Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:1238

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-02-2015
Datum publicatie
16-04-2015
Zaaknummer
ROT 15-357 en ROT 14-8783
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Studiefinanciering. Beleidsregel controlebeleid migrerende werknemerschap. Verhoging minimum aantal uren van 32 naar 56 uur per 1 januari 2014. Het is aan de nationale rechter om te beoordelen of er (nog) sprake is van 'reële en daadwerkelijke arbeid'.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer(s): ROT 15/357

ROT 14/8783 (hoofdzaak)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 februari 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak in de zaak tussen

[naam 1], te Rotterdam, verzoekster, tevens eiseres (hierna: eiseres),

gemachtigde: mr. G. Gabrelian,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder,

gemachtigde: mr. T. Holtrop.

Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres medegedeeld dat zij geen recht heeft op studiefinanciering over de maanden februari 2014 tot en met april 2014.

Bij besluit van 4 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.

3. Eiseres is geboren op 30 augustus 1982 en heeft de Duitse nationaliteit. Eiseres volgt een studie aan het [naam 2] te Rotterdam. Eiseres ontving vanaf mei 2013 studiefinanciering. Daarnaast werkt(e) eiseres in loondienst. Sinds eind 2013 volgt eiseres een therapie vanwege haar mentale gesteldheid. In december 2013 heeft eiseres verzocht om verlenging van haar studiefinanciering met 3 maanden vanaf 1 januari 2014 en daarbij verklaard het vereiste aantal uren (56 uur per maand) te werken.

4. Het bestreden besluit strekt tot handhaving van het primaire besluit waarbij verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat eiseres over de maanden vanaf februari 2014 geen recht heeft op studiefinanciering, omdat zij niet is aan te merken als migrerend werknemer of daarmee gelijk gesteld kan worden. Hierbij heeft verweerder verwezen naar de op 1 januari 2014 in werking getreden beleidsregel ‘Beleidsregel controlebeleid migrerend werknemerschap’ van 13 december 2012 (hierna: beleidsregel 56 uur) waarin voor de uitleg van het begrip migrerend werknemerschap aansluiting is gezocht bij de Vreemdelingcirculaire. Op basis van de beleidsregel 56 uur wordt door verweerder een belanghebbende pas als een migrerend werknemer beschouwd als deze gemiddeld ten minste 56 uur per maand werkt. Volgens verweerder heeft eiseres, gelet op de door haar overgelegde stukken, in de periode van april tot en met augustus 2014 niet voldoende uren gewerkt en is niet aannemelijk geworden dat eiseres in de maanden september tot en met december 2014 het gemiddelde over het hele jaar 2014 nog kan verhogen tot 56 uur per maand.

5. Eiseres voert aan dat zij recht heeft op studiefinanciering, al dan niet met ingang van 1 februari 2014. In dat verband wijst zij erop dat zij al in 2013 de status had van migrerend werknemer en dat zij deze status in 2014 heeft behouden, nu zij in 2014 niet is gestopt met het verrichten van betaald werk en ook niet minder is gaan werken. Volgens eiseres heeft het begrip migrerend werknemer zelfstandige betekenis binnen het recht van de Europese Unie en mag dit niet eenzijdig door een lidstaat worden uitgelegd. Eiseres stelt dat uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) blijkt dat een dienstverband van niet meer dan 10 uur per week (40 uur per maand) kan volstaan om aanmerkt te kunnen worden als migrerende werknemer (HvJ EU van 14 december 1995, Megner en Scheffer, C-444/93 en HvJ EU van 4 februari 2014, Genc, C-14/09). Eiseres stelt daarnaast dat uit de uitspraak van het HvJ EU van 18 juli 2007 (Geven, C-213/05) blijkt dat een dienstverband van tussen de drie en veertien uur per week (12-56 uur per maand) voldoende is om aangemerkt te kunnen worden als migrerend werknemer. Onder verwijzing naar haar salarisspecificaties stelt eiseres dat zij in 2014 gemiddeld 38,60 uur per week heeft gewerkt. Het feit dat zij niet voldoet aan de 56-uursnorm doet naar haar mening daaraan niet af. De status van migrerend werknemer is immers niet gekoppeld aan een strikte uursnorm. Eiseres voert ten slotte aan dat verweerder ten onrechte geen acht heeft geslagen op de overige feiten en omstandigheden, waaronder de omstandigheden dat zij tevens student is en dat zij, gelet op haar onderwijsverplichtingen, minder beschikbaar is en zij bovendien te kampen heeft met een borderline persoonlijkheidsstoornis.

6.1

Op grond van artikel 2.2, eerste lid aanhef en onder b, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) kan voor studiefinanciering in aanmerking komen een studerende die niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar wel ingevolge een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie op het terrein van de studiefinanciering met een Nederlander wordt gelijkgesteld.

Op grond van artikel 11.5, eerste lid, van de Wsf 2000 kan verweerder voor bepaalde gevallen de wet buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

6.2

Op grond van artikel 45, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU; voorheen artikel 39 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap) is het verkeer van werknemers binnen de Unie vrij.

6.3

Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie (de Verordening) mag een werknemer die onderdaan is van een lidstaat op het grondgebied van andere lidstaten niet op grond van zijn nationaliteit anders worden behandeld dan de nationale werknemers wat betreft alle voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van beloning, ontslag, en, indien hij werkloos is geworden, wederinschakeling in het beroep of wedertewerkstelling. Ingevolge het bepaalde in het tweede lid van artikel 7 geniet die werknemer er dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers.

