Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:9992

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
10-12-2014
Zaaknummer
10/775011-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling van een politieagent wegens een poging tot doodslag. De politieagent heeft driemaal op de bestuurder van een rijdende auto geschoten. De rechtbank heeft het beroep op noodweer en putatief noodweer - mede met het oog op de Garantenstellung - verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/775011-12

Datum uitspraak: 10 december 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

domicilie kiezende te [adres]

raadsvrouw mr. R.E. van Zijl, advocaat te Amsterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 26 november 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. E.J.V. Pols heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde;

- ontslag van alle rechtsvervolging.

INLEIDING

Op vrijdag 24 augustus 2012 voerden de verdachte en zijn collega [getuige 1] surveillerend met een mountainbike omstreeks 07.30 uur een alcoholcontrole uit op de Eendrachtsweg te Rotterdam, waarbij zij de bestuurder van een Seat Leon controleerden. De verdachte sprak de bestuurder -hierna te noemen [slachtoffer]- aan en nam hem een blaastest af. Zijn collega [getuige 1] nam met haar mountainbike positie in voor de auto. De blaastest was positief, waarna [slachtoffer] werd aangehouden voor rijden onder invloed en werd verzocht uit te stappen. [slachtoffer] vroeg aan verdachte of hij de auto kon parkeren, waarop de verdachte antwoordde dat de auto door de politie zou worden weggereden. [slachtoffer] startte de auto, reed een stukje achteruit en stuurde vervolgens naar rechts en reed naar voren. Verdachtes collega [getuige 1] bewoog aan de voorzijde van de auto mee, om te voorkomen dat [slachtoffer] zou wegrijden. [getuige 1] verklaarde later dat [slachtoffer] tegen haar fiets reed en bleef doorduwen tegen haar mountainbike. Toen [getuige 1] het niet meer hield wierp zij de fiets van zich af en sprong weg. De verdachte is met de Seat Leon over een afstand van 40 meter in versneld tempo meegelopen en vuurde driemaal op [slachtoffer]. De Seat reed over de Eendrachtweg, sloeg rechtsaf de Westblaak op richting Churchillplein en botste daar tegen de achterzijde van een stilstaande Ford Focus. [slachtoffer] bleek ernstig gewond. In het Erasmusziekenhuis werd geconstateerd dat hij door twee kogels in het bovenlichaam werd getroffen, dat hij een dwarslaesie had en dat een kogel in zijn lever zat. De op de achterbank zittende passagiers -hierna te noemen [getuige 2]en [getuige 3]- en [slachtoffer] deden aangifte van poging doodslag/zware mishandeling.

PROCEDURE

Door de rijksrecherche is onderzoek gedaan naar het politieoptreden tijdens dit incident. Het gerechtelijk vooronderzoek is op 31 juli 2013 gesloten. Na een verlenging van de termijn als bedoeld in artikel 255 lid 2 Wetboek van strafvordering, is de verdachte op 27 januari 2014 in kennis gesteld van de beslissing tot vervolging ter zake van poging tot doodslag dan wel van zware mishandeling.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Het standpunt van het openbaar ministerie ten aanzien van de poging doodslag

De officier van justitie heeft gevorderd dat de primair ten laste gelegde poging doodslag wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Door driemaal met een vuurwapen van korte afstand gericht op de bestuurder van een auto te schieten, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat die bestuurder het leven zal verliezen.

Het standpunt van de verdediging ten aanzien van de poging doodslag

De verdediging is van oordeel dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair tenlastegelegde feit, omdat de verdachte bij geen van de drie schoten de intentie heeft gehad de bestuurder van het leven te beroven. Het opzet daartoe ontbrak. De verdachte heeft namelijk bewust gemikt op de schouder van de bestuurder, omdat hij, vanwege het feit dat het een bestuurder in een voertuig betrof, nergens anders op kon richten. Door op de schouder van de bestuurder te richten heeft de verdachte niet de aanmerkelijke kans aanvaard dat de bestuurder zou komen te overlijden.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de poging doodslag

De rechtbank is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer, strekkende tot vrijspraak van de poging doodslag, dient te worden verworpen.

De verdachte heeft met zijn vuurwapen op [slachtoffer] geschoten, terwijl deze in een rijdende auto zat.

De rechtbank is van oordeel dat drie keer schieten op het bovenlichaam van iemand de aanmerkelijke kans met zich meebrengt dat deze schoten de dood van die ander tot gevolg hebben.

