Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:4143

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-06-2015
Datum publicatie
06-07-2015
Zaaknummer
4064553 VV EXPL 15-216
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

7:269 BW. Huurovereenkomst met gedaagde sub 1 al geëindigd. Gedaagde sub 2 beroept zich onderhuurrelatie. Ontstaan onderhuurrelatie niet aannemelijk geworden dus geen bescherming. Ook aannemelijk dat beeindigingsvordering zou worden toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHV 2015/138 met annotatie van Cor Goudriaan/Marjolein Scheeper
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4064553 / VV EXPL 15-216

uitspraak: 12 juni 2015

vonnis in kort geding ex artikel 254 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de stichting

Stichting Woonstad Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr. M.H. Boomsma, advocaat te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde 1],

wonende te Rotterdam,

gedaagde sub 1,

gemachtigde: mr. W. Suttorp, advocaat te Rotterdam,

2. [gedaagde 2],

wonende te Rotterdam,

gedaagde sub 2,

gemachtigde: mr. C.C.J.L. Huurman, advocaat te Rotterdam.

Partijen worden hierna “Woonstad”, “[gedaagde 1]” respectievelijk “[gedaagde 2]” genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van de navolgende stukken:

  • -

    het exploot van dagvaarding in kort geding van 29 april 2015, met producties;

  • -

    de fax van de gemachtigde van Woonstad d.d. 18 mei 2015, met een aanvullende productie;

  • -

    de fax van de gemachtigde van [gedaagde 2] d.d. 21 mei 2015, met producties;

- de pleitaantekeningen zijdens Woonstad Rotterdam en de pleitaantekeningen met producties zijdens [gedaagde 2] die ter gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn overgelegd.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 mei 2015.

Namens Woonstad is mevrouw [G.] (medewerker, hierna: “[G.]”) verschenen, bijgestaan door mr. M.H. Boomsma. [gedaagde 1] is in persoon verschenen, bijgestaan door

mr. W. Suttorp. [gedaagde 2] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. C.C.J.L. Huurman. Ter zitting hebben partijen het eigen standpunt nader toegelicht. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekening gehouden.

1.3

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende) gemotiveerd weersproken staat tussen partijen – voor zover thans van belang – het volgende vast:

2.1 (

De rechtsvoorgangster van) Woonstad verhuurde sinds 22 juli 1992 de woonruimte (een 4-kamerwoning) gelegen aan de [adres] te Rotterdam (hierna: “het gehuurde”) aan de heer [X.], de broer van [gedaagde 1] en de vader van [gedaagde 2]. Na diens overlijden heeft Woonstad ter zake het gehuurde een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten met [gedaagde 1], ingaande op 1 maart 2009.

2.2

Op de huurovereenkomst zijn de algemene voorwaarden d.d. 1 oktober 2005 van toepassing verklaard. In de algemene voorwaarden is, voor zover relevant, het volgende vermeld:

“(…)

9 Onderhuur

9.1

Huurder mag niet zonder schriftelijke toestemming van verhuurder het gehuurde geheel of gedeeltelijk onderverhuren of in gebruik geven aan derden.

(…)

16 Oplevering van het gehuurde

16.1

Huurder zal bij het einde van de huurovereenkomst het gehuurde onder afgifte van de sleutels in goede staat, bezemschoon en geheel ontruimd aan verhuurder teruggeven.

(…)

16.5

Indien huurder bij het einde van de huurovereenkomst aan zijn verplichtingen tot herstel, volledige ontruiming en het eventueel ongedaan maken van aangebrachte veranderingen of toevoegingen niet heeft voldaan, is verhuurder gerechtigd alle ten gevolge daarvan noodzakelijke werkzaamheden -op kosten van de huurder- zelf uit te voeren of te doen uitvoeren. Ook overige schade ontstaan door nalatigheid van de huurder, komt voor zijn rekening.

(…)”

2.3

Op 31 maart 2008 heeft [gedaagde 2] zich bij de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op het adres van het gehuurde. Middels een verhuurdersverklaring heeft Woonstad aangegeven tegen deze inschrijving geen bezwaar te maken.

2.4

Op 10 maart 2015 heeft [gedaagde 1] de huurovereenkomst opgezegd, als gevolg waarvan de huurovereenkomst per 10 april 2015 is geëindigd.

