nog niet uitgeziekt was en hij derhalve andere collega’s kon aansteken. Op 13 oktober 2014 heeft [eiser] wederom getracht zijn werkzaamheden op kantoor te hervatten en heeft hij tevens de arbeidsovereenkomst ondertekend. Vanwege privé problemen heeft [eiser] zich, al voor het tekenen van de arbeidsovereenkomst, bij SP3 aangemeld, waarna op 17 oktober 2014 een eerste gesprek heeft plaatsgevonden. Nu het privé problemen betrof welke naar de mening van [eiser] geen invloed op de uitoefening van zijn werkzaamheden zouden hebben, vond [eiser] het niet noodzakelijk Fondel hiervan voorafgaande aan het ondertekenen van de arbeidsovereenkomst in kennis te stellen. Wel heeft [eiser] op 17 oktober 2014 in een persoonlijk gesprek aan Fondel bericht dat hij zich bij de psycholoog had aangemeld. Door de arboarts is op 31 oktober 2014 geconcludeerd dat [eiser] is uitgevallen met medische klachten en is re-integratie in een aangepast werkschema geadviseerd. Doordat zich omstreeks 10 november 2014 in de privé situatie van [eiser] een incident heeft voorgedaan, is [eiser] echter verder afgegleden. Nadat [eiser] rond 20 december 2014 contact heeft gehad met zijn huisarts, is het [eiser] duidelijk geworden dat hij antidepressiva zou moeten innemen en is het vermoeden ontstaan dat de klachten zwaarder waren dan hij aanvankelijk dacht. Geheel onverplicht heeft [eiser] dit ook aangegeven aan Fondel. De diagnose “depressie en burn-out” is pas later, te weten op 31 december 2014, door de psycholoog van SP3 bevestigd. Voornoemde diagnose is per e-mail d.d. 2 februari 2015 aan Fondel medegedeeld. Ook na wetenschap van deze diagnose is Fondel de verzuimbegeleiding van [eiser] via haar bedrijfsarts (Arbovitale) blijven voort zetten. Echter pas nadat onenigheid tussen partijen is ontstaan over de inhoud en de bewoordingen van een formulier van het UWV welke Fondel ter ondertekening aan [eiser] heeft doen toekomen, heeft Fondel de rigoureuze maatregel genomen om het re-integratie-traject af te blazen en zich te beroepen op de vernietiging van de arbeidsovereenkomst.

3.3

[eiser] stelt zich op het standpunt dat de hoofdregel van artikel 150 Rv in verbinding met artikel 6:228 lid 1 BW met zich mee brengt dat degene die zich op dwaling beroept, bij betwisting door de wederpartij, belast moet worden met het bewijs van de feiten die de dwaling opleveren. Voor zover uit de stelling van Fondel dient te worden afgeleid dat [eiser] voorafgaand aan het sluiten van de arbeidsovereenkomst verkeerde informatie heeft verschaft, geldt dat hoewel [eiser] het vermoeden had dat zijn fysieke en psychische klachten voortvloeiden uit problemen in zijn privé-situatie, hij niet kon weten dat dit een (langdurig) effect zou hebben op zijn functioneren. Van de ernst en aard van zijn gezondheidsproblemen is [eiser] zich pas bewust geworden na de diagnose van de psychiater van 31 december 2014, derhalve twee en een halve maand na het ondertekenen van de arbeidsovereenkomst. Tevens is van belang dat ook na het bekend worden van de diagnose beide partijen er vanuit gingen dat [eiser] zijn werkzaamheden kon voortzetten, weliswaar onder een door beide partijen akkoord bevonden re-integratie traject. Een beroep op dwaling kan Fondel dan ook niet baten. Het door Fondel, achteraf geconstrueerde, gespreksverslag welke door [eiser] niet is ondertekend en waarvan hij op een aantal punten de inhoud betwist, kunnen een beroep op dwaling eveneens niet rechtvaardigen. Door Fondel zijn geen relevante feiten naar voren gebracht op basis waarvan dwaling kan worden aangenomen. Tevens wordt door [eiser] het causaal verband betwist, nu niet al na het op 17 oktober 2014 gevoerde gesprek tot vernietiging van de arbeidsovereenkomst is overgegaan, doch Fondel zich pas op 16 februari 2015 op dit standpunt heeft beroepen.