Dat de verdachte heeft verklaard dat hij gericht op de schouder van de bestuurder heeft geschoten maakt dit niet anders, zeker nu hij, lopend naast de auto en dus niet vanuit een stabiele positie, op [slachtoffer] heeft geschoten. Met het afvuren van drie schoten, waarbij de verdachte zich naar eigen zeggen heeft laten leiden door één doel, te weten het stoppen van de auto, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van de bestuurder (en de overige inzittenden) aanvaard. Als geoefend en volledig gecertificeerd schutter en als ervaren politieagent kan het niet anders zijn dan dat de verdachte zich van die kans bewust is geweest. De rechtbank verwijst in dit verband naar de Ambtsinstructie, waarin staat vermeld dat in het politieonderwijs wordt geleerd in beginsel niet te schieten op rijdende auto’s wegens de geringe kans op succes en het grote risico voor het raken van de inzittenden. Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer].

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij,

op 24 augustus 2012 te Rotterdam,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een

persoon genaamd A. [slachtoffer][slachtoffer] van het leven te beroven,

met dat opzet drie, schoten met een vuurwapen heeft gelost

in de richting van die [slachtoffer][slachtoffer],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

KWALIFICATIE

Het bewezen feit levert op:

primair:

poging tot doodslag.

STRAFBAARHEID

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van het eerste schot op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep toekomt op putatief noodweer. De verdachte heeft immers – mede gelet op het korte tijdbestek waarin alles zich heeft afgespeeld – in redelijkheid kunnen menen dat zijn collega [getuige 1] zodanig gevaar liep dat dit het gebruik van zijn vuurwapen rechtvaardigde, terwijl dit voorts de enige reële mogelijkheid was om het gevaar in haar richting te keren.

Ten aanzien van het tweede en derde schot heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verdachte daarbij handelde ter uitvoering van een wettelijk voorschrift. De verdachte mocht er ten tijde van het tweede en derde schot van uitgaan dat de bestuurder zich aan zijn aanhouding trachtte te onttrekken, terwijl hij vanaf dat moment werd verdacht van een poging doodslag. Derhalve was sprake van een situatie als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder b van de Ambtsinstructie. Gelet op de tegen de bestuurder gerezen verdenking en diens op het moment van aanhouding vertoonde onvoorspelbare gedrag kon de verdachte in redelijkheid tot het oordeel komen dat uitstel van de aanhouding mogelijk tot onaanvaardbaar gevaar voor de rechtsorde zou leiden. De handelswijze van de verdachte voldeed - gelet op de in geding zijnde belangen en het ontbreken van een redelijk alternatief waarmee het door hem beoogde doel kon worden gerealiseerd - derhalve aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De voorgaande overwegingen leiden tot de slotsom dat de verdachte heeft gehandeld in een situatie van putatief noodweer, zodat hem met betrekking tot zijn handelen geen verwijt kan worden gemaakt en hij derhalve moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich (subsidiair) op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu hij gelet op artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht, handelde ter uitvoering van wettelijk voorschrift en subsidiair omdat hem een beroep op noodweer toekomt. Meer subsidiair dient een beroep op putatief noodweer, noodweerexces dan wel putatief noodweerexces te slagen. De verdediging heeft hierbij -kort samengevat- het navolgende aangevoerd.

Op het moment dat de bestuurder naar voren reed, ontstond acuut gevaar voor verbalisant [getuige 1], daar zij zich aan de voorkant van de auto bevond. De verdachte zag zijn collega vanuit zijn ooghoek op een - naar hij heeft verklaard – handlengte afstand van de auto staan. De verdachte heeft verklaard dat hij zijn collega angstig hoorde schreeuwen. Op dit moment heeft de verdachte de beslissing genomen om te schieten en heeft hij het eerste schot gelost.

Met zijn gedragingen heeft de verdachte allereerst gehandeld ter uitvoering van artikel 2 Politiewet en zich gehouden aan de eisen van artikel 8 Politiewet en artikel 7 van de Ambtsinstructie. De verdachte zag de bestuurder vanaf het moment dat hij inreed op [getuige 1] terecht als verdachte van een poging doodslag op [getuige 1]. Aan de eisen van artikel 7 van de Ambtsinstructie was derhalve voldaan. Er stonden voor de verdachte geen lichtere middelen tot zijn beschikking om zijn doel -het tegenhouden van de bestuurder- te bereiken.

