Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:2495

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-04-2015
Datum publicatie
10-04-2015
Zaaknummer
ROT 15-1634
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Uitgeprocedeerde asielzoeker. Herhaald verzoek tot wijzing eerder toegewezen voorziening. Opvang op grond van de Wmo. Eerder ordemaatregel getroffen aansluitend bij de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep van 17 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4178. Geen aanleiding om verderstrekkende voorziening in de vorm van opvang in eenpersoonskamer te verstrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 15/1634

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 april 2015 op het verzoek om wijziging van een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[Naam] , te Gorinchem, verzoeker,

gemachtigde: mr. C.G.J.M. Lucassen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht, verweerder,

gemachtigde: mr. Y. Spiele.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van verzoeker om maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) afgewezen.

Bij besluit van 24 december 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij mondeling uitspraak van 29 januari 2015 (ROT 15/97) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek toegewezen en bepaald dat verweerder binnen 24 uur na deze uitspraak, derhalve vóór 30 januari 2015 11.00 uur, aan verzoeker bed, bad en brood dient aan te bieden.

Bij brief van 12 februari 2015 heeft verzoeker een nieuw verzoek om voorlopige voorziening ingediend en daarbij de voorzieningenrechter verzocht de getroffen voorziening te wijzigen in de zin dat verweerder aan hem opvang dient te bieden in de vorm van een eenpersoonskamer, al dan niet bij het Leger des Heils.

Bij uitspraak van 25 februari 2015 (ROT15/1074) heeft de voorzieningenrechter dat verzoek afgewezen.

Bij brief van 10 maart 2015 heeft verzoeker opnieuw een verzocht om wijziging van de getroffen voorziening, in de zin dat verweerder aan hem opvang dient te bieden in de vorm van een eigen kamer, waar hij kan verblijven op de tijden die hij zelf wenst.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en J.H. Reule, tolk, en vergezeld door J. Aarden, werkzaam voor Vluchtelingenwerk Dordrecht. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door S. Aleksyc en G.A. Mulder.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van artikel 8:87, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, ook ambtshalve, een voorlopige voorziening opheffen of wijzigen.

2. Naar aanleiding van de uitspraak van 29 januari 2015 van de voorzieningenrechter heeft verweerder verzoeker bed, bad en brood aangeboden in die zin dat hij een slaapplaats krijgt bij het Leger de Heils op een slaapzaal en verder een avondmaaltijd en een ontbijt.

3. In de uitspraak van 25 februari 2015 heeft de voorzieningenrechter een eerder verzoek tot wijzing van de getroffen voorziening afgewezen en daarbij het volgende overwogen:

“4.2 Voor inwilliging van een verzoek om wijziging van een getroffen voorlopige voorziening bestaat slechts aanleiding indien er sprake is van:

- feiten die de voorzieningenrechter ten tijde van diens uitspraak niet bekend waren en die, indien zij wel bekend waren geweest, er toe zouden hebben geleid dat geen, dan wel een andere voorlopige voorziening zou zijn getroffen; dan wel

- gewijzigde omstandigheden op grond waarvan thans geen, dan wel een andere voorlopige voorziening moet worden getroffen.

5. Uit de door verzoeker overgelegde brief van 2 februari 2015 van Psychotraumacentrum Zuid Nederland volgt dat verzoeker last heeft van heftige nachtmerries waarbij hij vaak schreeuwt in zijn slaap. Hij is bang voor de reacties van anderen en durft daarom amper te gaan slapen. Er lijkt al een terugval te zijn van zijn psychische klachten. Het beste voor verzoeker zou zijn dat hij een slaapplek heeft waar hij alleen is of een plek die hij slechts met heel weinig mensen die hij durft te vertrouwen hoeft te delen.

6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker onvoldoende aangetoond dat de geboden voorziening niet adequaat is. Aan de brief van 2 februari 2015 kan niet de waarde worden toegekend die verzoeker daaraan toegekend wenst te zien omdat de informatie in de brief niet is gebaseerd op eigen onderzoek van de behandelaars van de situatie van verzoeker maar op waarnemingen van medewerkers van Vluchtelingenwerk. Op zitting heeft verzoeker wel gesteld dat het slechter met hem gaat sinds hij bij het Leger des Heils zit, maar heeft dit niet nader onderbouwd. Ook overigens is de voorzieningenrechter niet gebleken dat de geboden voorziening niet adequaat is.”

