Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:10109

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-11-2015
Datum publicatie
28-10-2016
Zaaknummer
C/10/486636 / KG ZA 15-1119
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

executiegeschil

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/486636 / KG ZA 15-1119

Vonnis in kort geding van 9 november 2015

in de zaak van

1. de naamloze vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. de naamloze vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

REAAL SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

3. de naamloze vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HDI GERLING VERZEKERING N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. V.R. Pool en mr. P.J.M. Drion,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. P.J. Hoepel en mr. H.C.S. van der Houven van Oordt.

Partijen zullen hierna Allianz c.s. en [gedaagde] genoemd worden. Allianz c.s. zullen afzonderlijk respectievelijk worden aangeduid met Allianz, Reaal en HDI.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 5 juli 2013;

  • -

    de eis in reconventie;

  • -

    de producties van Allianz c.s.;

  • -

    de pleitaantekeningen van mr. V.R. Pool en mr. P.J.M. Drion;

  • -

    de pleitaantekeningen tevens akte vermeerdering van eis in reconventie

van mr. P.J. Hoepel en mr. H.C.A. van der Houven van Oordt.

1.2.

Partijen hebben de respectieve standpunten toegelicht ter zitting van 26 oktober 2015. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] heeft met ingang van 4 december 2009 bij Allianz c.s. een plezier-vaartuigenverzekering (hierna: de verzekering) afgesloten met als verzekerd object een Urker viskotter genaamd Aris-Tima (hierna: de Aris-Tima).

2.2.

De verzekering biedt in beginsel dekking voor schade veroorzaakt door brand.

De Aris-Tima is casco verzekerd voor een bedrag van € 2.700.000,00 en de inboedel van

de Aris-Tima is verzekerd voor een bedrag van € 273.976,00. De wettelijke aansprakelijk-heid bij de verzekering bedraagt € 5.000,00.

2.3.

De verzekering geeft, gelet op artikel 5 van de op de verzekering van toepassing zijnde voorwaarden, geen dekking indien de schade met opzet of met uitdrukkelijk goedvinden van verzekerde is veroorzaakt.

2.4.

Op 23 februari 2011 is er brand uitgebroken aan boord van de Aris-Tima.

2.5.

Allianz c.s. hebben op de voet van artikel 7:952 BW aan [gedaagde] verzekeringsdekking voor de Aris-Tima ontzegd.

2.6.

Allianz c.s. heeft bij conclusie van antwoord d.d. 7 maart 2012 onder 8 het volgende bewijsaanbod gedaan:

“8.1 Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden staat vast dat de brand aan boord van de Aris-Tima is gesticht door [gedaagde] althans bestaat daarvan het zwaarwichtige vermoeden.

Dat betekent dat de vordering van [gedaagde] voor afwijzing gereed ligt.

8.2

Voor zover Uw Rechtbank oordeelt dat op verzekeraars enige bewijslast rust, biedt

verzekeraars aan haar stellingen te bewijzen met alle mogelijke middelen rechtens,

waarbij voor getuigenverklaringen in aanmerking komen de heren [persoon1]

( [bedrijf1] ), [persoon2] ( [bedrijf2] ), [persoon3] ( [bedrijf3]

[bedrijf3] ), [persoon4] (DEKRA) en de [persoon5] . Dit aanbod geldt in het bijzonder (maar niet uitsluitend) met betrekking tot de volgende stellingen:

 [gedaagde] komt geen recht toe op enige verzekeringsuitkering, nu hij frauduleus heeft gehandeld althans er sprake is van opzettelijke brandstichting door [gedaagde] ;

 [gedaagde] had een motief tot opzettelijke brandstichting;

 De conclusies van Biesboer omtrent de ernst van de schade, de vloerinbrandingen, de jerrycans, de dieselolie(lekkage), een technische oorzaak, de tijdspanne en de afsluiting van het kotterjacht kunnen geen stand houden;

 [bedrijf1] heeft haar onderzoek met de noodzakelijke zorgvuldigheid uitgevoerd;

 Het rapport van [bedrijf2] is van een dusdanige kwaliteit dat het in volle omvang kan worden meegewogen bij de beoordeling van het geschil.”