Uitstel van de aanhouding bracht bovendien een onaanvaardbaar gevaar met zich mee voor de verkeersdeelnemers aan de ochtendspits in Rotterdam centrum. Na het eerste schot stond vast dat de bestuurder bereid en in staat was om ernstige ongelukken te veroorzaken. De verdachte heeft vanaf dat moment de maatschappij – en dan met name de overige verkeersdeelnemers tijdens spitsuur in Rotterdam – willen beschermen tegen onmiddellijk dreigend gevaar dat uitging van deze bestuurder. De verdachte is bewust gestopt met schieten toen hij niet meer op de bestuurder kon richten. Hij wist immers dat er twee andere personen in de auto zaten en wilde niet riskeren dat hij één van hen zou raken. Voorts wijst de verdediging er op dat de tijdspanne die de verdachte was gegeven om te handelen bijzonder kort was. De verdachte moest binnen een tijdsbestek van enkele seconden een beslissing nemen, waarbij hij bovendien nog getracht heeft het portier bij de bestuurder te openen. De verdachte heeft in zijn situatie een gerechtvaardigde afweging gemaakt, waarbij is voldaan aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.

De verdediging heeft zich subsidiair ten aanzien van het eerste schot op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hem een beroep op noodweer toekomt.

Op het moment dat de bestuurder naar voren reed, ontstond acuut gevaar voor verbalisant [getuige 1], omdat zij zich aan de voorkant van de auto bevond. De verdachte zag zijn collega vanuit zijn ooghoek op een - naar hij heeft verklaard – handlengte afstand van de auto staan. De verdachte heeft verklaard dat hij zijn collega angstig hoorde schreeuwen. Op dit moment heeft de verdachte de beslissing genomen om te schieten en heeft hij het eerste schot gelost.

Meer subsidiair acht de verdediging putatief noodweer aanwezig. De omstandigheden ten tijde van het eerste schot waren ten minste zodanig dat de verdachte mocht denken dat zijn collega in levensgevaar was. In dergelijke gevallen kan politiegeweld absoluut noodzakelijk zijn, mits er sprake was van ‘honest belief’.

Meer subsidiair is door de verdediging noodweerexces aangevoerd. De verdachte heeft aangegeven dat hij ten tijde van het eerste schot ‘echt bang’ was. Het tweede en het derde schot zijn het onmiddellijke gevolg geweest van deze hevige gemoedsbeweging die door het inrijden op de collega was veroorzaakt. Ten slotte heeft de verdediging zich beroepen op putatief noodweerexces. Als de verdachte heeft gedwaald over de feiten en in zijn verdediging de grenzen van proportionaliteit heeft overschreden of is doorgegaan toen die noodweersituatie al ten einde was, dan zijn die beide omstandigheden verontschuldigbaar.

Het oordeel van de rechtbank

Artikel 7 van de Ambtsinstructie

De eerste vraag die voorligt is of de verdachte heeft gehandeld in overeenstemming met artikel 7 van de Ambtsinstructie.

Artikel 8 van de Politiewet 1993, de wet die gold op het moment dat dit incident plaatsvond, bepaalt dat een politieambtenaar geweld kan gebruiken wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en het doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat, zo mogelijk, een waarschuwing vooraf. Dit geweld moet in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd zijn. Deze elementen zijn nader uitgewerkt in de Ambtsinstructie voor de politie. Artikel 7 van de Ambtsinstructie bepaalt dat gebruik mag worden gemaakt van vuurwapengeweld als het gaat om een persoon die zich aan zijn aanhouding tracht te onttrekken indien het gaat om een feit waarvoor een gevangenisstraf van 4 jaren of meer is gesteld en dat een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer, of dat door zijn gevolg bedreigend voor de samenleving is of kan zijn.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat ten aanzien van het eerste schot niet aan de in de ambtsinstructie genoemde voorwaarden was voldaan. Ten tijde van het eerste schot was er sprake van een verdachte die zich, naar het zich laat aanzien, trachtte te onttrekken aan zijn aanhouding voor rijden onder invloed, een feit dat bestraft kan worden met ten hoogste 3 maanden.

De volgende vraag is of er bij de volgende twee schoten wél was voldaan aan de eisen van de ambtsinstructie. Voor de beantwoording van die vraag is allereerst van belang of [slachtoffer] door aldus weg te rijden vervolgens wel viel aan te merken als een verdachte van een poging doodslag of zware mishandeling.

