Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:9913

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-11-2014
Datum publicatie
09-12-2014
Zaaknummer
10/691139-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling poging tot doodslag, verwerping beroep op noodweer ivm ontbreken noodweersituatie, motivering toewijzing vordering benadeelde partij, slachtoffer niet verzekerd voor ziektekosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/691139-12

Datum uitspraak: 25 november 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres en woonplaats].

Raadsman mr. Z. Nahar, advocaat te Amsterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 11 november 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding(en). De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. M. Goudzwaard heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van de onder 1 primair, impliciet primair, ten laste gelegde poging moord

- bewezenverklaring van het onder 1 primair, impliciet subsidiair, ten laste gelegde poging doodslag en het onder 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest;

- gehele toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 4] te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] tot het bedrag van €15.980,24 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 primair, impliciet primair, tenlastegelegde poging tot moord, omdat het bewijs ontbreekt dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Dit oordeel behoeft geen nadere motivering.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, impliciet subsidiair, 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

Onder parketnummer 10/691139-12

1. primair

zij op of omstreeks 26 juli 2012 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een persoon genaamd [benadeelde partij 1] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [benadeelde partij 1] meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een mes in de hals en/of de romp, in elk geval het bovenlichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

zij op of omstreeks 23 juli 2012 te Capelle aan den IJssel opzettelijk en wederrechtelijk zeven, althans een of meer, ruit(en) (van een woning aan de [adres][adres][adres]en/of een oven en/of een magnetron en/of een wasmachine en/of een koelkast en/of kleding en/of schoeisel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan woningbouwvereniging Havensteder en/of [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3

zij op of omstreeks 23 juli 2012 te Capelle aan den IJssel wederrechtelijk is binnengedrongen in een woning gelegen [adres] en in gebruik bij [benadeelde partij 2], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, immers heeft zij, verdachte, met een hamer, in elk geval een hard voorwerp, een ruit van voornoemde woning

ingeslagen/kapot geslagen en/of is zij, verdachte, via de aldus ontstane opening die woning naar binnen gegaan/geklommen;

Onder parketnummer 10/691139-12-A

4

zij op of omstreeks 16 september 2013 te Rotterdam, opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [benadeelde partij 3], arrestantenverzorger van de politie Rotterdam-Rijnmond, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in een hand en/of een knie, althans been, heeft gebeten, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

5

zij op of omstreeks 16 september 2013 te Rotterdam, opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [benadeelde partij 4], bijzonder opsporingsambtenaar van de politie Rotterdam-Rijnmond, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in een hand heeft gebeten en/of tegen een been heeft getrapt en/of geschopt, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

6.

zij op of omstreeks 16 september 2013 te Rotterdam, opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [benadeelde partij 5], opsporingsambtenaar van de politie Rotterdam-Rijnmond, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in een hand heeft gebeten, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

NADERE BEWIJSOVERWEGINGEN

Door de raadsman is aangevoerd dat zijn cliënt ter zake van de onder 1 primair, impliciet subsidiair, ten laste gelegde poging tot doodslag dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft betoogd dat het opzet, ook in voorwaardelijke zin, ontbrak. Bovendien kan volgens de raadsman niet worden uitgesloten dat aangeefster gewond is geraakt doordat zij zelf de beweging veroorzaakte die leidde tot de aanraking met het mes dat verdachte in haar hand had.

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat het steken met het mes niet is geschied in een worsteling waardoor het ontstaan van de steekwonden bij aangeefster niet te wijten kan zijn aan een (onverhoedse) beweging van aangeefster. Dat blijkt met name uit de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en uit de verklaring van aangeefster. Allen verklaren dat verdachte direct begon te steken en dat aangeefster verdachte niet heeft aangeraakt voordat zij door verdachte werd gestoken.

Voorts is de rechtbank, anders dan de raadsman, van oordeel dat bij verdachte sprake was van ten minste voorwaardelijk opzet en overweegt hiertoe als volgt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte met een mes stekende bewegingen heeft gemaakt ter hoogte van de hals en de romp van aangeefster. Hierbij is aangeefster ernstig gewond geraakt. De hals is een zeer kwetsbaar onderdeel van het menselijk lichaam, waarin zich onder meer belangrijke (slag)aderen bevinden. Algemene ervaringsregels leren dat door met een mes te steken in de nek dodelijk letsel kan worden toegebracht.

