Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:3012

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-04-2015
Datum publicatie
12-05-2015
Zaaknummer
ROT 14/1347
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2016:4361, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toeslag Wwb gesteld op 10% (in plaats van 20%) vanwege thuiswonend kind met recht op studiefinanciering. Normbedrag artikel 25 Wwb. Artikel 3 van de Verordening toeslagen en verlagingen Rotterdam 2012 leidt niet tot onbillijkheden van overwegende aard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 14/1347

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 april 2015 (zoals gewijzigd bij rectificatie uitspraak van 12 mei 2015) in de zaak tussen

[eiseres] , te Hoogvliet Rotterdam, eiseres,

gemachtigde: mr. L. Orie,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. M. van Andel.

Procesverloop

Bij besluit van 12 september 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de hoogte van de op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) op de uitkering van eiseres verleende toeslag van 20% met ingang van 1 augustus 2013 verlaagd naar een toeslag van 10%.

Bij besluit van 6 februari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2014. Eiseres is verschenen,

bijgestaan door mr. M.L.M. Klinkhamer, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek op 12 november 2014 heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.

Eiseres heeft desgevraagd nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft een uitkering op grond van de Wwb. Haar dochter [dochter] (de dochter), geboren op [geboortedatum], is thuiswonend bij eiseres en volgt een MBO opleiding. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres met ingang van 1 augustus 2013 recht heeft op een toeslag van 10%, onder de overweging dat de dochter inkomsten had en studiefinanciering van € 472,89 had kunnen hebben, deze bedragen tezamen het normbedrag van € 618,29 per maand, zoals genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000), overschreden, zodat op grond van artikel 25 van de Wwb geen recht op een toeslag van 20% norm bestaat. Verweerder heeft daarbij overwogen dat het feit dat de dochter van eiseres geen gebruik wenst te maken van de mogelijkheid om bij DUO te lenen, niet voor rekening van de bijstand kan worden gebracht.

2. Eiseres stelt dat verweerder de toeslag ten onrechte met 10% heeft verlaagd. Verweerder dient bij de vaststelling van inkomsten uit te gaan van het feitelijke inkomen van de dochter van eiseres en niet van het het bedrag aan studiefinanciering inclusief de lening, die de dochter zou hebben kunnen ontvangen. Eiseres wijst ter ondersteuning van haar standpunt op twee uitspraken van de rechtbank Den Haag van 8 juli 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2014:8299) en van 27 juni 2014 SGR 14/1084.

In 2012 zijn de artikelen 25 en 26 van de Wwb gewijzigd, zodat nu geldt dat eiseres haar woonkosten niet met haar inwonende meerjarige kinderen met een inkomen tot maximaal het normbedrag genoemd in artikel 3.18 van de WSF 2000 kan delen. Het is volgens eiseres oneerlijk dat de mogelijkheid voor de dochter om een lening bij DUO af te sluiten, aan eiseres wordt tegengeworpen in het kader van de berekening van haar toeslag. Eiseres verzoekt de rechtbank te bepalen dat de toeslag over de maand september 2013 20% moet zijn.

3. Met ingang van 1 januari 2015 is de Wwb gewijzigd en vernoemd tot Participatiewet. Uit het daarbij gegeven overgangsrecht volgt dat dit geding wordt beoordeeld naar het voor die datum geldende recht, dus de Wwb.

Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wwb bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het verhogen en verlagen van de norm, bedoeld in artikel 30.

Op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wwb stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.

Op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wwb verhoogt het college de norm, bedoeld in artikel 21, onderdelen a en b, met een toeslag voor zover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. Deze kosten kunnen in ieder geval niet geheel of gedeeltelijk gedeeld worden met thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder die een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000.

Op grond van artikel 3.18 van de WSF 2000, zoals de bepaling ten tijde hier van belang luidde, bedroeg het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs voor thuiswonende studenten in de periode van 1 januari 2013 tot 1 januari 2014 een bedrag van € 618,29 per maand.

Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Wwb stelt de gemeenteraad in de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, vast voor welke categorieën de norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald. Op grond van het tweede lid vindt verhoging of verlaging van de norm of afwijkende vaststelling van de toeslag plaats onverminderd artikel 18, eerste lid, van de Wwb.

Artikel 3, eerste lid, van de Verordening toeslagen en verlagingen Rotterdam 2012, zoals deze gold ten tijde hier van belang (de Verordening, gepubliceerd in Gemeenteblad 2012, nr. 5), luidt als volgt.

1. De toeslag bedraagt voor een alleenstaande van 23 jaar of ouder of de alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder:

a. 20% als in de woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft dan:

1) zijn ten laste komende kinderen; of

2) thuisinwonende kinderen als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet;

b. 20% als hij onderhuurder is en door middel van een schriftelijke onderhuurovereenkomst en betaalbewijzen aantoont een commerciële huurprijs verschuldigd te zijn;

c. 10% als in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, anders dan een persoon bedoeld in onderdeel a, en hij geen onderhuurder is als bedoeld onder b.