Om dat te beoordelen zijn onder meer van belang de snelheid waarmee [slachtoffer] op [getuige 1] afreed, of hij de intentie had haar te raken en of [getuige 1] zich in een situatie bevond waarin zij zich al dan niet in veiligheid kon brengen. In dat kader overweegt de rechtbank het volgende..

[getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat zij verschillende keren tegen de bestuurder heeft gezegd dat hij moest stoppen en dat hij was aangehouden. Zij voelde dat de auto bleef doorrijden, waarop zij achteruit moest stappen tot ze het niet meer hield. Vervolgens duwde ze de fiets hard voor de auto vandaan en stapte ze zelf opzij. Zij heeft verklaard dat zij zeker zou zijn gevallen als zij niet opzij was gestapt en dat zij dan mogelijk letsel zou hebben opgelopen. In het verhoor bij de Rijksrecherche heeft [getuige 1] verklaard dat zij het gevoel had dat de Seat weg wilde rijden, dat de Seat vervolgens naar voren bewoog van de linker in de richting van de rechter rijstrook. Zij is met haar fiets mee geschoven en is frontaal voor de Seat gebleven. Zij moest wel vijf tot zes meter achteruit met haar fiets en kon de druk van de auto op een gegeven moment niet meer houden. Op dat moment heeft zij haar fiets weggegooid en is ze zelf weg gesprongen. Zij heeft verder verklaard dat zij niet echt bang was, ze was wel geschrokken, maar ze heeft gewoon gehandeld. Zij heeft zichzelf ook daadwerkelijk in veiligheid kunnen stellen.

Dat de auto bij het wegrijden richting [getuige 1] nog een lage snelheid had, volgt allereerst uit het feit dat [getuige 1] dicht op de auto stond toen deze – vanuit stilstand - poogde weg te rijden. [getuige 1] had anders ook niet genoeg tijd gehad om voor de rijdende auto weg te komen en zich in veiligheid te brengen. Voorts heeft één van de inzittenden van de auto, [getuige 3], verklaard dat de vrouwelijke agente met de auto meebewoog naar rechts en dat [slachtoffer], langzaam rijdend, poogde om de politieagente heen rijden. [getuige 2], de andere inzittende van de auto, heeft verklaard dat [slachtoffer] zeker niet hard reed, iets sneller dan een wandeltempo, toen hij wegreed. Daarnaast heeft ook de getuige [getuige 4]verklaard over de snelheid van de auto. Hij heeft verklaard dat de Seat zachtjes, zeker niet hard, naar voren reed. Ook de (onafhankelijke) getuigen [getuige 5] en [getuige 6] verklaren dat de auto – die zij direct na het eerste schot zagen – iets harder dan stapvoets (joggingstempo) reed.

Uit het technisch onderzoek is verder gebleken dat de fiets van [getuige 1] slechts licht beschadigd was.

Verder acht de rechtbank van belang dat [slachtoffer], voordat de auto met [getuige 1]’s fiets in aanraking is gekomen eerst een klein stukje achteruit is gereden en daarna naar rechts sturend vooruit is gereden. Dat is een manoeuvre die erop wijst dat hij niet van plan was weg te rijden zonder rekening te houden met wat er zich voor zijn auto bevond, maar dat hij om de hindernis, [getuige 1], heen wilde rijden. Dat hem dat niet is gelukt is mede het gevolg van de pogingen van [getuige 1] om hem te stoppen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat [slachtoffer], op het moment dat de verdachte voor de eerste keer schoot, met een geringe snelheid reed en dat [slachtoffer] niet zodanig op [getuige 1] is ingereden, dat er sprake is geweest van een poging doodslag of zware mishandeling. Er was derhalve ook bij het tweede en derde schot geen situatie waarin iemand zich trachtte te onttrekken aan zijn aanhouding op verdenking van een feit waarop vier jaar of meer is gesteld en dat een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit. Er was ook geen sprake van een situatie die zodanig concreet gevaar voor verkeersdeelnemers met zich mee bracht dat schieten op een rijdende auto hiermee gerechtvaardigd was. De rechtbank verwerpt het verweer dat de verdachte heeft gehandeld conform artikel 8 Politiewet 1993 en artikel 7 van de Ambtsinstructie.

Noodweer(exces)

Gelet op het voorgaande is de volgende vraag die voorligt of de verdachte een beroep kan doen op noodweer of noodweerexces.