2.7.

Allianz c.s. heeft bij conclusie van dupliek d.d. 17 oktober 2012 onder 8 het volgende bewijs(aanbod) gedaan:

“8.1 Verzekeraars hebben aangetoond althans voldoende aannemelijk gemaakt dat de brand is

veroorzaakt door brandstichting door [gedaagde] hetgeen betekent dat [gedaagde] op grond van

artikel 7:952 BW geen vorderingsrecht jegens verzekeraars toekomt.

In ieder geval leveren de door verzekeraars naar voren gebrachte feiten en omstandigheden die door [gedaagde] niet althans onvoldoende zijn weersproken, het zwaarwichtige vermoeden op dat [gedaagde] de brand heeft gesticht.

Voor zover nodig bieden verzekeraars aan al hun stellingen te bewijzen door allen middelen rechtens, met name door het horen van getuigen zoals [persoon5] omtrent de gang van zaken aan boord van het schip en de zeevaardigheid van [gedaagde] ; en Bianchi, [persoon1] en [persoon2] omtrent hun bevindingen en de daaruit te trekken conclusies en Slagter omtrent de schade en de omvang daarvan.

Indien uw rechtbank aanleiding ziet bewijs te doen leveren door middel van een deskundigenbericht verzoeken verzekeraars uw rechtbank verzekeraars in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de persoon van de deskundige(n) en de aan de deskundige(n) te stellen vragen.”

2.8.

Bij tussenvonnis van 1 mei 2013 van de rechtbank Rotterdam met zaak-

/rolnummer: C/10/392600/HA ZA 11-2008 heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de rol van 29 mei 2013 voor het nemen van een akte door beide partijen zoals overwogen in r.o. 4.4. en iedere verdere beslissing aan gehouden.

In dit tussenvonnis staat, voor zover hier relevant, het volgende:

4. De beoordeling

4.1.

Vast staat dat [gedaagde] de Aris-Tima ten tijde van de brand had verzekerd tegen brand.

In beginsel heeft [gedaagde] dus aanspraak op uitkering onder de verzekering. Bij wijze van verweer beroepen Allianz c.s. zich op opzet van [gedaagde] . Allianz c.s. voeren immers aan dat [gedaagde] de brand zelf heeft gesticht, hetgeen aan dekking in de weg staat. Allianz c.s. beroepen zich ter onderbouwing van hun stelling op de diverse rapporten die door de door hen ingeschakelde deskundigen zijn opgesteld.

[gedaagde] heeft het verweer van Allianz c.s. gemotiveerd bestreden met een beroep op de door hem in het geding gebrachte deskundigenrapporten.

4.2.

Gelet op het voorgaande wenst de rechtbank te worden voorgelicht over de oorzaak van de brand door een door haar de benomen deskundige. Nu partijen het erover eens zijn dat onderzoek op de Aris-Tima zelf niet meer mogelijk is, zal het onderzoek van de deskundige zich moeten richten op het analyseren van het dossier, in het bijzonder van de reeds door alle partijen in het geding gebrachte deskundigenrapporten.

4.3.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de persoon van de deskundige en zij hebben zich akkoord verklaard met de benoeming van de heer [persoon6] , werkzaam als teamleider bij het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: de deskundige). De deskundige heeft te kennen gegeven bereid en in staat te zijn het verzochte onderzoek te verrichten en daartoe als deskundige op te treden.

4.4.

De rechtbank stelt voor om de volgende vragen voor te leggen aan de deskundige:

- Kunt u op basis van het dossier concluderen of de brand is aangestoken, dan wel of de

brand is ontstaan door een technische oorzaak? Graag uw antwoord toelichten.

- Kunt u daarbij aangeven met welke mate van zekerheid u zich hierover kunt uitlaten?

Graag uw antwoord toelichten.

- Heeft u overigens nog opmerking die u voor de beoordeling van deze zaak van belang acht?

De zaak zal naar de rol worden verwezen zodat ook partijen zich kunnen uitlaten over de aan de deskundige te stellen vragen.

