Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:10110

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-12-2015
Datum publicatie
01-12-2016
Zaaknummer
10/993504-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Medeplichtigheid tot witwassen. Phishing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/993504-13

Proces-verbaal van de openbare terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Rotterdam op 17 december 2015.

Tegenwoordig als:

politierechter mr. dr. J.LM. Boek

officier van justitie mr. R. Ahling

griffier D.C. Carsten.

De zaak tegen na te noemen verdachte wordt uitgeroepen.

De verdachte, op de terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de politierechter te zijn genaamd:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] .

De politierechter heeft door deze ondervraging de identiteit van de verdachte vastgesteld.

Als raadsman van de verdachte is aanwezig mr. K.B. Spoelstra, advocaat te Groningen.

In dit proces-verbaal zijn verklaringen en mededelingen steeds zakelijk weergegeven.

De politierechter hervat het onderzoek in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing op de terechtzitting van 19 november 2014.

De officier van justitie draagt de zaak voor.

De politierechter deelt mede de korte inhoud van:

1.

het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter in deze zaak d.d. 19 november 2014;

2.

het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige] , opgemaakt door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, d.d. 29 januari 2015;

3.

het ambtsedig proces-verbaal van de Belastingdienst FIOD, dossiernummer 50766, codenummer 6-OPV-1, d.d. 24 januari 2013, met bijlagen;

4.

het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 20 augustus 2014, betreffende de verdachte; en

5.

de stukken betreffende de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis van de verdachte.

De politierechter merkt op:

We hebben het vooral gehad over de bankrekening van uw zoontje. Maar ook uw bankrekening wordt genoemd in het dossier. U had daar een verklaring voor gegeven in de vorm van een bij een vriendin achtergelaten tas. Daar bent u later op terug gekomen. U zei toen: “Mijn toenmalige vriend had ook een sleutel van de brievenbus”. En dat zegt hij inderdaad zelf ook tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris. In ieder geval blijkt verder dat u naar een andere woning bent gegaan, dat verklaart hij ook. En hij bevestigt dat die spaarrekening van uw zoontje was gekoppeld aan zíjn bankrekening. Nu komt u dus met een alternatieve lezing, dat [getuige] het heeft gedaan. In zijn verklaring worden sommige dingen die u heeft gezegd ondersteund, maar niet dat hij het feit heeft gepleegd. Dat hij dat briefje met uw pincode gestolen heeft en dat hij u bedreigd heeft.

Er is ook geld gestort op de bankrekening die op úw naam staat. Hoe kan dat dan?

De verdachte verklaart:

Dat weet ik niet. Ik weet niet hoe dat in zijn werk is gegaan, anders had ik dat wel verteld.

Hij heeft het toen aan mij toegegeven dat hij het heeft gedaan, maar hoe dat weet ik niet.

U vraagt mij of ik mijn pincode in mijn portemonnaie bewaar. Nee, dat doe ik niet.

Hoe hij er dan aan komt? [medeverdachte] had mijn pincode en passen, maar die had hij niet van mij gekregen. Ik heb zelf nooit met die passen gepind. De pincode wist ik ook helemaal niet.

Nee, ik heb geen contact opgenomen met de bank omdat ik geen pincode had gekregen. Ik heb verder niks gedaan.

De raadsman verklaart:

Mijn cliënte heeft ergens gezegd: Toen ik er kennis van kreeg had ik meteen naar de politie moeten gaan. Vorige maal dat wij hier waren was [verdachte] nog niet toegelaten tot de WSNP. Ze is 12 februari 2015 de WSNP ingegaan. Daar zit ze niet voor niets in. Haar schulden bestaan uit een huurachterstand, schuld bij de bank, StuFi, ziektekostenverzekering enzovoorts. In totaal heeft ze tussen de 20.000 en 30.000 euro schuld. Ze krijgt hulpverlening en neemt deel aan een traject voor alleenstaande moeders. Haar netwerk in Nederland is beperkt: Moeders van school, kennissen van het traject van de gemeente, kennissen van de vrouwenopvang en van de kerk (Destiny Church). Haar zoontje [kind van verdachte] is nu 4 jaar en gaat naar school.