3.4

[eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn vordering omdat Fondel ondanks sommatie zijdens [eiser] verzuimt om de vernietiging van de arbeidsovereenkomst in te trekken en om het (achterstallig) loon vanaf 1 februari 2015 door te betalen. [eiser] voert een zelfstandig huishouden en is momenteel niet in staat om aan zijn financiële verplichtingen te voldoen en is volledig afhankelijk van familie en vrienden.

4 Het verweer

4.1

Fondel concludeert tot afwijzing van alle vorderingen van [eiser] in kort geding met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure en heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

4.2

De onderhavige zaak leent zich vanwege de complexiteit van de rechtsvraag en het feitencomplex niet voor behandeling in kort geding, zodat de vorderingen van Fondel reeds op die grond dienen te worden afgewezen. Fondel meent daarnaast dat [eiser] in strijd met artikel 21 Rv niet aan zijn plicht heeft voldaan om de kantonrechter volledig en naar waarheid over de relevante feiten te informeren zodat terughoudendheid bij toewijzing van de vorderingen ook om deze reden op zijn plaats is. Voorts betwist Fondel dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen, nu niet is aangetoond dat [eiser] daadwerkelijk in financiële problemen is gekomen en wijst Fondel op het aanwezige restitutiesrisico.

4.3

Fondel heeft op 16 februari 2015 rechtsgeldig de arbeidsovereenkomst met [eiser] vernietigd op grond van dwaling met als gevolg dat er tussen Fondel en [eiser] geen arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Daartoe stelt Fondel dat [eiser] op het moment dat hij in gesprek was met Fondel over zijn indiensttreding, heel goed wist dat het niet goed met hem ging en dat hij ook met betrekking tot het verrichten van het werk vastliep of al was vastgelopen en daarover vóór 13 oktober 2014 heeft gezwegen. [eiser] heeft Fondel laten dwalen over feiten waarover hij Fondel had behoren in te lichten. Immers, Fondel had bij een juiste voorstelling van zaken, op basis van de informatie die [eiser] op 17 oktober 2014 verstrekte, met hem geen arbeidsovereenkomst gesloten.

4.4

Ter onderbouwing van haar standpunt dat [eiser] ten tijde van het ondertekenen van de arbeidsovereenkomst op de hoogte was van (de ernst van) zijn gezondheidssituatie en de invloed daarvan op de uitvoering van zijn werkzaamheden stelt Fondel het volgende.

Direct na 1 oktober 2014 (toen Fondel en [eiser] in de avond per e-mail positieve intenties over zijn indiensttreding aldaar hadden uitgewisseld), heeft [eiser] eigenlijk niet meer voor Fondel gewerkt. Omdat [eiser] al sinds april 2014 bij Fondel werkzaam was en zijn griepmelding overtuigend leek, heeft Fondel nietsvermoedend de arbeidsovereenkomst op 13 oktober 2014 ondertekend. [eiser] is die week wel wat meer op kantoor geweest, maar niet de hoeveelheid uren die hij heeft genoteerd. Vaststaat in ieder geval dat het vanaf 2 oktober 2014, de dag van zijn uitval, voor [eiser] al helemaal niet meer ging. Opmerking verdient daarbij dat [eiser] op 2 oktober 2014 heeft nagelaten zich ziek te melden bij Astorium, waarna hij uiteindelijk pas op verzoek van Fondel op 27 oktober 2014 is ziek gemeld, zodat het eerste bezoek aan de bedrijfsarts pas op 31 oktober 2014 heeft kunnen plaatsvinden. [eiser] heeft op 17 oktober 2014 summier en op 30 januari 2015 expliciet en uitgebreid aan [G.] verklaard dat hij al veel langer psychische problemen had vanwege onfortuinlijke privézaken waar begin april 2014 een zeer heftige confrontatie bij kwam. [eiser] verklaarde toen ook dat hij sinds dat moment in april 2014 in toenemende mate concentratieproblemen had en zich in de loop van de zomer realiseerde dat de maatregelen die hij voor zichzelf al had genomen om de werkdruk te verlagen om te kunnen blijven functioneren, niet voldoende bleken en dat hij dus “vastliep”. Dat [eiser] op 17 oktober 2014, te weten drie dagen na het ondertekenen van de arbeidsovereenkomst, in feite zelf al zei dat hij door zijn depressie en concentratieproblemen het werk niet aankon, blijkt uit het door [G.] opgemaakte gespreksverslag.