……”

2.9.

Bij tussenvonnis van 24 juli 2013 van de rechtbank Rotterdam met zaak-

/rolnummer: C/10/392600/HA ZA 11-2008 heeft de rechtbank, voor zover hier relevant,

de volgende verdere beoordeling gegeven:

“……

vragen

De door Allianz c.s. voorgestelde aanvullende vraag of de deskundige bij zijn oordeel specifiek door Allianz c.s. genoemde omstandigheden wil betrekken, zal niet aan de deskundige worden voorgelegd. Het betreft omstandigheden die door Allianz c.s. zijn aangevoerd in de procedure en die vermeld worden in door haar overgelegde rapporten. Het is standaard dat de deskundige kennis dient te nemen van de processtukken en in de beslissing is opgenomen dat Allianz c.s. het volledige procesdossier in afschrift aan de deskundige dient te verstrekken.

……”

2.10.

[persoon6] (hierna: [persoon6] ), NFI-deskundige brandtechnisch, technisch en materiaal-kundig onderzoek, heeft in het rapport d.d. 11 december 2014 als volgt geconcludeerd:

“1. Kunt u op basis van het dossier concluderen of de brand is aangestoken? Graag uw antwoord

toelichten.

De (technische) bevindingen zoals uiteengezet in hoofdstuk 4 en geïnterpreteerd in hoofdstuk 5

passen bij een scenario waarin de brand is aangestoken.

2. Kunt u op basis van het dossier concluderen of de brand is ontstaan door een technische

oorzaak? Graag uw antwoord toelichten.

De (technische) bevindingen zoals uiteengezet in hoofdstuk 4 en geïnterpreteerd in hoofdstuk 5

kunnen passen bij een scenario waarin de brand is ontstaan door een technische oorzaak.

3. Kunt u bij de voorgaande vragen aangeven met welke mate van zekerheid u zich hierover

kunt uitlaten? Graag uw antwoord toelichten.

Er zijn teveel aspecten door de verschillende brandonderzoekers ter plaatse onvoldoende onderzocht

om gefundeerd een mate van zekerheid aan te kunnen geven.

4. Heeft u overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang kunnen zijn?

Het meest opvallende bij de analyse van het dossier en de standpunten van de verschillende partijen

was dat hoofdzakelijk algemeenheden worden aangevoerd. Dat is echter niet voldoende. Het gaat

om de toepassing ervan in deze specifieke situatie.”

2.11.

Allianz c.s. heeft bij conclusie na deskundigenbericht d.d. 13 mei 2015 onder 6 het volgende bewijsaanbod gedaan:

“Verzekeraars zijn van mening dat alle feiten en omstandigheden van het onderhavige geval, waaronder de bevindingen van de deskundigen, het bewijs opleveren dat [gedaagde] de brand heeft gesticht althans dat er een zwaarwichtig vermoeden bestaat dat [gedaagde] zulks heeft gedaan, met

als consequentie dat aan eiser zijn vordering dient te worden ontzegd.

Onder uitdrukkelijke handhaving van het hiervoor en eerder door verzekeraars gedane bewijsaanbod bieden verzekeraars onder protest van ongehoudenheid aan al hun stellingen te bewijzen door het horen van getuigen, in het bijzonder:

- [persoon5] omtrent de reis van Stellendam naar Allicante en de omstandigheden

aan boord tijdens die reis;

- Van de Kerkhof en Van Dongen omtrent het door [bedrijf1] uitgevoerde

onderzoek op en in het schip en de bevindingen als resultaat van dat onderzoek;

- medewerkers van Allianz omtrent de inhoud van de opdracht aan [bedrijf1]

[bedrijf1] ( [persoon1] die het onderzoek leidde is inmiddels overleden);

  • -

    Ir. [persoon2] omtrent zijn bevindingen, met name de sporen van diesel die zijn aangetroffen;

  • -

    Slagter omtrent zijn overleg met [gedaagde] en met de scheepswerf omtrent het eventuele

Herstel van de schade aan het schip.”

2.12.