Op grond van artikel 6 van de Verordening kan verweerder in bijzondere gevallen van deze verordening afwijken voor zover toepassing, gelet op de bedoelingen van de wet en de verordening, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4. Ter zitting van 5 september 2014 is vastgesteld dat het geschil zich beperkt tot de hoogte van de toeslag over de maand september 2013. In geschil is of verweerder de niet daadwerkelijk verzilverde aanspraken op studiefinanciering in aanmerking mocht nemen bij de beoordeling of de inkomsten van de dochter van eiseres de norm van artikel 3.18 van de Wsf overschreden. Verder is in geschil of voor de berekening moet worden uitgegaan van de feitelijk gewerkte uren in september 2013, of het feitelijk verdiende inkomen in die maand. Ten laatste is in geschil of verweerder artikel 3 van de Verordening in redelijkheid kon toepassen.

4.1

Naar het oordeel van de rechtbank mag de door de dochter van eiseres niet verzilverde aanspraak op de lening in het kader van de studiefinanciering in aanmerking worden genomen bij het vaststellen van de hoogte van de toeslag van eiseres. Daartoe overweegt de rechtbank dat voor de vaststelling daarvan blijkens de tekst van artikel 25 Wwb bepalend is of de kosten kunnen worden gedeeld. Het is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad), zie bijvoorbeeld een uitspraak van 22 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5565, dat ook kan worden gesproken van het “kunnen delen” van kosten bij een persoon die redelijkerwijs kon beschikken over een inkomen uit arbeid of over een bijstandsuitkering wanneer dat inkomen niet daadwerkelijk is genoten. De rechtbank ziet niet in waarom dit niet zou gelden voor een niet verzilverde aanspraak op studiefinanciering. Dit uitgangspunt geldt ook als het gaat om een (al dan niet gedeeltelijke) lening. Eveneens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 februari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS4786) is dat ook de tot de studiefinanciering behorende component rentedragende lening als een middel dient te worden beschouwd. De verwijzing van eiseres naar de onder punt 2 genoemde uitspraken van de rechtbank Den Haag wijzigen dit oordeel niet. In deze uitspraken heeft rechtbank Den Haag geoordeeld dat de niet verzilverde studiefinanciering geen voorliggende voorziening is omdat de zonen in kwestie geen bijstandsgerechtigden waren en niet - voor de toepassing van artikel 15 van de Wwb - tot het gezin behoren. Anders dan de rechtbank Den Haag en met de rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2014:93) is de rechtbank van oordeel dat het hier gaat om de vraag of eiseres, als bijstandsgerechtigde, haar algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen met een ander. Of die ander zelf ook bijstandsgerechtigde is, is daarvoor niet van belang. De dochter kon dus, als MBO-student, in september 2013 een bedrag van € 472,89 aan studiefinanciering ontvangen en met dit bedrag mag verweerder rekenen.

4.2

De dochter ontving naast studiefinanciering in de maand september 2013 inkomsten uit een bijbaan bij Cool Cat Nederland B.V.. In september 2013 heeft de dochter € 442,66 uitbetaald gekregen. Anders dan eiseres meent, is verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht uitgegaan van € 442,66 aan inkomsten over de maand september 2013 en kan eiseres niet worden gevolgd in haar stelling dat dit bedrag, nu de arbeid in augustus 2013 zou zijn verricht, niet aan de maand september 2013 kan worden toegerekend. Uit vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 4 juli 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY0262, volgt dat voor de beantwoording van de vraag hoe hoog het inkomen van een betrokkene in de referteperiode is geweest, als regel dient te worden uitgegaan van het netto-inkomen zoals dat feitelijk in de referteperiode is ontvangen. Niet valt in te zien waarom in het geval van eiseres van deze regel moet worden afgeweken.

4.3

De onder 4.1. en 4.2 genoemde bedragen overschrijden tezamen het normbedrag van € 618,29 per maand, zoals genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000). Verweerder is er dus terecht vanuit gegaan dat de dochter van eiseres in september 2013 inkomsten boven het vastgestelde normbedrag voor thuiswonende kinderen van 18 jaar of ouder ontving.

4.4

Ten aanzien van de vraag of verweerder artikel 3 van de Verordening in redelijkheid kon toepassen, oordeelt de rechtbank als volgt.

4.4.1

De verordening is een op de Wwb berustend algemeen verbindend voorschrift en kan door de rechter slechts terughoudend worden getoetst. Alleen indien zij in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift dan wel een algemeen rechtsbeginsel kan haar verbindende kracht worden ontzegd. Het is aan verweerder om alle verschillende belangen, die betrokken zijn bij het vaststellen van de verordening, tegen elkaar af te wegen en het is niet aan de rechter om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan die belangen moeten worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen.

