Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:3423

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-04-2015
Datum publicatie
18-05-2015
Zaaknummer
C/10/474342 / FT EA 15/1006
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Moratorium afgewezen, onvoldoende aannemelijk geworden dat verzoekster zich naar behoren zal inspannen om het minnelijk traject verder te doorlopen.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Insolventie

moratorium

rekestnummers: [nummer]

uitspraakdatum: 30 april 2015

[naam],

wonende te [adres]

[woonplaats],

verzoekster.

1 De procedure

Verzoekster heeft op 17 april 2015, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw) een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In de oproepingsbrief van 17 april 2015 en het vonnis van deze rechtbank van 20 april 2015 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 23 april 2015.

Ter zitting van 23 april 2015 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    mevrouw [naam], verzoekster;

  • -

    mevrouw M. Poots, beschermingsbewindvoerder;

  • -

    de heer [naam], werkzaam bij Plangroep Hellevoetsluis (hierna: SHV);

  • -

    de heer mr. R.W.F. Heijmeriks, werkzaam bij Heijmeriks Advocaten B.V. (gemachtigde) namens Stichting Maasdelta Groep, gevestigd te Spijkenisse (hierna: verweerster);

  • -

    mevrouw [naam], werkzaam bij Stichting Maasdelta Groep, gevestigd te Spijkenisse (hierna: verweerster).

De heer mr. R.W.F. Heijmeriks heeft namens verweerster voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.

Verweerster heeft op de zitting een kopie van haar brief aan verzoekster van 22 juli 2014 overgelegd.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2 De feiten

Tussen verweerster en verzoekster was een huurovereenkomst tot stand gekomen, op grond waarvan verzoekster met ingang van 28 augustus 2006 huurster was van de woning aan de [adres] [plaats](hierna: de woning).

Verzoekster heeft op 1 december 2010 een verzoekschrift ex artikel 287, vierde lid, Fw ingediend met het verzoek verweerster te verbieden om de woning van verzoekster te ontruimen. Bij beschikking van 19 januari 2011 is de tenuitvoerlegging van het op 18 augustus 2009 uitgesproken vonnis tot ontruiming van de woning van verzoekster opgeschort voor de duur van ten hoogste zes maanden.

Bij vonnis van 26 mei 2011 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van verzoekster. Op 6 augustus 2012 is de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd, zonder verlening van de schone lei op grond van het niet voldoen door verzoekster van haar sollicitatieverplichting.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 24 januari 2014 geoordeeld dat de hoogte van de betalingsachterstand ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Voorts is verzoekster veroordeeld tot ontruiming van haar woning.

Verzoekster heeft op 10 maart 2014 een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend met het verzoek bij wijze van voorlopige voorziening verweerster te verbieden de woning van verzoekster te ontruimen. Bij vonnis van 8 mei 2014 is de tenuitvoerlegging van het voornoemde vonnis van 24 januari 2014 tot ontruiming van de woning van verzoekster opgeschort voor de duur van zes maanden. De rechtbank heeft daarbij bepaald dat de voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan.

Verweerster heeft in juni 2014 een kort geding aangespannen tegen verzoekster vanwege het niet voldoen aan de voorwaarde tot tijdige betaling van de lopende huur. Bij vonnis van 12 juni 2014 heeft de voorzieningenrechter verweerster gemachtigd om tot ontruiming van de woning van verzoekster over te gaan.

Verweerster is vervolgens niet tot ontruiming overgegaan en heeft met verzoekster verschillende afspraken gemaakt. Deze afspraken zijn opgenomen in de door verweerster overgelegde brief van 22 juli 2014.

3 Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en de stichting Stichting Maasdelta Groep gevestigd te Spijkenisse te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 24 januari 2014 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.

De beschermingsbewindvoerder heeft ter terechtzitting verklaard dat zij eind juli 2014 als beschermingsbewindvoerder van verzoekster is aangesteld. Sinds oktober 2014 beschikt zij over het inkomen van verzoekster. Met betrekking tot de afspraak om € 50,- extra over te maken naast de lopende huur, zoals vastgelegd in de brief van 22 juli 2014, heeft de beschermingsbewindvoerder verklaard dat dit per abuis niet in hun systeem was opgenomen. Op 6 maart 2015 is met terugwerkende kracht tot oktober 2014 een bedrag van € 300,- overgemaakt.

