Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:9990

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-12-2014
Datum publicatie
10-12-2014
Zaaknummer
C/10/465037 / KG ZA 14-1152
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Staking bij Lyondell Chemie Nederland deels rechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-1058
AR 2014/951
RAR 2015/48

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/465037 / KG ZA 14-1152

Vonnis in kort geding van 4 december 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser] ,

gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

advocaten mr. W.M. Blom en mr. T.E.J. Bender te Amsterdam,

tegen

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

FNV BONDGENOTEN,

gevestigd te Utrecht,

advocaat mr. M.J. Klinkert te Utrecht,

2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

CNV VAKMENSEN,

gevestigd te Utrecht,

advocaat mr. drs. H. Aydemir te Utrecht.

gedaagden.

Partijen zullen hierna [eiser], FNV en CNV genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de overgelegde producties (met uitzondering van de door [eiser] de eerst op 4 december 2014 om 15.05 uur toegefaxte en, gelet op het geplande aanvangstijdstip van de zitting van 16.15 uur, daarom niet toegestane productie 20)

  • -

    de mondelinge behandeling op 4 december 2014

  • -

    de pleitnota van [eiser]

  • -

    de pleitnota van FNV

  • -

    de pleitnota van CNV.

1.2.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter vanwege het spoedeisende karakter van de zaak direct mondeling uitspraak gedaan, onder aanzegging dat het vonnis ten spoedigste op schrift zou worden gesteld. Dit vonnis vormt de schriftelijke uitwerking van die mondelinge uitspraak en wordt/is op 9 december 2014 afgegeven.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft in de Botlek en op de Maasvlakte (gezamenlijk aan te duiden als “BOMA”) chemiefabrieken met een volcontinu productieproces, waarbij gewerkt wordt met gevaarlijke, ontplofbare en giftige stoffen die onder de werking vallen van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999. Deze twee fabrieken worden bevoorraad door een derde locatie in Europoort.

2.2.

Gedaagden zijn vakbonden.

2.3.

Gedaagden hebben [eiser] bij brief van 2 december (FNV) respectievelijk 3 december (CNV) een ultimatum gesteld en daarin werkonderbrekingen en stakingen aangekondigd, aan te vangen op 5 december 11.00 uur.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

a. a) FNV en/of CNV verbiedt om over te gaan tot, het organiseren van, en/of ondersteunen van werkstakingen en daaraan verwante acties.

b) FNV en/of CNV beveelt om de reeds gedane aankondiging c.q. oproepingen c.q. steunverklaringen in te trekken, zomede haar leden te bewegen niet deel te nemen aan de bedoelde acties.

Subsidiair:

FNV en/of CNV te bevelen de werkstaking of dergelijke acties op een ander (de voorzieningenrechter leest: nader) omschreven wijze te beperken zodanig dat de beschreven risico’s zich niet voor zullen doen.

In alle gevallen:

- Op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,- voor iedere dag of een

deel van een dag waarop deze geboden/verboden worden geschonden, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom; en

- FNV en CNV te veroordelen in de kosten van het geding, waaronder de nakosten, welke kosten uiterlijk 5 dagen na het in deze te wijzen vonnis aan [eiser] moeten worden voldaan, bij gebreke waarvan wettelijke handelsrente over dit bedrag verschuldigd zal zijn vanaf de afloop van deze termijn tot aan de dag van algehele voldoening.

[eiser] stelt daartoe het volgende.

3.2.

De aangekondigde staking is volgens [eiser] om de volgende redenen onrechtmatig:

-de termijn tussen het gestelde ultimatum en de aangekondigde staking is te kort om voorbereidingen te treffen waarmee de veiligheid voor werknemers, omwonenden en milieu kan worden gegarandeerd. Bovendien is het [eiser] niet duidelijk of de staking van lange duur is dan wel dat het om slechts korte werkonderbrekingen gaat. [eiser] weet daarom niet goed welke maatregelen zij moet treffen. Het stilleggen van het productieproces dient gecontroleerd te geschieden en duurt ten minste een week. Verlaging van het productieniveau dient eveneens gecontroleerd te geschieden. Het stopzetten of verlagen van productieniveaus dient in de zomermaanden te geschieden, omdat daarmee in de wintermaanden bevriezings- en stollingsrisico’s gemoeid zijn.

