Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:1734

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-03-2015
Datum publicatie
16-03-2015
Zaaknummer
KTN-3476124
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ontbinding en ontruiming; bewindvoerder formele procespartij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 3476124 CV EXPL 14-47769

uitspraak: 13 maart 2015

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam

in de zaak van

de stichting STICHTING WOONBRON,

h.o.d.n. Woonbron IJsselmonde,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

gemachtigde: GGN Maas-Delta gerechtsdeurwaarders,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid OBIN B.V.

in de hoedanigheid van beschermingsbewindvoerder ex artikel 1:431 BW van [naam huurder],

gevestigd te Culemborg,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. G.A.J. Purperhart.

Partijen worden hierna aangeduid als Woonbron en Obin.

1 Het verloop van het proces

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennisgenomen:

- het exploot van dagvaarding van 22 september 2014, met producties;

- de conclusie van antwoord, met bijbehorende producties;

- het vonnis van deze rechtbank d.d. 19 november 2014 waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

- de brief namens Woonbron d.d. 13 januari 2015, met producties;

- het proces-verbaal van de op 20 januari 2015 gehouden comparitie van partijen.

1.2

De datum van deze uitspraak is door de kantonrechter bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen het volgende vast.

2.1

Woonbron en[naam huurder] hebben een huurovereenkomst (hierna: de huurovereenkomst) afgesloten met betrekking tot de woning aan de [straatnaam/nummer] te [woonplaats](hierna: het gehuurde).

2.2

De huur dient voor de eerste van de maand voldaan te worden en bedraagt thans

€ 479,89 per maand.

3 Het geschil

3.1

Woonbron heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, - verkort weergegeven-:

- de huurovereenkomst te ontbinden;

- Obin q.q. te veroordelen het gehuurde te verlaten en ontruimen onder afgifte van sleutels en het gehuurde ter vrije en algehele beschikking te stellen van Woonbron;

- Obin q.q. te veroordelen aan Woonbron te betalen € 3.815,66 aan huurachterstand tot en met januari 2015 en eindafrekening service- en stookkosten 2013, € 257,04 aan buitengerechtelijke incassokosten, € 9,23 aan vastgestelde rente, in totaal € 2.162,37, vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.896,10 vanaf de dag der dagvaarding en

€ 479,89 -of zoveel hoger als bij wettelijke huurverhoging is toegestaan- per maand aan huur vanaf 1 februari 2015 tot aan het tijdstip van ontbinding van de huurovereenkomst;

- Obin q.q. te veroordelen in de proceskosten.

3.2

Aan haar vordering legt Woonbron - zakelijk weergegeven – het navolgende ten grondslag. Op grond van de uitspraak van de HR (ECLI:NL:PHR:2014:105) is Obin de formele procespartij.

[naam huurder] is, ondanks diverse aanmaningen, in gebreke gebleven met tijdige voldoening van de huur en de eindafrekening service- en stookkosten 2013. Ter onderbouwing van haar vordering heeft Woonbron bij haar brief van 13 januari 2015 een nadere specificatie van de huurachterstand in het geding gebracht. Vanwege het betalingsverzuim is wettelijke rente verschuldigd.

De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woonruimte met nevenvorderingen is gegrond op de toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [naam huurder]in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst.

Door het betalingsverzuim van [naam huurder]zag Woonbron zich genoodzaakt haar vordering uit handen te geven aan haar gemachtigde. Zij vordert als tegemoetkoming in de door haar verschuldigde buitengerechtelijke incassokosten een bedrag ad € 257,04 op grond van de op de huurovereenkomst toepasselijke voorwaarden, dan wel ingevolge de wet.

3.3

Obin heeft de vordering betwist en heeft daartoe het volgende -zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang- aangevoerd. Woonbron is niet-ontvankelijk in haar vordering, nu zij [naam huurder]niet heeft opgeroepen in het geding te verschijnen, zodat de dagvaarding niet rechtsgeldig is betekend.

Voor het geval Woonbron wel ontvankelijk is in haar vordering geldt het volgende. [naam huurder]betwist de huurachterstand niet. Wel is namens hem het volgende verweer gevoerd: [naam huurder]kampt met psychische problematiek welke hebben geleid tot zijn huidige detentie. In detentie ondergaat hij behandelingen en ontvangt hij medicatie. Een uithuiszetting zet ambulante behandeling en begeleiding op losse schroeven.

Daarnaast betwist [naam huurder]buitengerechtelijke incassokosten en rente verschuldigd te zijn nu hij niet herhaaldelijk is aangemaand en aangezegd, subsidiair dienen deze gematigd te worden nu [naam huurder]een aanvraag doorbetaling vaste lasten bij detentie heeft ingediend en hij na zijn detentie waarschijnlijk een beroep moet doen op de schuldsanering.