Voor de beantwoording van deze tweede vraag zal de rechtbank moeten onderzoeken of er sprake is geweest van een onmiddellijke wederrechtelijk aanranding van, in dit geval, [getuige 1]. Ook een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding kan worden beschouwd als een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding. Daarbij geldt dat uit objectieve omstandigheden moet kunnen worden afgeleid dat iemand op het punt staat om tot de “aanval” over te gaan.

Naar het oordeel van de rechtbank was er geen onmiddellijk en dreigend gevaar voor [getuige 1]. [slachtoffer] reed niet recht op [getuige 1] in, maar stuurde naar rechts en er was sprake van een geringe snelheid. Hieruit – en uit het feit dat [getuige 1] zich in veiligheid heeft kunnen brengen- kan niet worden afgeleid dat er sprake was van een noodweersituatie.

De rechtbank verwerpt derhalve eveneens het beroep op noodweer en noodweerexces.

Putatief noodweer

De volgende vraag die voorligt is of de verdachte een beroep kan doen op putatief noodweer.

Een beroep op putatief noodweer dient te worden beoordeeld vanuit de situatie zoals deze zich ten tijde van het te beoordelen feit voordeed. Van putatief noodweer is sprake wanneer men verschoonbaar dwaalt over het bestaan van een noodweersituatie. Iemand kan een beroep op putatief noodweer doen als omstandigheden aannemelijk zijn geworden die hem redelijkerwijs aanleiding konden geven te veronderstellen dat hij zelf of een ander wordt aangevallen. De vraag is of de gemiddelde burger, geplaatst in de situatie van de aanvaller, ook in de veronderstelling heeft verkeerd dat hij werd aangevallen of dreigde te worden aangevallen. In dit geval betekent dit dat moet worden beoordeeld of een andere politieman, met een gelijke ervaringen opleiding als de verdachte, eveneens in de veronderstelling zou hebben verkeerd dat hij werd aangevallen. In dat kader komt betekenis toe aan de zogenaamde Garantenstellung. Op grond van deze Garantenstellung kunnen aan politieambtenaren op grond van hun beroep, opleiding en training andere eisen worden gesteld dan aan een normale burger. Van een politieambtenaar kan worden gevergd dat hij in precaire situaties meer dan een gewone burger zelfbeheersing en tactisch inzicht heeft en in het geval van een confrontatie met een verdachte niet te snel naar zijn dienstwapen zal grijpen. Er mag van hem verwacht worden dat hij in staat blijft afgewogen beslissingen te nemen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat [getuige 1] voor de auto van [slachtoffer] stond om de situatie in onder controle te houden en om [slachtoffer] te verhinderen weg te rijden. [slachtoffer] reed toch weg, maar hij heeft dit gedaan nadat hij eerst achteruit is gereden en vervolgens een manoeuvre heeft uitgevoerd die aanleiding geeft te veronderstellen dat hij om [getuige 1] heen wil rijden. Hij heeft dat ook met een geringe snelheid gedaan, zoals de rechtbank al eerder vaststelde waardoor [getuige 1] nog de gelegenheid heeft gehad om zich in veiligheid te brengen. Hoewel buiten twijfel staat dat de verdachte verbaasd was en schrok toen [slachtoffer] in de richting van [getuige 1] reed om zich aan zijn aanhouding te onttrekken, is de rechtbank van oordeel dat van de verdachte, als politieambtenaar, redelijkerwijs kon worden gevergd dat hij – ook binnen een zeer kort tijdsbestek - die schrik zou beheersen, de situatie beter zou overzien en in deze situatie niet naar zijn wapen zou grijpen. Dit geldt te meer nu de verdachte gezien de situatie niet in staat was op de benen van de verdachte te schieten, maar op het bovenlichaam van [slachtoffer] moest schieten, waardoor het gevaar van ernstig letsel of de dood van [slachtoffer] aanmerkelijk was.

Het beroep op putatief noodweer wordt verworpen.