  • -

    voor zover het de cao betreft schenden FNV en CNV met de stakingsaankondiging de afspraak dat de cao-onderhandelingen worden opgeschort hangende het overleg over een pensioenregeling. Omdat [eiser] bovendien steeds tot overleg bereid gebleven is, is het moment waarop naar het stakingsmiddel kan worden gegrepen nog niet aangebroken.

  • -

    wat betreft de pensioenregeling zijn FNV en CNV geen onderhandelingspartners. Te dien aanzien zijn slechts de ondernemingsraden de gesprekspartners van [eiser] en FNV en CNV hebben daarin slechts een adviserende rol. Op het moment dat FNV en CNV vernamen dat de eerste ondernemingsraad had ingestemd met het pensioenvoorstel van [eiser], hebben zij kenbaar gemaakt dat zij ook ten aanzien van de pensioendiscussie onderhandelingspartner wilde zijn. Dit was voor het eerst in het voorultimatum van 27 november 2014. De dag nadat van de tweede ondernemingsraad instemming werd verkregen met het pensioenvoorstel, op 2 december 2014, stuurden gedaagden hun ultimatums. [eiser] verwacht een dezer dagen een positief besluit ten aanzien van de pensioenregeling van de derde ondernemingsraad (de ondernemingsraad van BOMA).

3.3.

FNV en CNV voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het recht op het voeren van collectieve acties van werknemers of hun vertegenwoordigende vakbonden, waaronder begrepen het stakingsrecht, wordt in beginsel beheerst door de bepalingen van het ESH (Europees Sociaal Handvest), dat in Nederland van kracht is sedert mei 1980. In artikel 6 aanhef en onder lid 4 van het ESH wordt het recht van werknemers of hun vertegenwoordigende vakbonden op collectief optreden erkend in gevallen van belangengeschillen met werkgevers, behoudens verplichtingen uit hoofde van reeds eerder gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten. Wordt een collectieve actie gedekt door artikel 6 lid 4 ESH, dan brengt dat mee dat deze in beginsel moet worden geduld als een rechtmatige uitoefening van het in deze verdragsbepaling erkende grondrecht, ondanks de met haar beoogde en op de koop toe genomen schadelijke gevolgen voor de bestaakte werkgever en derden.

4.2.

Bij een onder de dekking van artikel 6 lid 4 ESH vallende staking moet de rechter er vanuit gaan dat voor de vakbond en haar leden de bij de uitoefening van het betreffende grondrecht betrokken belangen zwaarwegend zijn. Behoudens bijzondere omstandigheden heeft de rechter dan ook niet te treden in de beoordeling van de vraag of de ene dan wel de andere partij meer of minder gelijk heeft in het arbeidsconflict dat ten grondslag ligt aan de staking. Voor het oordeel dat de staking niettemin onrechtmatig is, is slechts dan plaats indien zwaarwegende procedureregels ("spelregels") zijn veronachtzaamd dan wel indien

wel - met inachtneming van de door artikel G ESH gestelde beperkingen - moet worden geoordeeld dat de bonden en haar leden in redelijkheid niet tot deze actie hadden kunnen komen. Tot die procedureregels behoort onder meer ook dat een staking slechts rechtmatig kan zijn als zij als "uiterst middel" is toegepast en tijdig is aangezegd en kenbaar gemaakt. Aanzegging heeft een tweeledig doel: het voorkomen van onnodige bedrijfsschade en bescherming van de belangen van degenen die op de dienstverlening van de bestaakte werkgever zijn aangewezen.

4.3.

De vraag of een staking in een concreet geval als "uiterst middel" is gehanteerd, dient evenzeer door de rechter met terughoudendheid te worden beantwoord, het is immers in beginsel aan de vakbonden om te beoordelen of partijen zijn uitonderhandeld. Dit volgt niet alleen hieruit dat het gaat om de uitoefening van een grondrecht, maar hangt ook samen met de omstandigheid dat de vraag of in een conflictsituatie nog een ander middel dan een staking kan worden gebruikt, geredelijk kan afhangen van verschillen in waardering van de omstandigheden en van taxaties omtrent de met dat middel te bereiken resultaten, terwijl die situatie veelal meebrengt dat de beslissing, of het middel van staking moet worden toegepast dan wel nog andere mogelijkheden bestaan, in korte tijd moet worden genomen.