4.4.2

Gelet op deze terughoudende toets ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid tot de betreffende bepaling in de verordening heeft kunnen komen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de uitspraak van de Raad van 17 april 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007: BA5045) valt af te leiden dat ouders geen woonkosten kunnen delen met een thuiswonend, niet ten laste komend, kind dat enkel inkomsten heeft uit studiefinanciering. Van tegemoetkomingen in het kader van de studie kan namelijk niet worden verwacht dat deze worden aangewend voor het delen van andere kosten met de in dezelfde woning wonende ouders. Gelet hierop is artikel 25 Wwb op 1 januari 2010 gewijzigd en thans wordt inkomen van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000 in aanmerking genomen. Op grond van artikel 3 van de Verordening wordt bij overschrijding van het normbedrag – met welk (gering) bedrag dan ook – de toeslag niet op 20% maar op 10% vastgesteld, zonder dat verweerder het schaalvoordeel dat zich in die situatie voordoet exact berekent. Dat dit systeem bij een geringe overschrijding van het normbedrag per saldo kan resulteren in een (beperkte) verslechtering van de inkomenssituatie en daarom als onredelijk wordt ervaren, leidt niet tot het oordeel dat de bepaling uit de verordening daarom in zijn algemeenheid in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift of een algemeen rechtsbeginsel. Hierbij acht de rechtbank van belang dat verweerder op grond van artikel 6 van de Verordening in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende kan afwijken van de bepalingen in de verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

4.4.3

De rechtbank is thans (in tegenstelling tot de eerdere uitspraken van de rechtbank Rotterdam, bijvoorbeeld die van 7 februari 2013, ECLI:NL:RBROT:2014:6631) van oordeel dat als uitgangspunt dient te worden gehanteerd dat verweerder in die gevallen waarbij een thuisinwonend kind van 18 jaar of ouder inkomsten tot ten hoogste 10 % van het netto minimumloon heeft boven het normbedrag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wwb, dient te beoordelen of er aanvullende bijzondere omstandigheden zijn die nopen toepassing te geven aan de hardheidsclausule. De rechtbank verlaat dus het standpunt dat inkomsten van een thuisinwonend kind van 18 jaar of ouder tot ten hoogste 10 % van het netto minimumloon boven het normbedrag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wwb zonder gevolg blijft voor de toeslag van de ouder.

4.4.4

De rechtbank begrijpt het betoog van eiseres dat het oneerlijk is dat haar dochter wordt gedwongen te lenen, en de schets van haar krappe financiële situatie, als een beroep op de hardheidsclausule van artikel 6 van de Verordening. Ter zitting heeft verweerder betoogd geen aanleiding te zien om vanwege hardheid van de Verordening af te wijken, omdat het bedrag aan middelen dat de dochter van eiseres heeft kunnen genieten, ruim boven de norm van artikel 25 van de Wwb uitkomt. Verweerder heeft gewezen op antwoorden op Kamervragen waarin is aangegeven dat ouders met inwonende studerende kinderen die enkel inkomsten hebben uit studiefinanciering recht hebben op de volledige bijstandsnorm (Aanhangsel van de Handelingen, TK 2012-2013, nr. 2479). Verweerder benadrukt dat het in het geval van eiseres gaat om middelen uit studiefinanciering én uit inkomsten uit werk. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door eiseres genoemde omstandigheden niet zodanig bijzonder dat verweerder toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule.

5. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht op grond van artikel 25 van de Wwb, in samenhang met artikel 3 van de Verordening besloten het recht van eiseres op een toeslag over september 2013 vast te stellen op 10%.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Schreuder, voorzitter, en mr. L.A.C. van Nifterick en mr. D. Brugman, leden, in aanwezigheid van mr. J.J. van Giezen-Groenewoud, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 14/1347

uitspraak van de meervoudige kamer ter verbetering van de uitspraak van 29 april 2015, zaaknummer ROT 14/1347 in de zaak tussen

[eiseres] , te Hoogvliet Rotterdam, eiseres,

gemachtigde: mr. L. Orie,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. M. van Andel.

Overwegingen

De rechtbank stelt vast dat haar uitspraak van 29 april 2015 kennelijke misslagen bevat die zich voor eenvoudig herstel lenen. Die misslagen hebben betrekking op tikfouten. De rechtbank ziet aanleiding haar uitspraak zoals hieronder weergegeven te wijzigen. De aangepaste versie is te vinden op rechtspraak.nl.

Beslissing

De rechtbank verbetert haar uitspraak van 29 april 2015, ROT 14/1347 als volgt:

In r.o. 4.4.2: “inkomen van ten hoogste het normbedrag” in plaats van: “inkomen van ten hoogte het normbedrag”

In r.o. 4.4.3: “ECLI:NL:RBROT:2014:6631” in plaats van: “ECLI:NL:RBROT:2013:6631”

In de ondertekening: “mr. D. Brugman” in plaats van: “mr. Brugman”

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Schreuder, voorzitter, en mr. L.A.C. van Nifterick en mr. D. Brugman, leden, in aanwezigheid van mr. J.J. van Giezen-Groenewoud, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: