Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:1311

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
28-07-2015
Zaaknummer
ROT 15-1311
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij brief van 21 januari 2015, met bijgevoegde specificatie, is eiser verzocht om het openstaande bedrag van € 928.762,79 aan, op de door eiser verstrekte bijstandsuitkeringen in te houden, bestuursrechtelijke premies te betalen. Nu tegen de inhoudings- en afdrachtbesluiten geen bezwaar is gemaakt en evenmin is gebleken dat eiser zo spoedig mogelijk meldingen van onmogelijkheid tot inhouding en afdracht aan verweerder heeft gedaan, staan de in deze inhoudings- en afdrachtbesluiten opgenomen afdrachtverplichtingen vast.

De brief van 21 januari 2015 betreft een herinnering en is niet op rechtsgevolg gericht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3, geldigheid: 2015-07-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 15/1311

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juli 2015 in de zaak tussen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam,

te Rotterdam, eiser,

gemachtigden: mr. A.J.J. van der Vlist en mr. E. van Lunteren,

en

het Zorginstituut Nederland, verweerder,

gemachtigde: mr. M. Mulder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen verweerders brief van 21 januari 2015 niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het hangende beroep ingediende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, zaaknummer: ROT 15/1313, is bij uitspraak van 10 april 2015 afgewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2015. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en R. Langenberg.

Overwegingen

1. Verweerder heeft sedert 2009 ruim zesduizend besluiten als bedoeld in artikel 18f, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet (de inhoudings- en afdrachtbesluiten) aan eiser gezonden, ertoe strekkend dat eiser bij elk van de betreffende (voornamelijk) bijstandsgerechtigden de door deze verschuldigde en in het besluit gespecificeerde zogeheten bestuursrechtelijke premie moet inhouden op de door eiser verstrekte uitkering en – totdat verweerder hem bericht dat hij daarmee mag stoppen – de ingehouden bedragen maandelijks, binnen zes weken, aan verweerder dient af te dragen door overmaking op het in de besluiten genoemde rekeningnummer. In de besluiten vermeldt verweerder voorts dat wanneer de betrokkene geen uitkering meer ontvangt, dit door eiser direct schriftelijk aan verweerder moet worden gemeld, onder vermelding van het burgerservicenummer van de betrokkene en de datum van beëindiging van de uitkering.

2. Door eiser is tegen deze inhoudings- en afdrachtbesluiten geen bezwaar gemaakt. Wel zijn partijen sedert 2013 in overleg, dat ertoe heeft geleid dat het in eerste instantie volgens verweerder openstaande bedrag van € 4.679.514,- aan niet afgedragen premies voor 6.423 betrokkenen door verweerder is teruggebracht tot een openstaand bedrag van € 928.762,79 voor 1.633 betrokkenen. Na beëindiging van het overleg heeft verweerder eiser bij brief van 21 januari 2015, met bijgevoegde specificatie, verzocht om het openstaande bedrag van € 928.762,79 binnen veertien dagen te betalen. In geschil is, en gelet op het verhandelde ter zitting zal de rechtbank haar beoordeling hiertoe beperken, of verweerder het tegen deze brief door eiser gemaakte bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft geacht op de grond dat slechts sprake is van een herinnering, die als zodanig niet is gericht op rechtsgevolg en dus geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat daartegen, gelet op de artikelen 7:1 en 8:1 van de Awb, geen bezwaar kon worden gemaakt.

3. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat de inhoudings- en afdrachtbesluiten geen onduidelijkheid laten bestaan omtrent de door eiser in te houden en aan verweerder af te dragen bedragen en evenmin over het tijdstip en de wijze waarop die afdracht diende plaats te vinden, zodat daarmee de verplichting tot betaling van een geldsom bij beschikking als bedoeld in artikel 4:86 van de Awb is vastgesteld. Indien verweerder het met deze besluiten oneens was of dit nog niet kon beoordelen, had het op zijn weg gelegen daartegen tijdig en desnoods pro forma bezwaar te maken. Wanneer zich na ommekomst van de bezwaartermijn alsnog de situatie zou hebben voorgedaan dat niet langer op een uitkering kon worden ingehouden, had het op de weg van verweerder gelegen dit zo spoedig mogelijk – in de inhoudings- en afdrachtbesluiten wordt eiser gewaarschuwd dit direct te doen – aan verweerder te melden. Op grond van een dergelijke melding zou verweerder de bestuursrechtelijke premie alsnog bij de betrokkene zelf hebben kunnen gaan innen en de eiser opgelegde inhoudings- en afdrachtverplichting hebben kunnen beëindigen. Bij gebreke van een dergelijk beëindigingsbesluit, had eiser hiertegen bezwaar kunnen maken en zonodig beroep kunnen instellen.

4. Nu tegen de inhoudings- en afdrachtbesluiten geen bezwaar is gemaakt en evenmin is gebleken dat eiser zo spoedig mogelijk de hiervoor bedoelde meldingen aan verweerder heeft gedaan, staan de in deze inhoudings- en afdrachtbesluiten opgenomen afdrachtverplichtingen vast. De omstandigheid dat verweerder naar aanleiding van het tussen partijen gevoerde overleg – en kennelijk mede omdat eiser in korte tijd met zeer veel inhoudings- en afdrachtbesluiten was geconfronteerd – aanleiding heeft gezien om niettemin op grond van latere informatie van eiser alsnog gedeeltelijk af te zien van de invordering van de af te dragen bedragen, betekent niet dat de samenvattende optelling van de resterende door eiser af te dragen bedragen in de herinnering van 21 januari 2015 – op welke herinnering verweerder nog een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 van de Awb heeft laten volgen – op rechtsgevolg is gericht.

5. Het voorgaande betekent – in aanmerking genomen dat verweerder eiser ermee bekend mocht veronderstellen dat een herinnering niet op rechtsgevolg is gericht – dat verweerder het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, zodat het beroep ongegrond is.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, voorzitter, en mr. H. Bedee en prof. mr. A.C. Hendriks, leden, in aanwezigheid van J. van Mazijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.