Nu geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 42 van Wetboek van Strafrecht, er voorts geen sprake was van een noodweersituatie en ook het beroep op putatief noodweer dan wel putatief noodweerexces niet kan slagen, is de verdachte strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft in de uitoefening van zijn functie als politieman driemaal gericht geschoten op de bestuurder, toen deze - na door de verdachte te zijn aangehouden bij een alcoholcontrole – zich – naar het zich laat aanzien - aan zijn aanhouding wilde onttrekken. De rechtbank heeft geoordeeld dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte daarbij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de bestuurder door het afvuren van de (drie) kogels de dood hadden kunnen vinden. Voorts heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte met zijn vuurwapen geschoten, aangezien hij daarmee de bevoegdheid daartoe op grond van artikel 8 van de Politiewet 1993 heeft overschreden en er bovendien geen sprake is geweest van noodweersituatie. Evenmin was naar het oordeel van de rechtbank sprake van een situatie waarin de verdachte abusievelijk heeft mogen aannemen dat sprake was van een noodweersituatie.

De gevolgen van het schieten door de verdachte zijn zonder meer dramatisch. De als eerste afgevuurde kogel heeft, naast onder meer wervel- en ribbreuken, een middenrifscheur rechts en een scheurverwonding in de lever, een blijvende dwarslaesie vanaf de 10e borstkastwervel tot gevolg gehad. De bestuurder – een jongeman van destijds 29 jaar oud – zit ten gevolge van deze tragische gebeurtenis de rest van zijn leven in een rolstoel. Ter zitting heeft de bestuurder gezegd dat hij dit gegeven en de gevolgen daarvan nog steeds niet heeft kunnen accepteren en hij veelvuldig het gevoel heeft dat zijn leven in feite voorbij is.

Voor een poging doodslag, waarbij gericht met een vuurwapen is geschoten, worden over het algemeen langdurige gevangenisstraffen opgelegd.

In dit geval is echter sprake van een situatie waarin een politieambtenaar in de uitoefening van zijn werk tijdens een doodgewone alcoholcontrole in een situatie terecht is gekomen waarin hij ten onrechte heeft gemeend te moeten schieten op een reeds aangehouden persoon. Dat deze door de verdachte nimmer gewenste situatie is ontstaan, komt ten dele op het conto van de bestuurder. De bestuurder heeft er immers voor gekozen om met teveel alcohol op achter het stuur te kruipen en heeft vervolgens – daarover bestaat bij de rechtbank geen twijfel –, ondanks dat hij was aangehouden op verdenking van rijden onder invloed en de verdachte hem had verteld dat hij niet verder mocht rijden, geprobeerd te ontkomen. Deze omstandigheden moeten naar het oordeel van de rechtbank van invloed zijn op de strafmaat.

Bij het bepalen van de straf slaat de rechtbank voorts acht op de brieven van zijn raadsvrouw van 13 en 24 november 2014. Daaruit maakt de rechtbank op dat het de verdachte zwaar valt dat hij zich publiekelijk moet verantwoorden en dat hij bovendien ruim twee jaar lang in onzekerheid heeft geleefd over de afdoening van deze zaak. Ook betrekt de rechtbank in haar oordeel dat de uitkomst van de strafvervolging ongetwijfeld negatieve gevolgen heeft voor de loopbaan van de verdachte bij de politie. De rechtbank houdt er in de op te leggen straf dan ook rekening mee dat de strafvervolging op zich, de langdurige onzekerheid en de veroordeling op zich al negatieve gevolgen voor verdachte hebben gehad en ook nog zullen hebben.

De rechtbank is van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 240 uur passend en geboden is. Ten gevolge van de op 3 januari 2012 in werking getreden ‘Wet beperking taakstraffen’ kan voor een feit als het onderhavige een taakstraf echter enkel nog in combinatie met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd. De rechtbank zal derhalve naast een taakstraf van 240 uur ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één maand opleggen.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 9, 22c, 22d, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.A. Kalk, voorzitter,

en mrs. C.A. van Beuningen en E.G. Fels, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.E.G. Busemeijer genaamd Lagemann, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 december 2014.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I bij vonnis van 10 december 2014:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij,

op of omstreeks 24 augustus 2012 te Rotterdam,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een

persoon genaamd [slachtoffer]van het leven te beroven,

met dat opzet drie, althans één of meer schoten met een vuurwapen heeft gelost

op en/of in de richting van die [slachtoffer]

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 287 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij,

op of omstreeks 24 augustus 2012 te Rotterdam,

aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft

toegebracht, te weten (onder meer) wervel- en ribbreuken, een complexe

dwarslaesie, een haematopneumothorax, een middenrifscheur rechts en/of een

scheurverwonding in de lever, door opzettelijk drie, althans een of meer

schoten met een vuurwapen te lossen op en/of in de richting van die [slachtoffer];

(artikel 302 Wetboek van Strafrecht)