7.1

De voorzieningenrechter overweegt dat studenten die kunnen worden aangemerkt als migrerend werknemer in de zin van artikel 45 van het VWEU, op grond van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wsf 2000 in aanmerking kunnen komen voor studiefinanciering.

7.2

Bij de vraag of een student migrerende werknemer kan worden aangemerkt hanteert verweerder de Beleidsregel 56 uur van 13 december 2012 die op 1 januari 2014 in werking is getreden. Daarin is het volgende bepaald:

“Studerenden, met een nationaliteit van een van de lidstaten van de Europese Unie of zij die daarmee gelijkgesteld zijn, kunnen net als Nederlandse studerenden in aanmerking komen voor volledige studiefinanciering, indien zij of hun ouders aangemerkt kunnen worden als migrerend werknemer.

(…)

De Dienst Uitvoering Onderwijs gaat ervan uit dat iedere studerende, die over de controleperiode 56 uur (vóór 1 januari 2014: 32 uur) of meer gemiddeld per maand heeft gewerkt, zonder meer de status van migrerend werknemer heeft en daarmee terecht studiefinanciering heeft ontvangen over het gecontroleerde studiefinancieringstijdvak. (…) Bij het vaststellen van het criterium van 56 uur gemiddeld per maand zal eveneens tot een hoogte van één maand rekening worden gehouden met vakanties en eventuele ziekte

Indien de studerende niet voldoet aan bovengenoemd criterium kan DUO nader onderzoek doen naar de individuele omstandigheden van het geval. Bij deze controle moeten de objectieve criteria en alle omstandigheden die te maken hebben met de aard van zowel de betrokken werkzaamheden als de betrokken arbeidsverhouding in hun geheel beoordeeld worden. Hierbij kan een veelheid van factoren van belang zijn, zoals de aard van het afgesloten arbeidscontract, het aantal gegarandeerde werkuren per maand en de hoogte van het loon. Het is dan ook niet mogelijk gespecificeerd aan te geven in welke gevallen al dan niet sprake is van migrerend werknemerschap. De specifieke omstandigheden van het geval maken een individuele beoordeling door DUO dus nodig.”

7.3

Met betrekking tot het tot 1 januari 2014 geldende beleid verwijst de voorzieningenrechter naar de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). In meerdere uitspraken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009: BJ5579) heeft de CRvB ten aanzien van dit beleid waarin was vastgelegd dat iedere studerende die over de controleperiode 32 uur of meer gemiddeld per maand heeft gewerkt zonder meer de status van migrerende werknemer heeft, geoordeeld dat verweerder in algemene zin geen onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip werknemer als bedoeld in het toen geldende artikel 39 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

7.4

De voorzieningenrechter stelt voorop dat deze rechtbank reeds eerder in een uitspraak van 20 februari 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:980, heeft geoordeeld dat de Beleidsregel 56 uur niet in strijd is met hogere (Europese) wetgeving en niet kan worden geoordeeld dat het per 1 januari 2014 in werking getreden beleid kennelijk onredelijk is. Daarbij heeft deze rechtbank belang gehecht aan de omstandigheid dat verweerder in de beleidsregel 56 uur aansluiting heeft gezocht bij de Vreemdelingencirculaire. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om hierover thans anders te oordelen, te meer daar uit de jurisprudentie van het HvJ EU kan worden opgemaakt dat het aan de nationale rechter is om te beoordelen of er (nog) sprake is van ‘reële en daadwerkelijke arbeid’. De voorzieningenrechter voegt daaraan toe dat de gemachtigde van eiseres bovendien ter zitting uitdrukkelijk heeft aangegeven de nieuwe norm van 56 uur op zich niet te willen bestrijden.

7.5

Niet ter discussie is dat eiseres nog geen vijf jaar in Nederland woont en daarom geen recht heeft op studiefinanciering op grond van verblijfsduur. In deze zaak staat de vraag centraal of eiseres is aan te merken als migrerend werknemer. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord, nu vaststaat dat eiseres per 1 februari 2014 niet heeft voldaan heeft aan de in de Beleidsregel 56 uur opgenomen voorwaarden. Uit het dossier en het bestreden besluit kan voorts worden opgemaakt dat verweerder onderzoek heeft gedaan naar de individuele omstandigheden van het geval. Verweerder heeft daarover met eiseres uitvoerig gecorrespondeerd en nadere informatie gevraagd over de gewerkte uren en de arbeidscontracten van eiseres. Daarbij heeft verweerder gekeken naar de gemiddelde gewerkte uren tot en met augustus 2014 en de verwachte te werken uren tot en met december 2014. Verweerder heeft daarbij rekening gehouden met het feit dat beëindiging van de studiefinanciering onomkeerbare gevolgen heeft voor eiseres, gelet op haar leeftijd. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verweerder voldoende oog heeft gehad voor de persoonlijke en bijzondere omstandigheden van eiseres. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen reden om te oordelen dat verweerder in afwijking van het beleid eiseres toch in aanmerking had moeten laten komen voor studiefinanciering vanaf 1 februari 2014. In dat verband overweegt de voorzieningenrechter dat eiseres weliswaar heeft aangetoond te leiden aan een stoornis, maar tegelijk in staat is geweest om te werken en zelf herhaaldelijk heeft aan gegeven alsnog te kunnen voldoen aan de gestelde eis van 56 uur.

8. Uit het bovenstaande volgt dat het beroep ongegrond is. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

9. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.Th.A.M. Schouw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak – voor zover het betreft de beslissing in de hoofdzaak – kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.