De officier van justitie houdt zijn requisitoir. Hij vordert dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, te vervangen door 30 dagen vervangende hechtenis. De officier legt de vordering over.

Ter toelichting op de vordering merkt de officier van justitie op:

Op de rekeningen van de verdachte en haar zoontje is geld gestort, dat niet van haar was, maar wat daar door middel van “phishing” terecht is gekomen. Wat denk je erbij als je zo’n zaak ziet? Verdachte heeft steeds verklaard dat zij de enige was met een sleutel van de brievenbus. Pas ter zitting zei ze dat haar toenmalige vriend er ook één had. [getuige] zegt ook dat zij zelf naar Almere is gegaan. Het kan zijn dat hij er ook wat mee heeft gedaan, met die pas, en dat zij bang voor hem is. Maar het kan ook zijn, dat zij vanwege het overspel en de verbroken relatie boos op hem is. Zij is echter in eerste instantie heel volhardend geweest in kennelijke leugens. En hoe zit het dan met die pincode? Daar geeft de verdachte geen verklaring voor. Om die reden geloof ik de verdachte niet. Ik denk dat mevrouw het feit zélf heeft gepleegd. Er wordt geld gestort op een bankrekening van de verdachte en op de bankrekening van haar zoontje. Beide rekeningen worden geopend vlak voor het plegen van het feit.

De raadsman voert aan:

In dit dossier zijn meerdere scenario’s mogelijk. Mijn cliënte heeft er niets mee te maken; mijn cliënte en [getuige] hebben er samen mee te maken, of alléén mijn cliënte heeft er mee te maken.

Het eerste scenario lijkt mij de meest waarschijnlijke. Haar motief om anders te verklaren bij de FIOD was, dat zij bang was voor [getuige] . Zij is immers niet voor niets naar Groningen vertrokken en naar de vrouwenopvang gegaan.

Eigenlijk wil ze nog steeds geen contact met [getuige] Ze is nog steeds wel bang voor hem. Vanwege hun vervelende geschiedenis is haar verhaal met betrekking tot het vertrek naar Groningen wel aannemelijk. En ook is het een plausibele reden voor het anders verklaren bij de FIOD dan hier ter zitting. Er komen steeds flarden van informatie boven, de situatie is niet zwart-wit. Die bankrekeningen zijn aan mevrouw te linken. Maar waar het om gaat is: Hoe kwamen die bankpassen in handen van die [medeverdachte] ? En dat weet zij gewoon niet. Mevrouw heeft zelf niet met die passen gepind. Voor het scenario dat zij heeft geschetst; de brievenbus met 2 sleutels, daar is steun voor te vinden in het dossier. Er kan dus worden getwijfeld aan de betrokkenheid van mevrouw, zodat zij vrijgesproken dient te worden.

Mocht u toch een andere mening zijn toegedaan, dan vraag ik u rekening te houden met haar omstandigheden. Mijn cliënte zit in de schuldsanering. Een veroordeling vergroot het risico dat de WSNP wordt beëindigd. Ze moet nog genaturaliseerd worden. Mijn cliënte vreest dat dat haar naturalisatie vertraging zal oplopen in geval van een veroordeling.

De verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Zij maakt van die gelegenheid geen gebruik.

De politierechter verklaart het onderzoek gesloten en zegt terstond mondeling vonnis te zullen wijzen.

De politierechter spreekt het vonnis uit ter openbare terechtzitting.

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------

A a n t e k e n i n g van het m o n d e l i n g v o n n i s

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Inhoud van de tenlastelegging

Bij de dagvaarding is aan de verdachte ten laste gelegde dat

Een of meerdere anderen, op of omstreeks 29 juni 2012, te Rotterdam, althans

in Nederland, meermaals van een geldbedrag (tot een totale waarde van

7295,23,-) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vervreemding hebben

verhuld, door (onrechtmatig):

a. 3750,- van de bankrekening van [slachtoffer] te storten op haar,

verdachtes, bankrekening met nummer [x 1] en vervolgens met de pinpas

voor verdachtes bankrekening met bijbehorende pincode:

