Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:1420

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-03-2015
Datum publicatie
06-03-2015
Zaaknummer
ROT 14-5175 en ROT 14-5186
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2016:4248, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering van bijstand, en afwijzing van een nieuwe aanvraag om bijstand. Verweerder is uitgegaan van een zeer laag verbruik van water, gas en elektriciteit, en verweerder is van mening dat eisers tegenstrijdige verklaringen over de slaapplaatsen in de woning hebben afgelegd. Voorzover eisers betogen dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een stijgend verbruik van gas, water en elektriciteit in de tweede helft van 2013, slaagt dit. Voorzover eisers stellen dat zij niet aan hun verklaringen kunnen worden gehouden, slaagt dit niet. In het algemeen mag worden uitgegaan van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde verklaring, en komt weinig betekenis toe aan het achteraf intrekken of wijzigen van een dergelijke verklaring. Ervan uitgegaan moet worden dat eisers gedurende een groot deel van het jaar 2013 niet hun hoofdverblijf op het uitkeringsadres hadden. Verweerder heeft in door eisers aangeleverde gegevens aanleiding gezien om bij het bestreden besluit wederom bijstand toe te kennen met ingang van 12 maart 2014. Eisers stellen terecht dat ook in de tweede helft van 2013 al een stijging van het verbruik zichtbaar was. Hoewel ook in de periode tot 19 februari 2014 het verbruik laag is, kan niet langer worden gezegd dat het verbruik dermate laag is dat het hebben van hoofdverblijf op het adres niet aannemelijk kan worden geacht. Hierbij is mede van belang dat het huisbezoek op 19 februari 2014 geen aanwijzingen heeft opgelegd dat eisers niet op het adres zouden verblijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 14/5175, ROT 14/5186

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 maart 2015 in de zaak tussen

[naam] (eiser) en [naam] (eiseres), te [adres], eisers,

gemachtigde: mr. M.J. Hüsen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. R. Stevens en mr. I. Plaisier.

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2014 (primair besluit I) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) ingetrokken en de verstrekte bijstand over de periode vanaf 4 januari 2013 ten bedrage van € 13.178,32 teruggevorderd.

Bij besluit van 5 maart 2014 (primair besluit II) is het bedrag van de terugvordering verhoogd met € 772,08 aan loonbelasting en premies volksverzekeringen (brutering).

Bij besluit van 5 maart 2014 (primair besluit III) heeft verweerder de Wwb-uitkering van eiser ingetrokken en de verstrekte bijstand over de periode vanaf 27 september 2013 ten bedrage van € 3.783,07 teruggevorderd.

Bij besluit van 7 april 2014 (primair besluit IV) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een Wwb-uitkering afgewezen.

Bij besluit van 7 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen primair besluit IV gegrond verklaard en aan eiseres een Wwb-uitkering toegekend met ingang van 12 maart 2014 naar de norm voor een alleenstaande, kostendelend, en de bezwaren van eisers voor het overige ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2014. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1.

Eiseres ontving met ingang van 4 januari 2013 een Wwb-uitkering, naar de norm voor een alleenstaande. In de (toenmalige) gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens was zij ingeschreven op het adres [adres](uitkeringsadres).

Per 27 september 2013 heeft eiser (de broer van eiseres) zich op dit adres ingeschreven, en per 2 december 2013 de vader van eisers. Eiser ontving vanaf 8 oktober 2008 een Wwb-uitkering.

1.2.

Op 26 november 2013 ontving verweerder de anonieme tip dat de woning van eiseres leeg staat en eiseres woonachtig is bij haar moeder. Naar aanleiding van de tip heeft verweerder een onderzoek gestart waarbij verbruiksgegevens van water, gas en elektriciteit zijn opgevraagd, op 19 februari 2014 een huisbezoek is afgelegd en eisers zijn gehoord. De onderzoeksgegevens zijn neergelegd in een rapport van 3 maart 2014 (het rapport).

1.3.

Op grond van het zeer lage verbruik van water, gas en elektriciteit en tegenstrijdige verklaringen van eisers over de slaapplaatsen in de woning is verweerder tot de onder procesverloop genoemde besluitvorming gekomen. Daarbij is overwogen dat eisers in strijd met hun inlichtingenplicht niet hebben gemeld dat zij hun hoofdverblijf niet hebben op het adres waar zij stonden ingeschreven, zodat het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. Voor zover betreft de gegrondverklaring van het bezwaar tegen het primaire besluit IV heeft verweerder het verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar afgewezen, omdat geen sprake zou zijn van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid van dit besluit.

2. Eisers stellen in beroep, kort weergegeven, dat het lage verbruik van gas, water en elektriciteit logisch te verklaren is en dat overigens dit verbruik in de tweede helft van 2013 is toegenomen, dat ten onrechte geen buurtonderzoek is gedaan en dat de vermeende tegenstrijdigheden in de verklaringen van eisers niet ten grondslag kunnen worden gelegd aan intrekking en terugvordering voor 27 september 2013, omdat eiser voor die datum nog niet op het adres verbleef. Voorts stellen eisers dat verweerder het bestreden besluit niet heeft mogen baseren op hun verklaringen, nu eiseres het gespreksverslag niet heeft ondertekend en zij de Nederlandse taal niet goed machtig is en eiser zich onder druk gezet voelde om te ondertekenen, terwijl de gespreksverslagen niet op ambtseed zijn opgemaakt. Ten slotte stelt eiseres dat verweerder haar ten onrechte niet de kosten van bezwaar heeft vergoed.

De rechtbank oordeelt als volgt.

3.1.

Met ingang van 1 januari 2015 zijn – voor zover thans van belang – de Participatiewet, de Invoeringswet Participatiewet en de Wet maatregelen Wet werk en bijstand in werking getreden en is de Wwb gewijzigd en vernoemd tot de Participatiewet. In artikel 78z, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat door het college op grond van de Wwb genomen besluiten gelden als door hem genomen besluiten op grond van deze wet. In het vierde lid is bepaald dat op een bezwaar- of beroepschrift dat vóór of op de datum van inwerkingtreding van artikel I van de Invoeringswet Participatiewet is ingediend tegen een door het college op grond van de Wwb genomen besluit en waarop op die datum nog niet onherroepelijk is beslist, wordt beslist met toepassing van de Wwb. In deze zaak, waarin voor 1 januari 2015 bezwaar is gemaakt, is de Wwb het toetsingskader voor zowel verweerder als de bestuursrechter.

3.2.

In artikel 17, eerste lid, van de Wwb is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Op grond van de artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, zoals deze bepaling luidde tot 1 juli 2013, en voor zover hier van belang, kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Met ingang van 1 juli 2013 is verweerder in een dergelijk geval op grond van artikel 54, derde lid, verplicht om tot herziening of intrekking over te gaan.

In artikel 58, eerste lid, van de Wwb, is, voor zover hier van belang, bepaald dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvordert voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.

In het vijfde lid is bepaald dat bij gebreke van tijdige betaling de vordering kan worden verhoogd met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten. Loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, kunnen worden teruggevorderd, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen.

In het achtste lid is bepaald dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn het college kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

4. Eiseres heeft geen bezwaar gemaakt tegen primair besluit II, terwijl niet blijkt dat haar dat redelijkerwijs niet kan worden verweten. Op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat voor haar daarom geen beroep open in zoverre bij het bestreden besluit primair besluit II is gehandhaafd en is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk.

5.1.

Voor zover eisers betogen dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een stijgend verbruik van gas, water en elektriciteit in de tweede helft van 2013, slaagt dit.

De verbruiksgegevens zijn vermeld in het rapport en nader uiteengezet in het bij het bestreden besluit overgenomen advies van de algemene bezwaarschriftencommissie. Daaruit blijkt een waterverbruik van 6 m³ in de periode van 5 juni 2012 tot 26 mei 2013 en van 17 m³ in de periode van 26 mei 2013 tot 19 februari 2014, en een gasverbruik van 73 m³ en een elektriciteitsverbruik van 79 kWh in de periode van 24 december 2012 tot 5 januari 2014.

Hiermee is, naar door verweerder onweersproken is gesteld, het verbruik van water minder dan een zevende deel van het gemiddelde verbruik volgens het Nibud, en het verbruik van gas en elektriciteit minder dan een twaalfde onderscheidenlijk een vijfentwintigste deel van het gemiddelde verbruik volgens het Nibud. Ook als ermee rekening wordt gehouden dat eiseres in de periode van augustus tot december 2012 op doordeweekse dagen in een instelling van Bouman GGZ werd behandeld, kan dit verbruik worden aangemerkt als zeer laag, en wel zodanig dat niet aannemelijk is dat eiseres, en vanaf 27 september 2013 eiser, hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres. Hierbij is meegewogen dat deze verbruikscijfers niet zijn te rijmen met door eiseres op 19 februari 2014 afgelegde verklaringen dat zij en eiser iedere dag douchen, dat iedere dag wordt gekookt en afgewassen en dat de televisie, het licht en de centrale verwarming de hele dag aanstaan. De door eiser op dezelfde dag afgelegde verklaring geeft eenzelfde beeld van het gestelde verbruik. De verbruikscijfers zijn wel te rijmen met de ook door eiseres afgelegde verklaring dat zij veel bij haar moeder verbleef en de door eiser afgelegde verklaring dat hij drie tot vier maal in de week bij zijn moeder eet en drie tot vier maal in de week bij zijn vriendin slaapt.

5.2.

Hetgeen eisers in bezwaar en beroep over het verbruik naar voren hebben gebracht, zoals het ontbreken van een radio, stereo, droger, wasmachine, magnetron en computer, is onvoldoende om het zeer lage verbruik te verklaren.