4. Verzoeker verzoekt in zijn thans ingediende verzoek wederom dat de voorzieningenrechter bepaalt dat aan hem opvang in de vorm van een eigen kamer wordt geboden, waar hij kan verblijven op de tijden die hij wenst. Verzoeker wijst erop dat hij geen gebruik meer maakt van de opvang bij het leger des Heils, aangezien hij daar niet meer op een eenpersoonskamer kan verblijven sinds de sluiting van de nachtopvang per 1 maart 2015 en dat hij afhankelijk is van de goedheid van anderen of hij ergens een slaapplek kan krijgen. Verzoeker stelt dat hij geen verslechtering van zijn klachten aankan en dat hem, in afwachting van de uitspraak op het beroepschrift, adequate opvang dient te worden verleend door verweerder zoals vermeld in de brief van zijn behandelaars van 6 maart 2015.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5.1

De beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening, indien beroep is ingesteld, is in beginsel bedoeld om te gelden totdat op het beroep is beslist. Als opnieuw om een voorlopige voorziening wordt verzocht, is er in beginsel geen aanleiding het eerder gegeven voorlopig oordeel over de uitkomst van de bodemprocedure opnieuw te bezien. Dit uitgangspunt leidt slechts uitzondering als er sprake is van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter, dan wel als er sprake is van bijzondere omstandigheden of van nieuwe aspecten, die niet eerder naar voren konden worden gebracht.

5.2

In de uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 januari 2015 van deze rechtbank is in navolging van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 17 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4178 besloten tot het treffen van een ordemaatregel. In de uitspraak van de voorzieningenrechter is voorts overwogen dat niet onmiddellijk uitspraak zal worden gedaan in de hoofdzaak gezien de omstandigheid dat de uitspraak van de CRvB ook een voorlopige voorziening betreft en de nadere standpuntbepaling die op Europees niveau over dit onderwerp nog verwacht wordt. In de uitspraak is niet, anders dan in de uitspraak van de Raad, bepaalt dat de voorziening wordt getroffen tot twee maanden nadat het Comité van Ministers van de Raad van Europa zich heeft uitgesproken over de beslissingen van de het Europees Comité voor Sociale Rechten van 1 juli 2014 (gepubliceerd op 10 november 2014 inzake Conference of European Churches (CEC) v. the Netherlands (No. 90/2013) en European Federation of National Organisations working with the Homeless (FEANTSA) v. the Netherlands (No. 86/2012). Uit het bovenstaande volgt dat de voorzieningenrechter op 29 januari 2015 zich niet heeft uitgelaten over de vraag of het bestreden besluit in beroep stand zal houden. De voorzieningenrechter ziet in navolging van deze uitspraak ook geen aanleiding om uitspraak te doen in de hoofdzaak, nu het Comité van Ministers van de Raad van Europa zich nog niet heeft uitgesproken.

5.3

De voorzieningenrechter zal zich beperken tot de vraag of thans wel aanleiding bestaat om het verzoek tot wijziging van de voorlopige voorziening toe te wijzen. Verzoeker heeft een brief van 6 maart 2015 overgelegd van D. Keles, psychiater, en T. van Driessen, sociaal psychiatrisch verpleegkundige, gericht aan Vluchtelingenwerk Dordrecht, waarin – kort samengevat – het standpunt wordt ingenomen dat het noodzakelijk is dat verzoeker wegens zijn psychotische en posttraumatische stressklachten een eigen kamer krijgt waar hij kan verblijven op tijden die hij zelf wenst.

5.4

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de eerder getroffen voorziening te wijzigen in de door verzoeker gewenste zin. Verzoeker is op dit moment een uitgeprocedeerde asielzoeker die in beginsel geen aanspraak kan maken op maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo. Vanwege zijn psychische gesteldheid behoort verzoeker echter tot de categorie van kwetsbare personen waardoor er ten aanzien verzoeker een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van het EVRM. Dit betekent echter niet dat verzoeker daaraan het recht op opvang in een eenpersoonskamer kan ontlenen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de toegekende voorziening als toereikend dient te worden beschouwd. De medische verklaring, los van het feit dat deze zeer algemeen is en geen gedetailleerde beschrijving bevat van de momenten waarop verzoeker zijn behandelaar(s) heeft bezocht en wat toen is vastgesteld, kan daarin geen verandering brengen. De voorzieningenrechter ziet dan ook, anders dan de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland in zijn uitspraak van 22 januari 2015 (ECLI:NL:RBGEL:2015:313), geen aanleiding om te bepalen dat verzoeker voorlopig in aanmerking komt voor opvang in een eenpersoonskamer. De voorzieningenrechter betrekt hierbij het feit dat verzoeker met enige regelmaat gebruik maakt dan wel maakte van de opvang, maar daarnaast ook in staat is (geweest), zoals ter zitting is meegedeeld, zelf opvang te regelen bij vrienden en/of kennissen in Dordrecht, Sliedrecht en Hardinxveld-Giessendam, alwaar hij kan slapen en eten. Voorts houdt de voorzieningenrechter het er vooralsnog voor dat de voorzieningenrechter van de CRvB ook deze categorie van asielzoekers voor ogen heeft gehad bij het treffen van een voorlopige ordemaatregel.

6. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding het verzoek om wijziging van de voorlopige voorziening toe te wijzen.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijs het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Strien, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.Th.A.M. Schouw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 april 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.