Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:3882

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-04-2015
Datum publicatie
04-06-2015
Zaaknummer
3279013 - CV EXPL 14-35966
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

cessie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 3279013 / CV EXPL 14-35966

uitspraak: 10 april 2015

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INTRUM JUSTITIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 2 juli 2014,

gemachtigde: Van Arkel Gerechtsdeurwaarders te Leiden,

tegen

[gedaagde],

wonende te Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. C.W.M. Jansen.

Partijen worden hierna “Intrum Justitia” en “[gedaagde]” genoemd.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 2 juli 2014 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    de conclusie van repliek met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek met productie;

  • -

    akte uitlating productie van de zijde van Intrum Justitia.

De kantonrechter heeft het vonnis nader bepaald op heden.

2 Het geschil

2.1

Intrum Justitia heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 1.135,14 aan hoofdsom, € 170,27 aan buitengerechtelijke kosten en € 102,36 aan verschenen rente.

2.2

Aan haar vordering legt Intrum Justitia - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag dat op 9 februari 2013 tussen [gedaagde] en T-Mobile Netherlands B.V. (hierna: T-Mobile) onder toepasselijkheid van de door T-Mobile gehanteerde algemene voorwaarden een overeenkomst voor het gebruik van (tele)communicatiedienst voor de duur van 24 maanden tot stand is gekomen. [gedaagde] maakt gebruik van de diensten van T-Mobile waarvoor zij maandelijks een vast bedrag aan T-Mobile verschuldigd is, alsmede de kosten van de gevoerde telefoongesprekken conform de tussen partijen overeengekomen tarieven van T-Mobile.

T-Mobile heeft de overeenkomst tussentijds ontbonden wegens wanbetaling en heeft de vaste periodieke kosten, de gebruikskosten alsmede (75% van) de resterende abonnements-termijnen bij [gedaagde] in rekening gebracht.

T-Mobile heeft haar vordering op [gedaagde] aan Intrum Justitia gecedeerd. De cessie heeft plaatsgevonden door middel van een daarvoor bestemde akte van mei 2010. [gedaagde] is van die cessie op de hoogte gebracht. Ter ondersteuning van de stellingen ten aanzien van de cessie heeft Intrum Justitia de akte van cessie, een uittreksel van het daarbij behorende overdrachtsbestand en de aan [gedaagde] gezonden kennisgeving van cessie in het geding gebracht.

2.3

[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - als meest verstekkende verweer aangevoerd dat Intrum Justitia de vordering niet rechtsgeldig gecedeerd heeft gekregen omdat ten tijde van het ondertekenen van de akte van cessie de onderhavige vordering noch de door Intrum Justitia gestelde rechtsverhouding bestond. Nu de cessie heeft plaatsgevonden voordat [gedaagde] een overeenkomst met T-Mobile had gesloten is daarmee niet voldaan aan het vereiste dat de vordering waarop de cessie betrekking heeft in voldoende mate bepaalbaar is.

3 De beoordeling van de vordering

3.1

Beoordeeld dient te worden of Intrum Justitia een vorderingsrecht heeft op [gedaagde]. In dat kader dient de vraag beantwoord te worden of de cessie zoals die tussen T-Mobile en Intrum Justitia heeft plaatsgevonden, rechtsgeldig is.

3.2

Voor cessie van toekomstige vorderingen is het in de artikelen 3:94 en 3:97 BW geschetste kader van belang. Artikel 3:94 BW bepaalt (kort gezegd) dat overgang van rechten plaats vindt door een daarvoor bestemde akte. Voorts is ingevolge dat artikel mededeling aan de personen waartegen die rechten gelden vereist. Artikel 3:97 BW bepaalt dat levering van toekomstige goederen mogelijk is.

Een en ander zou tot de conclusie leiden dat verkoop van een toekomstige vordering mogelijk zou zijn, mits een daartoe bestemde akte bestaat en mededeling is gedaan van cessie. Uit de rechtspraak (HR 24 oktober 1980, NJ 1981,265) volgt echter dat de vordering gelet op artikel 3:84 lid 2 BW ook ten tijde van de cessie in voldoende mate bepaalbaar moet zijn. De Hoge Raad heeft in voornoemd arrest voorts overwogen dat aan die maatstaf pas kan worden voldaan indien de vordering haar grondslag vindt in een ten tijde van de cessie reeds bestaande rechtsverhouding. Ook het Hof Den Haag heeft in zijn uitspraak met LJN-nummer BJ2931 geoordeeld dat de daar aan de orde zijnde overeenkomst onvoldoende grond bood voor het oordeel dat de toekomstige vordering van in dat geval T-Mobile op haar toekomstige klant daarmee is overgedragen en op de daarin voorgeschreven wijze is geleverd. Ten slotte heeft ook de kantonrechter te Haarlem in de uitspraak met LJN-nummer AY9714 in een vergelijkbare zaak de vordering op diezelfde gronden afgewezen en heeft daarbij overwogen dat - indien niet de eis van het bestaan van een rechtsverhouding ten tijde van de cessie zou worden gesteld - het bepaalbaarheidsvereiste van artikel 3:84 lid 2 BW tot een dode letter zou verworden.

3.3

De kantonrechter deelt die opvatting, gelijk ook andere kantonrechters van deze rechtbank. Het door Intrum Justitia overgelegde overdrachtsbestand waarin de vordering op [gedaagde] door middel van vermelding van onder andere de naam van [gedaagde] achteraf geïndividualiseerd is, kan Intrum Justitia gelet op de door de Hoge Raad gestelde maatstaf niet baten. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van Intrum Justitia dan ook dient te worden afgewezen, bij gebreke van een deugdelijke grondslag.

3.4

Intrum Justitia zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De proceskosten worden tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] bepaald op € 300,00 (2 punten) aan salaris voor de gemachtigde.

4 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt Intrum Justitia in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 300,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

16623