2.5

Op 19 maart 2015 heeft een 1e inspectie van het gehuurde plaatsgevonden in aanwezigheid van [gedaagde 1] en [G.] (namens Woonstad). [G.] heeft een inspectierapport opgemaakt waarin is vermeld wat de uit te voeren werkzaamheden aan het gehuurde zijn en de daarbij behorende herstelkosten, welke zijn begroot op € 2.250,00 exclusief BTW.

Het inspectierapport is ondertekend door zowel [G.] als [gedaagde 1].

2.6

Bij brief van 20 maart 2015 heeft [gedaagde 2] aan Woonstad medegedeeld dat hij als achterblijvende onderhuurder de huurovereenkomst voortzet met ingang van 10 april 2015.

2.7

Bij brief van 7 april 2015 heeft de gemachtigde van Woonstad aan [gedaagde 2] medegedeeld dat Woonstad niet instemt met een voortzetting van de huurovereenkomst en is [gedaagde 2] gesommeerd om het gehuurde te ontruimen.

2.8

Een eindinspectie heeft niet plaatsgevonden, doordat het gehuurde nog niet is ontruimd door [gedaagde 2].

3 De vordering en de grondslag daarvan

3.1

Woonstad heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. [gedaagde 1] te veroordelen om het gehuurde binnen 3 weken na betekening van het vonnis, met alle zich daarin bevindende personen en/of zaken te ontruimen en te verlaten en door afgifte der sleutels aan Woonstad ter beschikking te stellen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per week dat [gedaagde 1] met de uitvoering van dit vonnis in gebreke blijft;

b. [gedaagde 2] te veroordelen om het gehuurde binnen 3 weken na betekening van het vonnis, met alle zich daarin bevindende personen en/of zaken te ontruimen en te verlaten en door afgifte der sleutels aan Woonstad ter beschikking te stellen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per week dat [gedaagde 2] met de uitvoering van dit vonnis in gebreke blijft;

c. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan Woonstad van een (gebruiks)vergoeding ter hoogte van de huurprijs, te weten een bedrag van € 432,31 per maand voor elke maand dat het gehuurde nog niet is ontruimd en aan Woonstad is opgeleverd, met ingang van april 2015 tot en met de maand waarin Woonstad weer beschikking over het gehuurde verkrijgt, een ingegane maand voor een volle gerekend;

d. [gedaagde 1] te veroordelen tot vergoeding van de schade aan het gehuurde, bij wijze van voorschot, thans bekend € 2.500,--;

e. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder de nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten.

3.2

Aan haar vorderingen heeft Woonstad het volgende ten grondslag gelegd.

3.3

[gedaagde 1] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst door het gehuurde op 10 april 2015 niet leeg en bezemschoon aan Woonstad op te leveren, ondanks sommaties daartoe. Daarnaast heeft [gedaagde 1] eind maart 2015 meegewerkt aan een pseudo-onderhuur situatie door een onderhuurovereenkomst met [gedaagde 2] aan te gaan met de kennelijke strekking hem de positie van huurder te verschaffen.

3.4

Woonstad stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van onderhuur zoals bedoeld in artikel 7:269 lid 1 BW, zodat [gedaagde 2] geen beroep toekomt op deze bepaling.

Eind maart 2015 heeft [gedaagde 1] weliswaar een onderhuurovereenkomst gesloten met [gedaagde 2], maar deze overeenkomst is geantedateerd op 1 januari 2014 en [gedaagde 1] is onder druk gezet om de overeenkomst te tekenen. Op grond van de redelijkheid en billijkheid kan deze overeenkomst niet als rechtsgeldig worden beschouwd.

Voor zover er sprake is van een geldig tot stand gekomen onderhuurovereenkomst, heeft de onderhuur geen betrekking op een zelfstandige woning, aangezien [gedaagde 1] gedurende de gehele huurperiode eveneens zijn hoofdverblijf had in het gehuurde. Bovendien is er geen sprake geweest van ingebruikgeving tegen een vergoeding.