Bij vonnis van 30 september 2015 van de rechtbank Rotterdam met zaak-/rolnummer: C/10/392600/HA ZA 11-2208 (hierna: het vonnis) zijn, voor zover hier van belang, Allianz en Reaal ieder veroordeeld tot betaling van 35% van € 3.108.595,50 (exclusief rente) en is HDI veroordeeld tot betaling van 30% van € 3.108.595,50 (exclusief rente).

In het vonnis staat, voor zover hier relevant, het volgende:

2. De verdere beoordeling

2.1.

[gedaagde] heeft zijn eis vermeerderd en hij vordert thans primair veroordeling van Allianz en Reaal beiden tot betaling van 35% van € 3.521.248,62 (subsidiair van € 3.498.553,71) en veroordeling van HDI tot betaling van 30% van € 3.521.248,62 (subsidiair van € 3.498.553,71) te vermeerderen met rente en kosten.

2.2.

Door Allianz c.s. is geen bezwaar gemaakt tegen de toelaatbaarheid van de wijziging van eis, en van strijd met de regels van een goede procesorde is geen sprake zodat op de gewijzigde eis zal worden beslist.

2.3.

In het tussenvonnis van 1 mei 2013 is onder meer overwogen dat de rechtbank wenst te worden voorgelicht over de oorzaak van de brand op de Aris-Tima door een door haar te benoemen deskundige. De rechtbank heeft [persoon6] , werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: de deskundige) benoemd als deskundige teneinde onderzoek te verrichten naar

de oorzaak van de brand aan de hand van de beschikbare stukken.

2.4.

De antwoorden van de deskundige (pagina 53) van het deskundigenrapport) op de aan hem gestelde vragen luiden als volgt:

1. De (technische) bevindingen zoals uiteengezet in hoofdstuk 4 en geïnterpreteerd in hoofdstuk 5 passen bij een scenario waarin de brand is aangestoken.

2. De (technische bevindingen zoals uiteengezet in hoofdstuk 4 en geïnterpreteerd in hoofdstuk 5 passen bij een scenario waarin de brand is ontstaan door een technische oorzaak.

3. Er zijn teveel aspecten door de verschillende brandonderzoekers ter plaatse om gefundeerd een mate van zekerheid aan te kunnen geven.

4. Het meest opvallende bij de analyse van het dossier en de standpunten van de verschillende partijen was dat hoofdzakelijk algemeenheden worden aangevoerd. Dat is echter niet voldoende.

Het gaat om de toepassing ervan in deze specifieke situatie.

2.5.

In beginsel heeft de rechter een beperkte motiveringsplicht ook wat betreft zijn beslissing de zienswijze van de deskundige al dan niet te volgen; de inhoud van deze motiveringsplicht is afhankelijk van de aard van het bewijsmateriaal en de aard en de mate van precisering van de daartegen door partijen aangevoerde bezwaren (Hoge Raad 05-12-2003, LJN: AN8478).

2.6.

De rechter dient, bij de beantwoording van de vraag of hij de conclusies waartoe een deskundige in zijn rapport is gekomen in zijn beslissing zal volgen, alle ter zake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen en op basis van die aangevoerde stellingen in volle omvang te toetsen of aanleiding bestaat van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken (vgl. HR 19 oktober 2007, LJN: BB5172, C06/086). Indien de rechter in een geval als dit - waarin de geleerde opinie van andere, door een der partijen geraadpleegde, deskundigen op gespannen voet staat met die van de door de rechter benoemde deskundigen - de zienswijze van de door hem aangewezen deskundige volgt, zal de rechter zijn beslissing in het algemeen niet verder behoeven te motiveren dan door aan te geven dat de door deze deskundige gebezigde motivering zeker als deze vooral is gebaseerd op bijzondere kennis, ervaring en/of intuïtie, hem overtuigend voorkomt. De rechter zal op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door hem aangewezen deskundige moeten ingaan, als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze (vgl. Hoge Raad 08-07-2011, LJN BQ3519).

2.7.