-op 29 juni 2012 omstreeks 16:32 uur de chipknip van de pas op te laden met

500,- bij een geldautomaat van ABN-Amro aan de Pretorialaan 47b te Rotterdam,

en/of

-op 29 juni 2012 omstreeks 16:32 uur een contante geldopname te doen à 500,-

bij een geldautomaat van ABN-Amro aan de Pretorialaan 47b te Rotterdam, en/of

-op 29 juni 2012 omstreeks 16:32 uur een pintransactie te doen à 2497,50 bij

Airtel Com BV aan de Pretorialaan 60a te Rotterdam,

b. 3545,23 van de bankrekening van [slachtoffer] te storten op een

bankrekening met nummer [x 2], zijnde de bankrekening van haar,

verdachtes, zoon, voor welke bankrekening verdachte als vertegenwoordiger

staat ingeschreven en vervolgens met de pinpas voor die bankrekening met

bijbehorende pincode:

-op 25 juni 2012 omstreeks 17:42 uur bij een geldautomaat van de ABN Amro in

Amsterdam een contante geldopname te doen à 250,- en/of

-op 25 juni 2012 omstreeks 17:41 uur bij een geldautomaat van de ING bank in

Amsterdam een contante geldopname te doen à 1000,-, en/of

-op 26 juni 2012 omstreeks 18:04 uur een pintransactie te doen bij 'Macao

amusement' in Amsterdam à 100,-, en/of

-op 26 juni 2012 omstreeks 17:44 uur een pintransactie te doen à 750,78 bij

'Pott Change' in Amsterdam, en/of

-op 26 juni 2012 omstreeks 17:47 uur een pintransactie te doen à 801,68 bij

'Pott Change' in Amsterdam, en/of

-op 26 juni 2012 omstreeks 17:48 uur een pintransactie te doen à 598,07 bij

'Pott Change' in Amsterdam,

terwijl die anderen wisten, althans redelijkerwijs moesten vermoeden, dat dat/

die geldbedrag(en) middellijk of onmiddellijk afkomstig was/waren uit enig

misdrijf,

tot welk misdrijf zij, verdachte, op een tijdstip in of omstreeks de periode

van 19 juni 2012 tot en met 26 juni 2012, te Rotterdam, althans in Nederland,

opzettelijk de gelegenheid en/of de middelen en/of de inlichtingen heeft

verschaft door aan (die) een of meerdere anderen haar en haar zoons, zijnde

[kind van verdachte] , pinpas en de bijbehorende pincodes te overhandigen;

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

Bewijsmotivering

De bewezenverklaring steunt op de inhoud van de hiervoor opgegeven bewijsmiddelen, voor zover redengevend voor het bewijs, leverende op de redengevende feiten en omstandigheden voor die bewezenverklaring.

Nadere bewijsoverweging

Vast staat dat twee bankrekeningen waarover de verdachte het beheer had, zijn gebruikt bij het witwassen van het gestolen geld. Daarbij zijn zowel de bij de rekening behorende bankpassen als de bij de bankpassen behorende pincodes gebruikt. De verdachte heeft verklaard dat zij de passen bij het openen van de rekening mee kreeg. De pincodes zijn per post aan het adres van de verdachte gestuurd. De verdachte heeft verklaard dat zij als enige een sleutel had van de brievenbus. Hieruit volgt dat de verdachte de passen en pincodes voorhanden heeft gehad. Uit het gegeven dat anderen die passen en codes hebben gebruikt, vloeit voort dat de verdachte die ter beschikking heeft gesteld. Wie zijn bankpas en pincode aan een ander ter beschikking stelt, is medeplichtig aan het misdrijf dat daarmee wordt gepleegd, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden het tegendeel moet worden aangenomen. Anders dan door de raadsman gesteld zijn die bijzondere omstandigheden niet gebleken, meer in het bijzonder is niet gebleken dat de passen en codes zijn gestolen dan wel door afpersing in de handen van een ander, in het bijzonder [getuige] , zijn terecht gekomen. De beide bankrekeningen zijn enige dagen voor het gebruik bij het witwassen geopend, wat er op duidt dat de rekeningen speciaal voor dit doel zijn geopend, terwijl de verdachte tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over wijze waarop de passen en codes uit haar bezit zijn geraakt.