SHV heeft ter terechtzitting verklaard dat opnieuw een minnelijk traject is gestart na aanmelding in maart 2015. Op dit moment zijn nagenoeg alle saldo-opgaves van de schuldeisers ontvangen. Binnenkort zal er een voorstel aan de schuldeisers worden gedaan .

Verzoekster heeft ter terechtzitting verklaard dat zij onder behandeling is van een psycholoog, één van de voorwaarden van SHV. Verder heeft verzoekster verklaard dat haar beschermingsbewindvoerder de betalingen zou verrichten, hetgeen nu ook loopt.

4 Het verweer

De gemachtigde van verweerster heeft ter terechtzitting aangevoerd dat een ontruiming thans aan de orde moet zijn omdat verzoekster voldoende kansen heeft gehad welke zij niet heeft benut. De wettelijke schuldsaneringsregeling is in 2012 tussentijds beëindigd wegens het niet nakomen van de sollicitatieverplichting. Tijdens het daaropvolgend moratorium heeft schuldenares niet voldaan aan de verplichting om de lopende huurtermijnen tijdig te voldoen, waarna verweerster een kort geding heeft aangespannen. Na het vonnis van de voorzieningenrechter van 12 juni 2014 zijn er afspraken met verzoekster gemaakt, maar verzoekster is deze afspraken onvoldoende nagekomen. De gemachtigde van verweerster benadrukt dat de schade van verweerster blijft oplopen. De huurachterstand bedraagt op dit moment € 9.496,- exclusief rente en kosten en naar schatting € 12.000,- inclusief rente en kosten. Ten tijde van het uitbrengen van de kort geding-dagvaarding bedroeg de huurachterstand € 6.642,88 exclusief rente, kosten en een eerdere huurachterstand. Volgens de gemachtigde van verweerster is er thans geen enkele zekerheid dat de verplichtingen uit hoofde van de schuldsaneringsregeling zullen worden nagekomen. Verweerster werkt op geen enkele wijze mee aan de sanering van haar schulden, dan wel aan verbetering van haar maatschappelijke positie. Gelet op het vorenstaande heeft de gemachtigde van verweerster de rechtbank verzocht het verzoek af te wijzen.

5 De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 24 januari 2014 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 13 maart 2015 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 28 april 2015 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij met haar gezin in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 24 januari 2014 ten uitvoer kan leggen en om de huurachterstand met rente en kosten niet verder op te laten lopen.

Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat verzoekster zich naar behoren zal inspannen om het minnelijk traject verder te doorlopen. De rechtbank komt daartoe nu de vordering van verweerster reeds vanaf 2009 bestaat en verzoekster zich tot op heden niet saneringsgezind heeft opgesteld. In 2012 is de wettelijke schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd wegens het niet naar behoren nakomen van de sollicitatieverplichting. Nadien is kort na het op 8 mei 2014 voor de tweede keer verleende moratorium van zes maanden een kort geding aangespannen door verweerster wegens het niet betalen van de overeengekomen lopende huur door verzoekster. Nadat de voorzieningenrechter op 12 juni 2014 verweerster heeft gemachtigd om tot ontruiming over te gaan heeft zij desondanks verzoekster een laatste kans geboden om een ontruiming te voorkomen. De rechtbank stelt vast dat verzoekster de brief van 22 juli 2014 met de gemaakte afspraken heeft ondertekend. Verzoekster heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij zich tot het uiterste heeft ingespannen om deze kans te benutten en de afspraken, waaronder maar niet uitsluitend de extra betaling van € 50,- per maand te doen, een gesprek met verweerster aan te gaan en zich in te zetten om extra inkomsten te verwerven, na te komen. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de lange voorgeschiedenis van oplopende huurachterstand, procedures tussen verzoekster en verweerster en niet benutte kansen, van verzoekster een actieve houding had mogen worden verwacht. Aan het verweer dat de beschermingsbewindvoerder verzuimd heeft tijdig vanaf oktober 2014 de extra € 50,- per maand te betalen en dit verzuim inmiddels heeft hersteld gaat de rechtbank voorbij. Immers, verzoekster blijft zelf verantwoordelijk voor het naar behoren nakomen van de door haar gemaakte afspraken met schuldeisers, waaronder maar niet uitsluitend tijdige betaling van € 50,- met ingang van juli 2014. De rechtbank concludeert dat verzoekster voldoende kansen heeft gekregen en desondanks de huurachterstand aanzienlijk heeft laten oplopen. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoekster. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

6 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;

- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van mr. L. Timmermans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 april 2015.