3.5

Mocht de kantonrechter van oordeel zijn dat artikel 7:269 BW van toepassing is, dan is Woonstad van mening dat het voldoende aannemelijk is dat een vordering tot beëindiging van de voortgezette huur in een bodemprocedure wordt toegewezen op grond van artikel 7:269 lid 2 BW. Ten eerste is het Woonstad niet gebleken van een (voldoende) financiële waarborg van [gedaagde 2]. Daarnaast is de onderhuurovereenkomst, met name gelet op het feit dat deze kort voor het einde van de huurovereenkomst is gesloten, aangegaan met de kennelijke strekking de onderhuurder de positie van huurder te verschaffen. Ten slotte heeft Woonstad, als sociale woningcorporatie met een strikt woningtoewijzingsbeleid ingevolge het Besluit beheer sociale-huursector (hierna: “het BBSH”), een groot belang bij het vrijkomen van het gehuurde en kan niet van haar worden gevergd dat zij de huurovereenkomst met [gedaagde 2] voortzet.

3.6

Conform de eerste inspectie bedraagt de schade aan het gehuurde in ieder geval

€ 2.500,00 en Woonstad vordert daarom dit bedrag als voorschot van [gedaagde 1].

De eindinspectie heeft niet kunnen plaatsvinden, doordat het gehuurde niet was ontruimd door [gedaagde 2] en de zijnen. Dit dient voor rekening en risico te komen van [gedaagde 1].

3.7

Het spoedeisend belang van de vordering is gelegen in de omstandigheid dat gedaagden het gehuurde zonder recht of titel onder zich houden waardoor Woonstad het gehuurde niet conform haar woningtoewijzingsbeleid kan verhuren. Dat terwijl in de gemeente Rotterdam een grote schaarste heerst aan 4-kamerwoningen als hier aan de orde. Bovendien is er sprake van schade aan het gehuurde en Woonstad wenst zo snel mogelijk over te gaan tot het gereed maken van het gehuurde voor de volgende huurder.

4 Het verweer van [gedaagde 1]

4.1

stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van onderhuur. [gedaagde 2] is eind maart 2015 bij [gedaagde 1] langs geweest en heeft hem een document laten ondertekenen, maar [gedaagde 1] weet niet meer wat hij precies heeft ondertekend. Voor zover hij de betreffende onderhuurovereenkomst heeft ondertekend, meent [gedaagde 1] dat deze overeenkomst niet rechtsgeldig tot stand is gekomen, nu hij onder druk van [gedaagde 2] heeft getekend. Er is geen sprake geweest van enige wilsovereenstemming en [gedaagde 1] wenst de overeenkomst dan ook te vernietigen. Voorts heeft [gedaagde 1] erop gewezen dat hij tot het einde van de huurovereenkomst in het gehuurde heeft gewoond. [gedaagde 2] woonde bij hem in, de huurkosten werden gedeeld, maar [gedaagde 1] was degene die de huur betaalde aan Woonstad. Het is een paar keer voorgekomen dat [gedaagde 2] de huur betaalde. Dit was evenwel omdat [gedaagde 2] nog huur aan [gedaagde 1] verschuldigd was. Door deze betalingen werden de openstaande rekeningen tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vereffend.

4.2

Voorts maakt [gedaagde 1] bezwaar tegen de gevorderde betaling van de gebruiksvergoeding vanaf april 2015, aangezien hij eind maart 2015 het gehuurde heeft verlaten.

4.3

De gevorderde schadevergoeding dient te worden afgewezen. De schade is door Woonstad onvoldoende onderbouwd en voor zover daar sprake van is, is de schade veroorzaakt door [gedaagde 2].

5 Het verweer van [gedaagde 2]

5.1

Primair stelt [gedaagde 2] zich op het standpunt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang. [gedaagde 2] betaalt de huur, zodat Woonstad op dat punt geen schade lijdt. Dat Woonstad een woningtoewijzingsbeleid hanteert, maakt de vordering nog niet spoedeisend. Niet alleen heeft Woonstad onvoldoende aangetoond dat er een wachtlijst is voor het gehuurde, ook heeft zij zelf een uitzondering gemaakt op dit beleid door het gehuurde te verhuren aan [gedaagde 1]. Voorts is er geen sprake van schade die met spoed zou moeten worden hersteld. Ten slotte is het geschil tussen partijen dusdanig complex dat het niet geschikt is om in een kort geding te worden beslist.