Hetgeen door Allianz c.s. bij conclusie na deskundigenbericht is aangevoerd is niet aan te merken als een voldoende gemotiveerde betwisting van de juistheid van de zienswijze van de deskundige. Het komt er hoofdzakelijk op neer dat Allianz c.s. een ander standpunt innemen ten aanzien van de oorzaak van de brand en daarbij verwijzen naar hetgeen zij eerder in de procedure hebben gesteld en naar de rapporten van de door hen ingeschakelde deskundigen. De deskundige heeft in Bijlage 4 van het deskundigenbericht gereageerd op de visie van Allianz c.s. In dat licht heeft hij onder meer opgemerkt “Het feit dat de onderzoeksbevindingen het beste passen bij brandstichting wil nog niet zeggen dat de brand ook werkelijk door brandstichting is ontstaan. Ik heb in mijn rapportage naar mijn mening voldoende aangegeven dat er ook reële andere alternatieve mogelijkheden zijn.”

(halverwege pagina 6 van Bijlage 4).

2.8.

De rechtbank acht het rapport van de deskundige concludent en neemt de bevindingen daarin over. Dit brengt met zich dat niet kan worden vastgesteld dat de brand is aangestoken en dat sprake zou zijn van opzet aan de kant van [gedaagde] . Aangezien de bewijslast van opzet bij Allianz c.s. rust, heeft [gedaagde] (in beginsel) recht op vergoeding van de door hem geleden schade als gevolg van

de brand.

……”

3 Het geschil in conventie

3.1.

Allianz c.s. vorderen dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

I. bepaalt dat [gedaagde] het vonnis d.d. 30 september 2015 niet ten uitvoer kan leggen totdat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan;

subsidiair:

II. bepaalt dat [gedaagde] het vonnis d.d. 30 september 2015 alleen ten uitvoer kan leggen, indien daartegenover een behoorlijke zekerheid wordt verstrekt teneinde verzekeraars van een eventuele terugbetaling na afloop van de procedure in hoger beroep te verzekeren;

primair en subsidiair:

III. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure te voldoen binnen vijf dagen na dagtekening van dit vonnis.

3.2.

[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagde] vordert, na vermeerdering van eis, dat de voorzieningenrechter bij vonnis,

uitvoerbaar bij voorraad:

1. Allianz c.s. veroordeelt in de werkelijke kosten van dit executiegeschil, waaronder

volledige advocaatkosten zijdens [gedaagde] , de volledige advocaatkosten later op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

2. Allianz c.s. veroordeelt tot betaling van € 18.150,00 (inclusief BTW) aan [gedaagde] bij wijze van voorschot op de door hem te maken advocaatkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf tien dagen na de datum van het vonnis;

3. Allianz c.s. verbiedt in enige vorm beslag te leggen ten laste van [gedaagde] voor vorderingen die op enige wijze verband houden met de verzekering van de ARIS-TIMA, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,00 per keer.

4.2.

Allianz c.s. voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

Het door [gedaagde] gedane beroep op de nietigheid van de dagvaarding op grond van artikel 120 lid 1 Rv, nu [gedaagde] wordt gedagvaard door (ondermeer) de niet meer bestaande Allianz Nederland Schadeverzekering N.V. wordt op de voet van artikel 122 Rv verworpen.

[gedaagde] is hierdoor niet onredelijk in zijn belangen geschaad. De voorzieningenrechter begrijpt dat in de kop van de dagvaarding Allianz Benelux N.V. als zijnde eiseres sub 1 is bedoeld. De onder artikel 111 lid 1 onder c Rv voorgeschreven rechtsregel verzet zich er niet tegen dat door Allianz c.s. meerdere advocaten worden gesteld. Het beroep door [gedaagde] op nietigheid van de dagvaarding op die grond wordt mitsdien eveneens verworpen.

5.2.

Subsidiair heeft [gedaagde] aangevoerd dat Allianz Nederland Schadeverzekering N.V. niet ontvankelijk is in haar vordering, omdat deze vennootschap niet meer bestaat.

De voorzieningenrechter verwerpt dit verweer op grond van het volgende.