Bewezenverklaring

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan op die wijze dat

Een of meerdere anderen, op of omstreeks 29 juni 2012, te Rotterdam, meermaals van een geldbedrag (tot een totale waarde van 7295,23,-) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vervreemding hebben verhuld, door (onrechtmatig):

a. 3750,- van de bankrekening van [slachtoffer] te storten op haar, verdachtes, bankrekening met nummer [x 1] en vervolgens met de pinpas voor verdachtes bankrekening met bijbehorende pincode:

- op 29 juni 2012 omstreeks 16:32 uur de chipknip van de pas op te laden met 500,- bij een geldautomaat van ABN-Amro aan de Pretorialaan 47b te Rotterdam, en/of

- op 29 juni 2012 omstreeks 16:32 uur een contante geldopname te doen à 500,- bij een geldautomaat van ABN-Amro aan de Pretorialaan 47b te Rotterdam, en/of

- op 29 juni 2012 omstreeks 16:32 uur een pintransactie te doen à 2497,50 bij Airtel Com BV aan de Pretorialaan 60a te Rotterdam,

b. 3545,23 van de bankrekening van [slachtoffer] te storten op een bankrekening met nummer [x 2], zijnde de bankrekening van haar, verdachtes, zoon, voor welke bankrekening verdachte als vertegenwoordiger staat ingeschreven en vervolgens met de pinpas voor die bankrekening met bijbehorende pincode:

- op 25 juni 2012 omstreeks 17:42 uur bij een geldautomaat van de ABN Amro in Amsterdam een contante geldopname te doen à 250,- en/

- op 25 juni 2012 omstreeks 17:41 uur bij een geldautomaat van de ING bank in Amsterdam een contante geldopname te doen à 1000,-, en

- op 26 juni 2012 omstreeks 18:04 uur een pintransactie te doen bij 'Macao amusement' in Amsterdam à 100,-, en - op 26 juni 2012 omstreeks 17:44 uur een pintransactie te doen à 750,78 bij 'Pott Change' in Amsterdam, en

- op 26 juni 2012 omstreeks 17:47 uur een pintransactie te doen à 801,68 bij 'Pott Change' in Amsterdam, en - op 26 juni 2012 omstreeks 17:48 uur een pintransactie te doen à 598,07 bij 'Pott Change' in Amsterdam,

terwijl die anderen wisten, althans redelijkerwijs moesten vermoeden, dat dat/die geldbedrag

(en) middellijk of onmiddellijk afkomstig was/waren uit enig misdrijf, tot welk misdrijf zij, verdachte, op een tijdstip in de periode van 19 juni 2012 tot en met 26 juni 2012, te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk de gelegenheid en/of de middelen en/of de inlichtingen heeft verschaft door aan (die) een of meerdere anderen haar en haar zoons, zijnde [kind van verdachte] , pinpas en de bijbehorende pincodes te overhandigen;

Kwalificatie

Het bewezen feit levert op:

Medeplichtigheid tot witwassen

Strafbaarheid feit

Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid verdachte

De verdachte is strafbaar.

Toegepaste wetsartikelen

Gelet is op de artikelen 9, 22c, 22d en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Strafoplegging

Taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan,

met bevel, dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 54 (vierenvijftig) uren te verrichten taakstraf resteert.

Met bevel dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.

Motivering strafoplegging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft bankrekeningen, pinpassen en pincodes verstrekt om daarmee transacties te (laten) verrichten waarvan zij wist of moest vermoeden dat deze niet legaal waren. De verdachte heeft hiermee laakbaar gehandeld en de politierechter rekent haar deze handelwijze aan. Bij het bepalen van de op te leggen straf is in aanmerking genomen dat er méér dan twee jaren verstreken zijn tot aan de behandeling van de zaak ter terechtzitting en dat de verdachte blijkens het uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 20 augustus 2014 nooit eerder terzake soortgelijke feiten is veroordeeld.

Bijkomende beslissing

De rechter acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

_________________________________________________________________________

De politierechter geeft aan de verdachte kennis dat zij binnen veertien dagen hoger beroep kan instellen tegen dit vonnis en maakt haar opmerkzaam op het recht om op de terechtzitting van dat rechtsmiddel afstand te doen.

Dit proces-verbaal is vastgesteld en ondertekend door de politierechter en de griffier.