5.2

Subsidiair meent [gedaagde 2] dat er sprake is geweest van onderhuur tussen hem en [gedaagde 1] zoals bedoeld in artikel 7:269 lid 1 BW, zodat Woonstad verplicht is om de huur met [gedaagde 2] voort te zetten. Circa anderhalf jaar geleden is [gedaagde 1] uit het gehuurde vertrokken om bij zijn vriendin in Utrecht te gaan wonen en is [gedaagde 2] in het gehuurde blijven wonen. Afgesproken was dat [gedaagde 2] de huurpenningen zou betalen en de algehele woning zou kunnen gebruiken. Partijen hebben deze afspraken pas later (in maart 2015) op schrift gesteld. In die overeenkomst is abusievelijk de datum vermeld van 1 januari 2014, maar dat doet er niet aan af dat op dat moment reeds sprake was van onderhuur en dat de onderhuurovereenkomst een schriftelijke bevestiging is van een reeds bestaande situatie. Blijkens de overgelegde bankafschriften is de huur daadwerkelijk door [gedaagde 2] voldaan. Betwist wordt dat [gedaagde 1] door [gedaagde 2] onder druk is gezet om de onderhuurovereenkomst te ondertekenen.

5.3

Het beroep van Woonstad op artikel 7:269 lid 2 BW kan haar niet baten.

[gedaagde 2] maakt reeds geruime tijd de huur rechtstreeks aan Woonstad over en biedt derhalve voldoende financiële waarborg. Vanaf het begin is het al de bedoeling geweest dat [gedaagde 2] het gehuurde zou huren. Ten aanzien van de belangenafweging geldt dat Woonstad haar belang met betrekking tot het door haar gehanteerde distributiestelsel niet heeft onderbouwd, terwijl [gedaagde 2] er groot belang bij heeft om in het gehuurde te blijven. Hij kan niet binnen korte termijn een vervangende woonruimte vinden en bovendien heeft het gehuurde voor hem emotionele waarde aangezien zijn vader tot aan zijn dood in het gehuurde heeft gewoond.

5.4

[gedaagde 2] maakt bezwaar tegen de gevorderde schadevergoeding. Betwist wordt dat er sprake is van schade en Woonstad heeft de door haar gestelde schade almede de hoogte van de schade onvoldoende onderbouwd.

6 De beoordeling van het geschil

Ontruiming en gebruiksvergoeding

6.1

Uitgaande van de stelling van Woonstad dat er geen sprake is van onderhuur tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2], waardoor [gedaagde 2] thans zonder recht of titel in het gehuurde verblijft, en de omstandigheid dat Woonstad ingevolge het BBSH gehouden is een strikt woningtoewijzingsbeleid te hanteren, heeft Woonstad naar het oordeel van de kantonrechter een voldoende spoedeisend belang bij de door haar gevraagde ontruiming. In zoverre is zij ontvankelijk in haar vordering.

6.2

In dit kort geding dient, mede op basis van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de door Woonstad gevraagde ontruiming in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

6.3

In de eerste plaats is tussen partijen in geschil de vraag of tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een onderhuurrelatie zoals bedoeld in artikel 7:269 lid 1 BW tot stand is gekomen. Indien dat het geval is, is Woonstad gehouden om de huur tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voort te zetten.

De onderhuurder komt slechts een beroep toe op de bescherming van dit artikel indien de onderhuur betrekking heeft op een zelfstandige woning waar de onderhuurder zijn hoofdverblijf heeft.

Ter zitting heeft [gedaagde 2] een ondertekende onderhuurovereenkomst overgelegd. Hoewel [gedaagde 1] in eerste instantie niet weet wat hij precies heeft ondertekend, kan uit verklaringen van verschillende partijen, in het bijzonder de schriftelijke verklaring van de maatschappelijk werkster van [gedaagde 1] van 12 mei 2015, worden afgeleid dat de onderhuurovereenkomst is ondertekend door [gedaagde 1]. Desalniettemin is deze overeenkomst op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat tussen gedaagden een onderhuurrelatie tot stand is gekomen. Zo staat in de overeenkomst niet vermeld per wanneer de onderhuur ingaat en wat de afgesproken huurprijs is, nog daargelaten het (subsidiaire) standpunt van [gedaagde 1] dat hij deze overeenkomst onder druk heeft ondertekend en deze wenst te vernietigen. Voorts staat voldoende vast dat de overeenkomst eerst in maart 2015 is ondertekend, hetgeen niet rijmt met de stelling van [gedaagde 2] dat de onderhuurrelatie reeds vanaf januari 2014 bestaat.