Het betreft een louter formele fout, terwijl voor alle partijen voldoende duidelijk was dat Allianz Benelux N.V. hun wederpartij was. Dat [gedaagde] door deze fout in zijn belangen is geschaad is gesteld noch gebleken. Overigens maakt de voorzieningenrechter uit het door [gedaagde] gevoerde verweer ook op dat hij heeft begrepen dat het hier Allianz Benelux N.V. betreft (zie ook: HR 13 december 2013, NJ 2015, 307).

5.3.

In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

Indien dergelijke omstandigheden zich niet voordoen, is de rechter in een executiegeschil als het onderhavige gebonden aan de beslissingen die door de rechter in het te executeren vonnis zijn gewezen, zonder dat sprake kan zijn van heroverweging ten gronde, met andere woorden voor verkapt appel is geen plaats.

5.4.

In het onderhavige executiegeschil stellen Allianz c.s., hetgeen door [gedaagde] wordt betwist, dat het vonnis van 30 september 2015 - verkort en zakelijk weergegeven - op de volgende juridische misslagen berust:

a. De rechtbank heeft, alle omstandigheden in aanmerking genomen, ten onrechte het door Allianz c.s. bij conclusie na deskundigenbericht d.d. 13 mei 2015 gedane bewijsaanbod niet gemotiveerd terzijde geschoven. De rechtbank wijdt in het vonnis geen enkele overweging aan de concrete bezwaren die Allianz c.s. tegen de zienswijze van de deskundige [persoon6] heeft ingebracht. Dit klemt des te meer nu het bewijs van brandstichting door de verzekeraar in een civiele procedure ook geleverd kan worden door zwaarwichtige vermoedens gebaseerd op feitelijke omstandigheden, behoudens tegenbewijs door de verzekerde;

b. De rechtbank is ten onrechte geheel voorbij gegaan aan de door Allianz c.s. aangevoerde ‘circumstantial evidence’. Al die feiten en omstandigheden, waaronder de jerrycan, sluitriem, vertrektijdstip van boord van [gedaagde] juncto het tijdstip van het ontdekken van de brand, gevoegd bij het oordeel van de door de rechtbank benoemde deskundige, dat de onderzoeksbevindingen het beste passen bij brandstichting, leveren

(op zijn minst) het zwaarwichtig vermoeden op dat [gedaagde] de brand heeft gesticht;

c. De rechtbank heeft ten onrechte autonoom, buiten de rechtsstrijd van partijen om, aangenomen dat confiscatie door de overheid een gedekt evenement is in de zin van de polis en op grond daarvan beslist dat de verzekerde waarde van het schip dient te worden uitgekeerd en niet de herstelkosten, waarvoor de polis dekking geeft;

d. De rechtbank is ten onrechte voorbij gegaan aan het door Allianz c.s. aangeboden gespecificeerde (getuigen)bewijs.

5.5.

Ter beoordeling ligt voor de vraag of sprake is van een juridische misslag, omdat de rechtbank het door Allianz c.s. gedane bewijsaanbod heeft gepasseerd.

5.6.

Bij de beantwoording van deze vraag is op grond van vaste rechtspraak uitgangspunt dat een partij tot bewijs moet worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechtbank, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert. De voorzieningenrechter stelt vast dat het door Allianz c.s. gedane bewijsaanbod bij conclusie van antwoord d.d. 7 maart 2012 (zie 2.6), bij conclusie van dupliek d.d. 17 oktober 2012 (zie 2.7) en bij conclusie na deskundigenbericht d.d. 13 mei 2015 (zie 2.11), naar voorlopig oordeel, voldoende gespecificeerd en concreet is voor hun stelling dat de brand is veroorzaakt door [gedaagde] .

5.7.

In de onderhavige zaak hebben beide partijen aan de hand van door hen geraadpleegde deskundigen van wie de rapporten in het geding zijn gebracht, hun stellingen toegelicht. Omdat deze deskundigen het niet eens waren over de waarschijnlijke oorzaak van de brand, lag het voor de hand dat, zoals ook is gebeurd, een deskundige door de rechter werd benoemd die (mede) tot taak had, nu onderzoek op de Aris-Tima zelf niet meer mogelijk is, ten behoeve van de rechtbank het voorliggende dossier te analyseren, in het bijzonder van de reeds door alle partijen in het geding gebrachte deskundigenrapporten.