4.4.

Aan voormeld oordeel doet niet af het standpunt van CNV dat het ultimum remediumvereiste in strijd zou zijn met de opvattingen van het ESH-comité. Enige toets wordt in ieder geval zowel in de literatuur als in de rechtspraak verdedigd, deze past ook wel in de Nederlandse overlegcultuur en kan voorts ook worden teruggevonden in de totstandkomingsgeschiedenis van het ESH.

4.5.

Met betrekking tot de in artikel G ESH gestelde beperkingen aan de rechtmatige uitoefening van het in artikel 6 lid 4 ESH erkende grondrecht geldt dat moet kunnen worden vastgesteld dat de staking, gelet op de zorgvuldigheid die krachtens art. 6:162 BW in het maatschappelijk verkeer in acht moet worden genomen ten aanzien van de persoon en de goederen van anderen, in zodanige mate inbreuk maakt op de in het eerste lid van artikel G ESH aangewezen rechten van derden of algemene belangen dat beperkingen, maatschappelijk gezien, dringend noodzakelijk zijn. Onbeperkte uitoefening van het grondrecht is dan jegens allen, die daarvan schade ondervinden, onrechtmatig. Of dit het geval is, is een vraag van proportionaliteit die slechts kan worden beslist door, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval in onderling verband, de bij de uitoefening van het grondrecht betrokken belangen af te wegen tegen die waarop inbreuk wordt gemaakt.

4.6.

Het gaat in het onderhavige geval om de vraag of de spelregeltoets en de zorgvuldigheidsnorm (proportionaliteittoets) een beperking van het stakingsrecht rechtvaardigen.

4.7.

Naar voorlopig oordeel hebben gedaagden in redelijkheid tot het standpunt kunnen komen dat hen geen ander middel restte dan staking. Als het verloop van de cao-onderhandelingen, het eindbod van mei, het eindbod van september alsmede de reactie van de vakbonden daarop worden bekeken, dan is duidelijk dat het eindbod (tot twee maal toe) door de bonden is verworpen. In de correspondentie daarover valt, anders dan [eiser] betoogt, niet te lezen dat de bonden de cao-onderhandelingen opschorten. In de e-mail van 17 oktober 2014 staat dat de leden de vakbonden mandaat hebben gegeven om [eiser] een ultimatum te stellen, en dat tot 31 oktober geen ultimatum zal worden verstuurd. Dit is wezenlijk anders dan het opschorten van het cao-overleg, een ultimatum wordt immers gesteld nadat partijen zijn uitonderhandeld (en, in dit geval, een eindbod is verworpen). In het voorultimatum van 27 november 2014 wordt (ook) nog eens aangegeven dat in de e-mail van 17 oktober is meegedeeld dat het feitelijk stellen van het ultimatum is aangehouden (vanwege het pensioenoverleg). FNV voegt daar aan toe dat partijen voor wat betreft de cao-onderhandelingen al uit zijn onderhandeld, nu [eiser] een loonsverhoging van 2% biedt en de leden een loonsverhoging van 2,5% eisen, maar biedt de werkgever nog een maal - tot 1 december 20.00 uur - de gelegenheid om tegemoet te komen aan de eisen, bij gebreke waarvan een ultimatum gesteld zal worden.

4.8.