4.5

Fondel meent dat zij een rechtsgeldig beroep op dwaling heeft gedaan. Voorgaande leidt ertoe dat de arbeidsovereenkomst met [eiser] nooit heeft bestaan en Astorium als laatste werkgever is aan te merken en derhalve ook de bijbehorende verplichtingen zoals re-integratie heeft. Voorts wordt opgemerkt dat [eiser] in zijn dagvaarding niet heeft vermeld dat hij wenst terug te keren naar Fondel in geval van herstel.

4.6

Aan [eiser] komt hoe dan ook geen aanspraak op loon toe. Artikel 20 van het Personeelshandboek bepaalt dat Fondel geen loon en emolumenten aan een werknemer verschuldigd is indien de werknemer bij zijn indiensttreding opzettelijk onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt.

4.7

Bij gerechtvaardigde stopzetting van het loon is een werkgever geen wettelijke rente of wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW verschuldigd.

5 De beoordeling

5.1

Gelet op de aard van de vordering is het de kantonrechter voldoende gebleken dat sprake is van een spoedeisend belang.

5.2

In dit kort geding dient, mede op basis van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

5.3

In het verlengde van het hiervoor overwogene, geldt dat een voorziening die de rechtstoestand tussen partijen vaststelt naar haar aard niet voorlopig is. Reeds om die reden kan een deel van het door [eiser] gevorderde onder 1, inhoudende om de door Fondel ingeroepen buitengerechtelijke vernietiging verklaring van de arbeidsovereenkomst nietig te verklaren, niet worden toegewezen.

5.4

In geschil is de vraag of de arbeidsovereenkomst door Fondel op 16 februari 2015 rechtsgeldig is vernietigd dan wel dat de arbeidsovereenkomst nog onverkort voortduurt en [eiser] aanspraak maakt op loondoorbetaling sedert 1 februari 2015. Artikel 6:228 BW bepaalt onder meer dat een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar is, indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten, dan wel indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten.