Daar waar [gedaagde 2] stelt dat de huurpenningen reeds geruime tijd door hem worden betaald en dat hij het gehuurde al anderhalf jaar alleen tot zijn beschikking heeft, hebben Woonstad en [gedaagde 1] aangevoerd dat er sprake was van inwoning waarbij de woonlasten gelijkelijk werden gedragen door [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft [gedaagde 2] verschillende betaalbewijzen in het geding gebracht. Deze betaalbewijzen zien op betalingen aan Woonstad, SVHW, Evides en Eneco. Daaruit blijkt dat [gedaagde 2] in 2014 drie maal (in april, mei en september) de huur heeft overgemaakt aan Woonstad en in 2015 ook drie maal (in maart, april en mei). Desgevraagd heeft zijn gemachtigde ter zitting aangegeven dat, hoewel [gedaagde 2] de huur zou betalen, het een paar keer is voorgekomen dat [gedaagde 1] de huur heeft betaald. Daarnaast heeft [gedaagde 2] verklaard dat hij wel eens contant betaalde aan [gedaagde 1]. Nu [gedaagde 1] heeft betwist dat de huur steeds en volledig door [gedaagde 2] werd betaald, zijn de betaalbewijzen van de betalingen aan Woonstad onvoldoende om aan te nemen dat [gedaagde 2] reeds vanaf januari 2014 de huurpenningen heeft betaald. Veeleer biedt het ondersteuning aan de stelling van [gedaagde 1] dat zij deelden in de woonlasten. Overigens wordt opgemerkt dat de betalingen in april en mei 2015 zien op de huur over diezelfde maanden. Aangezien de huurovereenkomst tussen [gedaagde 1] en Woonstad per 10 april 2015 is geëindigd, kunnen deze betalingen, voor zover het de periode na 10 april 2015 betreft, geen betrekking hebben op de door [gedaagde 2] gestelde onderhuur. Aan de betalingen aan SVHW, Evides en Eneco kunnen, nu verdere toelichting zijdens [gedaagde 2] ontbreekt, geen conclusies worden getrokken. De stelling dat [gedaagde 1] in januari 2014 uit het gehuurde is vertrokken, is door [gedaagde 1] betwist en door [gedaagde 2] niet onderbouwd, noch heeft [gedaagde 2] feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit dat zou moeten blijken.

De kantonrechter acht derhalve voldoende aannemelijk dat in een eventuele bodemprocedure wordt geoordeeld dat tussen gedaagden geen onderhuurrelatie is ontstaan, zodat aan [gedaagde 2] geen beroep op artikel 7:269 lid 1 BW toekomt.

6.4

Daar komt bij dat, voor zover de bodemrechter tot het oordeel zou komen dat er wel sprake is van onderhuur zoals bedoeld in artikel 7:269 lid 1 BW, de kantonrechter het vooralsnog aannemelijk acht dat een vordering van Woonstad tot beëindiging van de voortgezette huur in een bodemprocedure – hetgeen thans nog tot de mogelijkheden behoort nu de vervaltermijn van zes maanden zoals bedoeld in artikel 7:269 lid 2 BW nog niet is verstreken – zal worden toegewezen op grond van artikel 7:269 lid 2 sub b en/of c BW.

Immers, in het geval de bodemrechter bewezen acht dat [gedaagde 1] het gehuurde met ingang van januari 2014 aan [gedaagde 2] heeft verhuurd en terstond daarna is vertrokken – zoals thans door [gedaagde 2] is gesteld – is het zeer waarschijnlijk dat hij vervolgens zal oordelen dat de onderhuur wordt geacht te zijn aangegaan met de kennelijke strekking om de onderhuurder de positie van huurder te verschaffen, nu gesteld noch gebleken is dat [gedaagde 1] bij zijn vertrek de bedoeling had om nog in het gehuurde terug te komen. Dat door gedaagden, althans [gedaagde 2], de onderhuur aan het einde van de hoofdhuur alsnog op schrift is gesteld, draagt bij aan dit oordeel. Daarnaast is het voldoende aannemelijk te achten dat de bodemrechter in het kader van een belangenafweging de belangen van Woonstad in deze zwaarder laat meewegen dan de belangen van [gedaagde 2]. Hoewel [gedaagde 2] een onmiskenbaar belang heeft om in het gehuurde te blijven – hij kan niet op korte termijn andere woonruimte vinden en het gehuurde heeft voor hem emotionele waarde – dient dit belang te wijken voor het belang van Woonstad om uit hoofde van het BBSH te zorgen voor een rechtvaardige woonruimteverdeling en in dat kader om het gehuurde opnieuw toe te wijzen conform haar strikte toewijzingsbeleid, te meer nu het hier een 4-kamerwoning betreft die thans alleen door [gedaagde 2] wordt bewoond.