Voor zover eisers stellen dat zij niet aan hun verklaringen kunnen worden gehouden, slaagt dit niet. Er is geen reden om hier anders te oordelen dan volgt uit de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) dat in het algemeen mag worden uitgegaan van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde verklaring, en komt weinig betekenis toe aan het achteraf intrekken of wijzigen van een dergelijke verklaring. Het feit dat eiseres haar verklaring niet wenste te lezen en te ondertekenen is op zich onvoldoende grond voor twijfel aan de juistheid van hetgeen de toezichthouder en sociaal rechercheur hebben gerelateerd, terwijl uit het gespreksverslag geen aanwijzing blijkt dat de beheersing van de Nederlandse taal tot enig probleem heeft geleid. De stelling van eiser dat hij zich onder druk gezet voelde om zijn verklaring te ondertekenen, vindt geen steun in enig ander uit het dossier blijkend gegeven; het gespreksverslag biedt ook geen aanknopingspunt dat eiser zijn verklaring onder een dermate grote druk heeft afgelegd dat niet langer ervan kan worden uitgegaan dat hij zijn verklaring in vrijheid heeft afgelegd.

Voor zover eiseres stelt dat haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres mede kan worden afgeleid uit de bezoeken van haar begeleiders van Bouman GGZ aan het adres, slaagt dit niet, nu de bezoeken merendeels werden aangekondigd, er geen gedetailleerd relaas is van hetgeen de begeleiders op het uitkeringsadres hebben aangetroffen en deze bezoeken geen uitsluitsel geven over het verblijf van eiseres voor en na de bezoeken.

5.3.

Op grond van hetgeen onder 5.1 en 5.2 is overwogen moet ervan worden uitgegaan dat eisers gedurende een groot deel van het jaar 2013 niet hun hoofdverblijf op het uitkeringsadres hadden. In bezwaar zijn door eisers gegevens aangeleverd over het verbruik van gas, water en elektriciteit in de periode van 19 februari 2014 tot 1 mei 2014. Hierin heeft verweerder aanleiding gezien om aan eiseres bij het bestreden besluit wederom bijstand toe te kennen met ingang van 12 maart 2014. Eisers stellen dat ook in de tweede helft van 2013 al een stijging van het verbruik zichtbaar was. Dat is juist. Uit het rapport en de daarbij gevoegde jaaroverzichten van Eneco is vanaf 21 november 2013 een stijgende lijn zichtbaar in het verbruik van gas en elektriciteit. Ook het verbruik van water is gestegen. Hoewel ook dan in de periode tot 19 februari 2014 het verbruik laag is, kan niet langer worden gezegd dat, in het licht van de afgelegde verklaringen, het verbruik dermate laag is dat het hebben van hoofdverblijf op het adres niet aannemelijk kan worden geacht. Hierbij komt mede gewicht toe aan het feit dat het huisbezoek op 19 februari 2014 geen aanwijzingen heeft opgeleverd dat eisers niet op het uitkeringsadres zouden verblijven.

Het enkele feit dat eisers tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over de slaapplaatsen op het uitkeringsadres, is onvoldoende om anders te oordelen, nu niet blijkt dat daarnaar nader onderzoek is gedaan, bijvoorbeeld door eisers te confronteren met de vermeende tegenstrijdigheid en hierover opheldering te vragen.

6.1.

Gelet op hetgeen onder 5.1 tot en met 5.3 is overwogen kan het bestreden besluit, voor zover daarbij de primaire besluiten I en III zijn gehandhaafd, niet in stand blijven wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.

6.2.

Het bovenstaande brengt mee dat het bestreden besluit, in zoverre daarbij is geweigerd de kosten van het bezwaar tegen het primaire besluit IV te vergoeden, niet in stand kan blijven.

6.3.

Het bovenstaande brengt voorts mee dat verweerder bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar de brutering zo nodig zal hebben aan te passen.

6.4.

De rechtbank kan niet zelf in de zaak voorzien. Zo verweerder nader onderzoek noodzakelijk acht is thans niet te voorzien of dit in het kader van de huidige procedure tijdig kan worden afgerond. De rechtbank heeft daarom afgezien van de bestuurlijke lus. Verweerder zal opnieuw hebben te beslissen over het uitkeringsrecht van eisers vanaf 21 november 2013 en in het kader daarvan tevens over hetgeen is overwogen in 6.2 en 6.3..

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.470,- (2 punten voor het indienen van twee beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,- en wegingsfactor 1). Hierbij is ervan uitgegaan dat geen sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb, zoals dit luidde tot 1 januari 2015.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dit betrekking heeft op het bij het bestreden besluit gehandhaafde primaire besluit II ;

  • -

    verklaart het beroep overigens gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover deze betrekking heeft op de primaire besluiten I, III en IV;

  • -

    bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eisers het betaalde griffierecht van € 90,- (twee maal € 45,-) vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.470,-, te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, voorzitter, en mr. J.C. Gerritse en

mr. C.F.J. de Jongh, leden, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.