Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:4079

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-06-2015
Datum publicatie
19-06-2015
Zaaknummer
ROT 14/3818
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:2645, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werknemersorganisatie geen belanghebbende bij verzoek tot handhaving Wav.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 14/3818

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2015 in de zaak tussen

de vereniging Nautilus International, te Rotterdam, eiseres,

gemachtigde: mr. K. Boele,

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder,

gemachtigde: mr. A. Foppen.

Als derde belanghebbende is aangemerkt: [derde belanghebbende 2], gemachtigde mr. J.H. Even.

Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2013 (primair besluit 1) heeft verweerder besloten om in het kader van de Wet op het minimumloon en de minimumvakantiebijslag (WML) geen bestuurlijke boete op te leggen aan [derde belanghebbende 2]en [bedrijf].

Bij besluit van 19 december 2013 (primair besluit 2) heeft verweerder in het verlengde van het besluit van 5 december 2013 verklaard dat er tevens geen aanleiding bestaat om in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) aan [derde belanghebbende 1] en Seacontractors een boete op te leggen.

Tegen deze besluiten heeft eiseres bezwaar gemaakt. Tevens heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 27 maart 2014 (AWB 14/589 en AWB 14/590) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Bij besluit van 19 mei 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2015. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door [vertegenwoordiger] en[vertegenwoordiger]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door
. De derde belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door [vertegenwoordiger].

Overwegingen

1. Eiseres heeft verweerder bij brief van 30 mei 2013 verzocht handhavend op te treden tegen de illegale tewerkstelling van buitenlandse zeevarenden door [derde belanghebbende 1] en mogelijk door de payrollonderneming Seacontractors aan boord van de door [derde belanghebbende 1] geëxploiteerde sleepboten (het verzoek om handhaving). Op de tewerkstelling van buitenlandse zeevarenden, doorgaans van Filipijnse nationaliteit, is, aldus eiseres, zowel het bepaalde in de WML als de Wav van toepassing. Omdat er in strijd wordt gehandeld met het bepaalde in de WML en de Wav, heeft eiseres aan verweerder verzocht om handhavend op te treden door middel van het opleggen van administratieve boetes.

2. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres geen belanghebbende is bij de primaire besluiten in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. Eiseres stelt dat zij wel belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Primair is volgens haar sprake van een eigen rechtstreeks belang. Als werknemersorganisatie is het haar taak onderbetaling van zeevarenden te bestrijden. Omdat onderbetaling van buitenlandse zeevarenden op termijn leidt tot minder nautisch personeel en omdat de wervingskracht van Nautilus afneemt als zij haar taak niet kan vervullen, is de continuïteit van eiseres in het geding. In dit kader doet eiseres een beroep op artikel 11 van het Europees verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens (EVRM). Subsidiair is eiseres van oordeel dat sprake is van een afgeleid belang van haar leden, die een rechtstreeks belang hebben bij de handhavingsverzoeken. Meer subsidiair stelt eiseres dat zij als belanghebbende moet worden aangemerkt omdat zij het algemeen belang van de zee-sleepsector en de belangen van haar leden, niet-leden en potentiële leden vertegenwoordigt door te bevorderen dat zeevarenden aan boord van de Nederlandse zeesleepboten conform de toepasselijke wet- en regelgeving te werk worden gesteld.

4.1

Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Op grond van artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

4.2

Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3669), volgt dat de wetgever de in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, vermelde eis heeft gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid dan ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en een rechtsmiddel zou kunnen aanwenden. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon of een rechtspersoon een voldoende objectief bepaalbaar, actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Uit jurisprudentie volgt dat in beginsel geen sprake is van een belanghebbende in geval van een zogeheten afgeleid belang: in de situatie waarin het besluit slechts indirect de betrokken belangen raakt.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen eigen rechtstreeks belang bij het verzoek aan verweerder om handhavend op te treden. Dat eiseres op termijn gevolgen zal ondervinden van onderbetaling van nautisch personeel, op de wijze zoals door haar gesteld, is een onvoldoende rechtstreeks belang. Aan artikel 11 van het EVRM – het recht van een ieder op vrijheid van vergadering en vereniging met inbegrip van het recht vakverenigingen op te richten en zich daarbij aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen – kan eiseres niet ontlenen dat zij een rechtstreeks belang heeft bij het verzoek om handhaving.

6.1

Eiseres kan evenmin vanuit het oogpunt van de behartiging van een collectief belang worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. In artikel 2, eerste lid, van haar statuten is bepaald dat eiseres zich ten doel stelt het behartigen van de belangen van haar leden, dit alles in de ruimste zin van het woord. Daarmee is het opkomen tegen onderbetaling van buitenlandse zeevarenden geen collectief belang dat eiseres krachtens haar doelstellingen en blijkens haar feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigt. De stelling van eiseres dat haar statuten moeten worden gelezen in samenhang met de Rules van het verband Nautilus International stuit reeds hierop af dat deze Rules gelden voor een andere rechtspersoon en in de statuten van eiseres geen bepaling is opgenomen dat deze Rules ook voor haar van kracht zijn.

6.2

Waar eiseres stelt dat zij opkomt voor de gebundelde individuele belangen van haar leden, die rechtstreeks betrokken zijn, overweegt de rechtbank aanvullend het volgende. Ter zitting is niet weersproken dat twaalf Nederlandse zeevarenden van [derde belanghebbende 1] lid zijn van eiseres. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze werknemers op willen komen tegen de door eiseres gestelde onregelmatigheden. Bovendien is hun belang bij het door eiseres gevraagde verzoek om handhaving onvoldoende concreet en rechtstreeks. Datzelfde geldt voor de zes werknemers van de directe concurrent van [derde belanghebbende 1] die, naar eiseres stelt, lid zijn van haar organisatie. Ook zij hebben naar het oordeel van de rechtbank – anders dan wellicht hun werkgever – onvoldoende concreet en rechtstreeks belang bij het door eiseres gevraagde verzoek om handhaving. Tenslotte stelt eiseres dat zij op grond van internationale afspraken de belangen van de ongeveer tien Filipijnse werknemers van [derde belanghebbende 1] als zogenaamde indirecte leden dient te behartigen. Eiseres heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat deze werknemers, die geen lid zijn van eiseres, om deze belangenbehartiging hebben verzocht. Bovendien is in de statuten van eiseres niet opgenomen dat een dergelijke behartiging van belangen van niet-leden tot haar doelstelling behoort. Voor zover eiseres ook in dit verband betoogt dat haar statuten moeten worden gelezen in samenhang met de Rules van het verband Nautilus International, verwijst de rechtbank naar het onder 6.1 overwogene.

7. De rechtbank is tenslotte van oordeel dat eiseres evenmin vanuit het oogpunt van de behartiging van een algemeen belang kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. In artikel 2, eerste lid, van haar statuten is immers slechts bepaald dat zij zich ten doel stelt het behartigen van de belangen van haar leden, dit alles in de ruimste zin van het woord, zodat het opkomen tegen onderbetaling van buitenlandse zeevarenden geen algemeen belang is dat eiseres krachtens haar doelstellingen en blijkens haar feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigt.

8. De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat eiseres niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de primaire besluiten kan worden aangemerkt, zodat hij terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is dan ook ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.M.L.J. Spierings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
12 juni 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.