6.5

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de door Woonstad gevraagde ontruiming in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is om op de toewijzing daarvan vooruit te lopen. Op grond van artikel 16.1 van de algemene voorwaarden dient [gedaagde 1] het gehuurde onder afgifte van de sleutels in goede staat, bezemschoon en geheel ontruimd – dus met alle zich daarin bevindende personen waartoe [gedaagde 2] ook behoort nu onderhuur vooralsnog niet wordt aangenomen – aan Woonstad terug te geven. Dat dit nog niet is gebeurd vanwege [gedaagde 2], komt (ook) voor rekening en risico van [gedaagde 1]. De gevraagde ontruiming jegens beide gedaagden wordt daarom toegewezen, met dien verstande dat de te verbeuren dwangsom wordt gemaximeerd tot

€ 25.000,--.

6.6

Gedaagden zijn met ingang van april 2015 hoofdelijk gehouden tot het betalen van de gebruiksvergoeding ad € 432,31 per maand voor elke maand dat het gehuurde nog niet is ontruimd en aan Woonstad is opgeleverd.

6.7

Hetgeen partijen voorts nog hebben aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

Schadevergoeding

6.8

Ten aanzien van het gevorderde voorschot op schadevergoeding wordt als volgt overwogen. Ingevolge vaste jurisprudentie is ten aanzien van een geldvordering in kort geding terughoudendheid geboden en moeten dienaangaande naar behoren feiten en/of omstandigheden worden aangewezen die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed is geboden (HR 14 april 2000, NJ 2000/489). Woonstad heeft geen omstandigheden aangedragen waaruit het vereiste spoedeisende belang bij toewijzing van de vordering kan worden afgeleid. Om die reden is Woonstad niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding.

Proceskosten

6.9

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden gedaagden hoofdelijk veroordeeld in de kosten van de procedure.

6.10

De gevorderde nakosten worden afgewezen, nu voldoende gegevens ontbreken om die kosten reeds thans te kunnen begroten. Mocht tussen partijen een geschil ontstaan omtrent de omvang van die kosten, staat het Woonstad vrij de kantonrechter te verzoeken deze te begroten op de voet van artikel 237 lid 4 Rv.

7 De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende bij wege van voorlopige voorziening:

- verklaart Woonstad niet-ontvankelijk ten aanzien van het gevraagde voorschot op schadevergoeding;

- veroordeelt [gedaagde 1] om het gehuurde binnen 3 weken na betekening van dit vonnis, met alle zich daarin bevindende personen en/of zaken te ontruimen en te verlaten en door afgifte der sleutels aan Woonstad ter beschikking te stellen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per week dat [gedaagde 1] met de uitvoering van dit vonnis in gebreke blijft, tot een maximum van € 25.000,--;

- veroordeelt [gedaagde 2] om het gehuurde binnen 3 weken na betekening van dit vonnis, met alle zich daarin bevindende personen en/of zaken te ontruimen en te verlaten en door afgifte der sleutels aan Woonstad ter beschikking te stellen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per week dat [gedaagde 2] met de uitvoering van dit vonnis in gebreke blijft, tot een maximum van € 25.000,--;

- veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling aan Woonstad van een (gebruiks)vergoeding ter hoogte van de huurprijs, te weten een bedrag van € 432,31 per maand, voor elke maand dat het gehuurde nog niet is ontruimd en aan Woonstad is opgeleverd, met ingang van april 2015 tot en met de maand waarin Woonstad weer beschikking over het gehuurde verkrijgt, een ingegane maand voor een volle gerekend;

- veroordeelt gedaagden, eveneens hoofdelijk, in de proceskosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van Woonstad vastgesteld op € 212,16 aan verschotten en € 400,00 aan salaris van de gemachtigde, genoemde bedragen te vermeerderen met de verschuldigde rente vanaf 14 dagen na de uitspraak van het vonnis tot aan de dag der voldoening;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Willemsen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

775