Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:9987

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-12-2014
Datum publicatie
11-12-2014
Zaaknummer
13/3343
Formele relaties
Tussenuitspraak bestuurlijke lus: ECLI:NL:RBROT:2014:1410
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Last onder bestuursdwang wegens overtreding van artikel 3 van de Spoorwegwet op grond waarvan beperkingen zijn gesteld aan het rijden met locomotieven van ondermeer het type G1206. De rechtbank is van oordeel dat verweerder - gelet op het karakter van een last onder bestuursdwang als ordemaatregel - in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het opleggen van de last.

Wetsverwijzingen
Spoorwegwet 3, 76, geldigheid: 2014-12-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 13/3343

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 december 2014 in de zaak tussen

Strukton Rail Materieel B.V., te ‘s Hertogenbosch, eiseres,

gemachtigde: mr. V.J.A. Sütö,

en

de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, verweerder,

gemachtigden: mr. P. Hoekstra en mr. G.H.H. Bisschoff.

Procesverloop

Voor het ontstaan en verloop van deze procedure wordt verwezen naar de tussenuitspraak van 6 maart 2014 in deze procedure, ECLI:NL:RBROT:2014:1410.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft verweerder op 22 april 2014 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Bij brief van 3 juni 2014 heeft eiseres hierop gereageerd.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2014. Voor eiseres zijn verschenen haar gemachtigde, bijgestaan door mr. J. Veltman, H. Verbruggen, C.J. van der Blom en A.P. Onderwater. Voor verweerder zijn verschenen de hierboven vermelde gemachtigden, bijgestaan door ir. J. van der Hout.

Overwegingen

1. Voor de in deze zaak relevante feiten en omstandigheden verwijst de rechtbank naar de uitspraak van haar voorzieningenrechter van 7 december 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BY7877.

2. Bij besluit van 22 april 2014 heeft verweerder het besluit van 26 april 2013 ingetrokken, het bezwaar gegrond verklaard voor zover het betreft de periode van 12 november 2012 tot 7 december 2012 en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Verweerder heeft hiermee het besluit van 27 juni 2012 in die zin herzien, dat de periode waarover de last onder bestuursdwang aan eiseres is opgelegd, bepaald wordt op de periode van 27 juni 2012 tot 12 november 2012.

3. Eiseres kan zich niet vinden in het besluit van 22 april 2014 voor zover daarbij haar bezwaar ongegrond is verklaard. Zij stelt dat er maar één incident is geweest waarbij een locomotief type G1206 gebrekkig is gedetecteerd en dat eiseres hier niet bij betrokken was. Dat is een te magere grondslag voor de last. Het besluit is niet zorgvuldig voorbereid, niet voldoende gemotiveerd en is, mede gelet op de duur van de last, disproportioneel.

4. De last onder bestuursdwang is opgelegd aan - onder meer - eiseres wegens overtreding van artikel 3 van de Spoorwegwet.

5. In artikel 3 van de Spoorwegwet is bepaald dat het een ieder verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de spoorweg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de spoorweg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. Op grond van artikel 76 van de Spoorwegwet is verweerder bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang ter handhaving van onder meer artikel 3 van de Spoorwegwet.

6. Onder last onder bestuursdwang wordt op grond van artikel 5:21 aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verstaan de herstelsanctie inhoudende een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding. In artikel 5:2, eerste lid onder b, van de Awb is bepaald dat een herstelsanctie een bestuurlijke sanctie is die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van de overtreding, tot het voorkomen van een herhaling van een overtreding dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding.

7. Verweerder heeft besloten tot de last onder bestuursdwang vanwege - kort gezegd - detectieproblematiek van locomotieven van het type G2000 en G1206. De rechtbank is van oordeel dat, vanwege deze detectieproblematiek, door het gebruik (rijden of stilstaan) van deze locomotieven op dat moment gevaar op de spoorweg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt, ongeacht of de detectieproblematiek wordt veroorzaakt door een tekortkoming van deze locomotieven. Het gebruik van de locomotieven leidt alsdan tot overtreding van artikel 3 van de Spoorwegwet. Verweerder was dus in beginsel bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

8. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat, mede gelet op het karakter van een last onder bestuursdwang als ordemaatregel, verweerder in dit geval in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het opleggen van de last onder bestuursdwang. De rechtbank overweegt daartoe dat verweerder vanwege eerdere detectieproblematiek van de locomotieven van het type G2000 en/of G1206 op 3 juni 2012, 6 juni 2012 en 11 juni 2012 al veiligheidswaarschuwingen voor deze typen locomotieven had afgegeven en dat zich ondanks deze veiligheidswaarschuwingen op 26 juni 2012 weer een detectieprobleem voordeed. Op het moment van het opleggen van de last onder bestuursdwang op 27 juni 2012 was de oorzaak van de detectieproblematiek niet duidelijk. De detectieproblematiek kon worden veroorzaakt door de locomotieven zelf, door de infrastructuur en/of het veiligheidssysteem. Dat het alleen bij het incident op 11 juni 2012 ging om een locomotief van het type G1206 en bij de andere incidenten in juni 2012 steeds om een locomotief van het type G2000, maakt niet dat verweerder de last onder bestuursdwang niet voor beide typen locomotieven heeft kunnen opleggen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat de typen locomotieven G2000 en G1206 voor wat betreft de eigenschappen die van belang zijn voor de detectie vergelijkbaar zijn. Eiseres heeft ook niet betwist dat de typen locomotieven op deze eigenschappen voor detectie vergelijkbaar zijn. De e-mail van de fabrikant van beide locomotieven die door eiseres ter zitting is overgelegd doet evenmin af aan het voorgaande, nu de daarin beschreven verschillen niet zien op de voor detectie belangrijke eigenschappen. Dat de detectieproblemen zich in hoofdzaak op het traject in de Maasvlakte voordeden, is te verklaren uit het feit dat de locomotieven daar vaak los rijden. Dat sluit echter niet uit dat er landelijk ook een detectieprobleem zou kunnen zijn.

In het kader van de gemaakte belangenafweging heeft verweerder groot gewicht toegekend aan het veiligheidsbelang en heeft daarbij gewezen op de potentieel ernstige gevolgen van niet detecteren, zoals het niet sluiten van overgangen, botsingen of ontsporingen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit veiligheidsbelang onder de gegeven omstandigheden zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiseres om haar locomotieven te gebruiken. Ter zitting is door verweerder voldoende toegelicht dat de procedure van artikel 4 van het Besluit spoorverkeer niet de oplossing zou zijn geweest. De rechtbank betrekt bij het voorgaande ook dat verweerder bereid is gebleken, voor zover althans eiseres de daartoe relevante gegevens zou verstrekken, enige compensatie over de periode van 27 juni 2012 tot 12 november 2012 toe te kennen voor de inbreuk die de last op de bedrijfsvoering van eiseres heeft veroorzaakt.

9. Bij het besluit van 22 april 2014 heeft verweerder de last beperkt tot de periode van 27 juni 2012 tot 12 november 2012. Eiseres stelt dat verweerder de duur van de last verder had kunnen beperken. Eisers wijst er op dat op 29 augustus 2012 al een rapport “Onderzoek vervuiling kop spoorstaaf spoor 815, Maasvlakte West” is uitgebracht naar aanleiding van het onderzoek naar de oorzaak van het detectie-incident waarbij de G1206 locomotief was betrokken. Uit dat rapport bleek dat het detectieprobleem was veroorzaakt doordat het spoor in kwestie bedekt was met ‘een harde glanzende vuillaag’. Verweerder had - aldus eiseres - op dat moment de last moeten intrekken.

10. De rechtbank volgt eiseres niet in dit betoog. Nog los van de door eiseres onweersproken stelling van verweerder dat dit rapport pas op 24 oktober 2012 is ontvangen, ziet dit onderzoeksrapport alleen op een onderzoek naar de infrastructuur (en dan ook alleen voor één van de incidenten) en niet ook naar de locomotieven zelf en/of het veiligheidssysteem. De rechtbank acht het dan ook niet onredelijk dat verweerder als het moment van beëindiging van de last onder bestuursdwang voor eiseres de afronding van het in opdracht van ProRail door Deltarail verrichte onderzoek naar de detectieproblemen met de G1206 heeft genomen, aangezien er pas toen meer duidelijkheid was over de oorzaak van de incidenten. De rechtbank is daarbij ook niet gebleken dat eiseres op enig moment voor 12 november 2012 heeft verzocht om opheffing van de last onder bestuursdwang.

11. Uit het voorgaande volgt dat het beroep tegen het (herstel)besluit van 22 april 2014 ongegrond is.

12. Van enig resterend belang bij het beroep tegen het besluit van 26 april 2013 is niet gebleken, zodat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

13. In hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

14. De rechtbank ziet daarin voorts aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.704,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het bestreden besluit, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na tussenuitspraak, en 1 punt voor nadere zitting na tussenuitspraak, per punt van € 487,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 26 april 2013 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 22 april 2014 ongegrond;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 318,-- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.704,50 te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, voorzitter, en mr. D. Brugman en mr. N. Saanen, leden, in aanwezigheid van mr. M. Traousis - van Wingaarden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.