5.5

Op grond van de door partijen overgelegde stukken alsmede hetgeen zij ter mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht, is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk geworden dat de vordering van [eiser] in een eventuele bodemprocedure zal worden toegewezen. Dit, nu door Fondel onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de arbeidsovereenkomst op grond van dwaling rechtsgeldig is vernietigd. Daarvoor dient immers voldoende aannemelijk te zijn dat [eiser] ten tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk wist dat zijn gezondheidstoestand dermate slecht was dat dit hem ingrijpend en langdurig zou belemmeren in de uitoefening van de overeengekomen werkzaamheden, doch dat hij desondanks Fondel van het voorgaande niet op de hoogte heeft gesteld. [eiser] heeft gesteld dat hij ten tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomst griep had en er daarnaast in zijn privésituatie (relatie)problemen speelden. Hoewel hij op dat moment het vermoeden had dat zijn fysieke en psychische klachten voortvloeiden uit problemen in zijn privé-situatie, wist hij niet dat dit een langdurig effect zou hebben op zijn functioneren, aldus [eiser]. Daarbij komt dat door [eiser] is gesteld dat het incident dat zich in zijn privésituatie op 10 november 2014 heeft voorgedaan, te weten na het sluiten van de arbeidsovereenkomst, de prikkel was die tot een zodanige verslechtering van zijn fysieke en psychische gesteldheid heeft geleid, dat dit hem niet meer in staat stelde zijn werkzaamheden op normale wijze te verrichten. De door Fondel eenzijdig opgestelde en overgelegde weergave van de op 17 oktober 2015 en 30 januari 2015 gevoerde gesprekken, waarop Fondel haar standpunt baseert, is naar het oordeel van de kantonrechter, te meer nu de juistheid daarvan door [eiser] wordt betwist, vooralsnog onvoldoende om aan te nemen dat de gezondheidssituatie van [eiser] ten tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomst al zodanig slecht was, alsmede dat [eiser] zich bewust was van de ernst en invloed daarvan op de uitoefening van zijn werkzaamheden, zodat hij daarvan melding had behoren te maken. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is in de bodemprocedure niet te verwachten dat de vernietiging van de arbeidsovereenkomst wegens dwaling stand houdt.

5.6

Fondel heeft zich voorts, naast haar beroep op dwaling, op het standpunt gesteld dat aan [eiser] geen loon toekomt onder verwijzing naar artikel 20 van het Personeelshandboek en in lijn met het bepaalde in artikel 7:629 lid 3 onder a BW. Op grond van hetgeen hiervoor onder 5.5 is overwogen, kan de kantonrechter in zijn voorlopig oordeel evenmin tot de conclusie komen dat [eiser] opzettelijk onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt nu allereerst niet vaststaat dat de gezondheidssituatie van [eiser] ten tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomst al dermate slechts was dat dit het verrichten van zijn werkzaamheden ingrijpend en langdurig zou belemmeren en voorts, dat [eiser] zich op dat moment bewust was van de ernst van zijn gezondheidsproblemen en de gevolgen hiervan voor de uitoefening van zijn werkzaamheden, zodat niet gesteld kan worden dat hij daarover opzettelijk heeft gezwegen.

5.7

Voorgaande leidt tot het voorlopig oordeel dat tussen partijen een rechtsgeldige arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, zodat Fondel ook na 1 februari 2015 gehouden is het overeengekomen salaris aan [eiser] te voldoen en met inachtneming van de wettelijke of contractuele bepalingen in verband met de loondoorbetaling tijdens ziekte. Dit echter op voorwaarde dat [eiser] zich, in geval van herstel, beschikbaar houdt tot het verrichten van arbeid.

5.8

De vordering tot vergoeding van de wettelijke rente is op de wet gegrond en zal worden toegewezen. Dit geldt eveneens voor de vordering tot vergoeding van de wettelijke verhoging, zij het dat dit percentage – gelet op de omstandigheden van het geval – zal worden gematigd tot 20%.

5.9

Fondel wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

6 De beslissing

De kantonrechter,

rechtdoende in kort geding:

veroordeelt Fondel om aan [eiser] te betalen het aan [eiser] toekomende salaris berekend over het krachtens de arbeidsovereenkomst overeengekomen brutoloon, vermeerderd met 8% vakantietoeslag te betalen op de voor betaling overeengekomen tijdstippen vanaf 1 februari 2015 tot en met de dag waarop de arbeidsovereenkomst regelmatig is geëindigd;

veroordeelt Fondel om aan [eiser] te betalen de wettelijke verhoging van 20% over voornoemde salarisbetalingen vanaf de respectievelijke opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Fondel tot betaling aan [eiser] van de wettelijke rente over de te betalen salarisbedragen alsmede de wettelijke verhoging over de onbetaald gebleven bedragen vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. van Die en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

495