Voor zover de rechtbank het bewijsaanbod heeft gepasseerd op de grond dat het door Allianz c.s. gedane bewijsaanbod niet is aan te merken als een voldoende gemotiveerde betwisting van de juistheid van de zienswijze van de deskundige [persoon6] , heeft de rechtbank miskend dat de deskundige [persoon6] in zijn rapport van 11 december 2014 brandstichting niet heeft uitgesloten (zie 2.10) en dat het door Allianz c.s. aangeboden getuigenbewijs mogelijk steun kan bieden voor hun stelling dat de brand door [gedaagde] is aangestoken. De onder 2.7 van het vonnis gegeven motivering kan mitsdien de conclusie van de rechtbank dat het door Allianz c.s. gedane bewijsaanbod niet is aan te merken als een voldoende gemotiveerde betwisting van de juistheid van de zienswijze van de deskundige [persoon6] niet dragen. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is voorshands niet begrijpelijk waarom de rechtbank onder voornoemde omstandigheden het door Allianz c.s. bij conclusie na deskundigenbericht d.d. 13 mei 2015 gedane bewijsaanbod tot het horen van getuigen heeft gepasseerd en louter op grond van haar waardering van de inhoud van de schriftelijke rapportages vonnis heeft gewezen. Naar voorlopig oordeel brengt dit met zich mee dat de rechtbank niet aan het door Allianz c.s. bij conclusie na deskundigenbericht gedane bewijsaanbod voorbij had mogen gaan. De hierop gerichte stellingen slagen en de overige stellingen behoeven mitsdien geen verdere bespreking.

5.8.

Al het voorgaande brengt met zich mee dat een onverwijlde tenuitvoerlegging van het vonnis - mede gelet op de financiële belangen aan de zijde van Allianz c.s. die door de tenuitvoerlegging zullen worden geschaad - niet kan worden aanvaard. Het belang van Allianz c.s. dient in deze zwaarder te wegen dan het belang van [gedaagde] bij uitkering van de verzekeringspenningen. Er bestaat derhalve grond voor schorsing van de executie van het vonnis totdat in het hoger beroep tegen dat vonnis eindarrest is gewezen. De vordering zal daarom, als na te melden, worden toegewezen.

5.9.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Allianz c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 613,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.429,00

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

Het onder 1 en 2 gevorderde ziet op geldvorderingen. Geldvorderingen komen voor toewijzing in kort geding in aanmerking indien die vorderingen, mede gelet op de spoed-eisendheid en het restitutierisico, voldoende aannemelijk zijn. Gelet op hetgeen in conventie is overwogen is de aannemelijkheid van de onder 1 en 2 gevorderde geldbedragen binnen

dit kort geding onvoldoende aannemelijk geworden.

6.2.

Het onder 3 gevorderde zal worden afgewezen, nu het horen van de beslagene door de voorzieningenrechter, alvorens hij een beslissing neemt over het verlenen van toestem-ming tot het leggen van beslag, een discretionaire bevoegdheid van de voorzieningenrechter is.

6.3.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Allianz c.s. worden begroot op € 408,00 aan salaris voor de advocaat.

7 De beslissing in conventie

De voorzieningenrechter

7.1.

schorst de tenuitvoerlegging van het tussen partijen onder zaak-/rolnummer: C/10/392600/HA ZA 11-2208 gewezen vonnis van deze rechtbank totdat het gerechtshof te Den Haag in die zaak eindarrest heeft gewezen in het aldaar door Allianz c.s. tegen voornoemd vonnis ingestelde hoger beroep;

7.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten in conventie, aan de zijde van Allianz tot op heden begroot op € 1.429,00;

7.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.4.

wijst het meer of anders gevorderde af;

8 De beslissing in reconventie

8.1.

wijst de vorderingen af;

8.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten in reconventie, aan de zijde van Allianz c.s. tot op heden begroot op € 408,00;

8.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2015.1862/676