De gang van zaken over de pensioenregeling brengt ook niet mee dat gedaagden te vroeg naar het instrument van staking grijpen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er voldoende aanknopingspunten zijn voor de stelling van gedaagden dat zij echt als onderhandelingspartners aan tafel zaten (en niet slechts als adviseurs, zoals [eiser] stelt). Zo is er een memo van de ondernemingsraad van 8 mei 2014 waarin deze de werkgever uitnodigt om met haar en de vakbonden FNV en CNV in gesprek te gaan over de pensioenregeling. Verder staat vast dat FNV regelmatig en CNV meer dan eens aan tafel heeft gezeten bij de gesprekken over de pensioenregeling. Voorts schreef FNV in de e-mail van 17 oktober aan [eiser] over de pensioendiscussie: “Het tripartite overleg tussen [eiser] enerzijds en OR en vakbonden anderzijds heeft tot op heden geen bevredigend resultaat opgeleverd.” Dergelijke bewoordingen wijzen erop dat FNV zich als gesprekspartner beschouwt terwijl vooralsnog nergens uit blijkt dat [eiser] dit standpunt afwijst en aan FNV heeft meegedeeld dat zij geen onderhandelingspartner is. Dat het eindbod van 23 mei 2014, waarin ten aanzien van pensioen is opgenomen dat partijen een tripartiteoverleg over wijziging van de pensioenregeling voorstellen, is verworpen brengt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel, ook niet omdat partijen

– waarmee bedoeld moet zijn werkgever en vakbonden omdat bij andere onderdelen de werkgever apart vermeld staat – het op dit punt blijkbaar eens waren. Dan valt zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, moeilijk vol te houden dat [eiser] heeft mogen begrijpen dat de leden van de vakbonden (ook) dit onderdeel van het voorstel verworpen.

4.9.

Ten aanzien van de proportionaliteitstoets wordt als volgt overwogen.

4.10.

Uitgangspunt bij de beoordeling is dat [eiser] met giftige stoffen werkt die onder de werking vallen van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999.

4.11.

Ter zitting is aan partijen in de vraag voorgelegd in welke mate het productieproces bij [eiser] nog kan worden verminderd waarbij de veiligheid van werknemers, omwonenden en milieu nog steeds in voldoende mate is gewaarborgd. Partijen waren het er (in ieder geval) over eens dat dit 55 % is voor de Maasvlakte en 50% voor de Botlek. Partijen gaven hierbij voorts aan dat voor de locatie Europoort geen apart percentage behoeft worden vastgesteld omdat Europoort, als doorvoerlocatie, zich voegt naar de mate van productie op de locaties Maasvlakte en Botlek.

FNV en CNV hebben er nog wel op gewezen dat op dit moment in de Botlek op een productieniveau van 35% gedraaid wordt. [eiser] heeft in reactie hierop aangegeven dat dit een noodingreep als gevolge van een lekkage betreft en dat alleen in noodsituaties een dergelijk productieniveau wordt gedraaid. FNV en CNV hebben dat vervolgens onvoldoende weersproken, zodat de voorzieningenrechter er van uitgaat dat een productieniveau van 35% alleen in noodgevallen zou moeten worden gehanteerd, en dat dit hogere dan aanvaardbare risico’s met zich brengt. De staking zal derhalve deels worden toegestaan, namelijk op de voorwaarde dat daardoor het productieproces niet mag dalen tot beneden de percentages van 50% en 55%. In het oordeel wordt voorts betrokken dat gedaagden hebben toegezegd steeds alle veiligheidsprotocollen in acht te zullen nemen en dat zij bereid zijn om daarover genoegzaam overleg te voeren met [eiser].

4.12.

Slotsom is dat de voorgenomen staking niet ongeoorloofd moet worden geacht, maar dat daar wel beperkingen aan mogen worden gesteld voor wat betreft de mate van productiedaling. De stelling van [eiser] dat zij door de voorgenomen staking veel omzet zal derven noopt niet tot een ander oordeel. Een staking die geen pijn doet aan de werkgever ontneemt aan het stakingsrecht zijn nuttig effect.

4.13.

Gedaagden hebben ter zitting toegezegd dat een dwangsom niet nodig is omdat zij het te wijzen vonnis vrijwillig zullen nakomen. Er bestaat geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze toezegging. Daarom zal geen dwangsom worden opgelegd.

4.14.

Partijen worden over en weer deels in het ongelijk gesteld. De proceskosten tussen partijen zullen daarom worden gecompenseerd.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt het aan FNV en CNV om te staken, althans te laten staken, bij [eiser] voor zover dit leidt tot een daling van het productieniveau van 55% op de Maasvlakte en 50% in de Botlek;

5.2.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

bepaalt dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2014.1

1 2517/2009