4 De beoordeling van de vordering

4.1

Vaststaat dat het bewind al vóór het uitbrengen van de onderhavige dagvaarding is ingesteld. Als gevolg van het bewind is [naam huurder]processueel onbekwaam geworden. Uit de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2014:525) volgt dat Woonbron Obin (in hoedanigheid van bewindvoerder) in rechte dient te betrekken in een geding met betrekking tot een onder bewind gesteld goed en niét -zoals door Obin wel is betoogd- dat [naam huurder](mede) dient te worden opgeroepen. Voorts volgt uit deze beslissing dat een vordering tot ontbinding en ontruiming dient te worden ingesteld tegen de bewindvoerder als formele procespartij, indien de uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten in het onder bewind gestelde vermogen vallen. Nu niet is betwist dat de uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten in het onder bewind gestelde vermogen vallen, is Woonbron ontvankelijk in haar vordering.

4.2

De gevorderde huurachterstand zal worden toegewezen nu deze op de wet gegrond is en niet wordt betwist door [naam huurder]. [naam huurder]is de huurovereenkomst met Woonbron aangegaan en hij is verantwoordelijk voor een tijdige voldoening van de huurtermijnen. Dat hij hieraan niet kan voldoen door, zoals bij verweer is aangevoerd, detentie danwel dwangopname en een conflict met de gemeente over het al dan niet toekennen van een uitkering is schrijnend, maar maakt niet dat hij niet meer aan zijn verplichtingen hoeft te voldoen.

4.3

Op grond van de huurovereenkomst tussen partijen dient de huur voor de eerste van de nieuwe maand voldaan te zijn. De wet bepaalt dat als de huurder niet voor dit overeengekomen tijdstip betaald heeft, hij direct in verzuim is, dus ook zonder voorafgaande ingebrekestelling. Het maakt daarbij dus niet uit of [naam huurder]een aanmaning of herinnering ontvangen heeft. De wet bepaalt ook dat een huurder die in verzuim is met zijn huurbetaling hierover de wettelijke rente verschuldigd is. De wettelijke rente zal op de hierna vermelde wijze worden toegewezen.

4.4

De hoogte van de betalingsachterstand rechtvaardigt ontbinding van de huurover-eenkomst en veroordeling tot ontruiming van het gehuurde. De ontruimingstermijn wordt gesteld op 14 dagen.

4.5

Voldoende is gebleken dat door en/of namens Woonbron buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht anders dan werkzaamheden ter instructie en ter voorbereiding van de zaak. Gelet op de verrichte werkzaamheden en het aan kosten gevorderde bedrag moet worden geoordeeld dat sprake is van redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten wordt dan ook toegewezen.

4.6

Door Obin is nog het verweer gevoerd dat de gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten dienen te worden gematigd gelet op de slechte financiële situatie van [naam huurder]. Echter het aanvoeren van een financieel slechte situatie ontslaat een schuldenaar niet van zijn financiële verplichtingen zodat de kantonrechter geen aanleiding ziet tot matiging.

4.7

Als de in het ongelijk gestelde partij zal Obin, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [naam huurder], worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

5 De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de huurovereenkomst en veroordeelt Obin in de hoedanigheid van beschermingsbewindvoerder ex artikel 1:431 BW van [naam huurder] om binnen 14 dagen na de uitspraak van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege [naam huurder]daar bevinden en het gehuurde onder overgave van de sleutels ter beschikking van Woonbron te stellen;

veroordeelt Obin in de hoedanigheid van beschermingsbewindvoerder ex artikel 1:431 BW van [naam huurder] om aan Woonbron te betalen € 3.815,66 aan huurachterstand tot en met januari 2015 en eindafrekening service- en stookkosten 2013, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over het saldo vanaf

1 juni 2014 dat aan hoofdsom, exclusief kosten, telkens, na elke credit- en debetmutatie, heeft uitgestaan, tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Obin in de hoedanigheid van beschermingsbewindvoerder ex artikel 1:431 BW van [naam huurder] om aan Woonbron met ingang van de maand februari 2015 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt een bedrag van € 479,89 -of zoveel hoger als bij wettelijke huurverhoging is toegestaan- per maand te betalen;

veroordeelt Obin in de hoedanigheid van beschermingsbewindvoerder ex artikel 1:431 BW van [naam huurder]om aan Woonbron te betalen € 257,04 aan buitengerechtelijke kosten;

veroordeelt Obin in de hoedanigheid van beschermingsbewindvoerder ex artikel 1:431 BW van [naam huurder]in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Woonbron vastgesteld op € 557,77 aan verschotten en € 400,00 aan salaris voor haar gemachtigde;

verklaart dit vonnis voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.L. van Zetten en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

745