Verdachte heeft door op korte afstand met een mes in de hals en de romp van aangeefster te steken de kans op het intreden van dodelijk letsel ook welbewust aanvaard.

De rechtbank acht zodoende wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag heeft begaan.

STRAFBAARHEID FEITEN

Met betrekking tot feit 1 is namens de verdachte een beroep gedaan op noodweer. Volgens de verdediging was het de verdachte die door aangeefster werd aangevallen met een mes waardoor bescherming noodzakelijk was.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit beroep geen kans van slagen heeft nu niet is voldaan aan het proportionaliteit-en subsidiariteitsvereiste.

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat er sprake moet zijn geweest van een noodweersituatie, dat wil zeggen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding gericht tegen eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waarbij de verdediging noodzakelijk en proportioneel moet zijn.

Van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding is de rechtbank niet gebleken. Op geen enkele wijze is gebleken dat aangeefster verdachte met een mes heeft bedreigd dan wel verdachte daarmee heeft aangevallen. De verklaring van verdachte dat juist zij met een mes door aangeefster werd bedreigd, wordt niet ondersteund door verklaringen van getuigen of andere feiten en omstandigheden. Ook is niet gebleken van een andersoortige aanranding nu getuigen juist verklaren dat aangeefster niets deed en dat het de verdachte was die direct begon met steken. Van een noodweersituatie is derhalve geen sprake geweest. Dat brengt mee dat het beroep op noodweer niet kan slagen.

De bewezen feiten leveren op:

1. primair, impliciet subsidiair

poging tot doodslag;

2.

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

3.

in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;

4.

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende

of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

5.

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende

of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

6.

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende

of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Met betrekking tot feit 1 is namens de verdachte een beroep gedaan op noodweerexces. Gezien het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake was van een noodweersituatie, wordt ook het beroep op noodweerexces verworpen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van haar rivale in de liefde door haar met een mes meermalen in de hals en romp te steken. Aangeefster is in het ziekenhuis behandeld en heeft enige tijd op de Intensive Care moeten verblijven. Aangeefster ondervindt nog steeds de gevolgen van het steekincident en het is niet aan de verdachte te danken dat het niet slechter is afgelopen. Dit handelen van verdachte, dat gepaard ging met grote boosheid, heeft bij aangeefster ook veel schrik teweeggebracht hetgeen ook is gebleken uit de ter terechtzitting door aangeefster voorgelezen slachtofferverklaring. Verdachte heeft aldus haar woede omgezet in een levensbedreigende actie.

De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. De rechtbank rekent het verdachte tevens aan dat zij onvoldoende inzicht heeft in het kwalijke van haar handelen.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van goederen van haar (ex)vriend en het wederrechtelijk binnendringen in zijn woning. Verdachte was boos op haar (ex)vriend en is met een hamer naar zijn woning gegaan om de boel kort en klein te slaan. Verdachte heeft hiermee haar gevoelens van verdriet, woede en teleurstelling op een volstrekt onoorbare wijze geuit. De rechtbank rekent het verdachte ook aan dat zij de feiten heeft gepleegd in de woning van haar (ex)vriend, terwijl de eigen woning bij uitstek een plaats dient te zijn waar iemand zich veilig moet kunnen voelen.

Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een drietal opsporingsambtenaren. Het is kwalijk dat de verdachte deze feiten heeft gepleegd temeer nu deze opsporingsambtenaren zich juist inzetten om de veiligheid en het welzijn van verdachte te waarborgen.

Dergelijk gedrag jegens ambtenaren tijdens het uitvoeren van hun werkzaamheden getuigt van een kwalijk gebrek aan respect voor deze gezagsdragers. Bovengenoemde feiten zijn ernstige feiten en de rechtbank rekent dit de verdachte zeer aan.

Wat de persoon van verdachte betreft heeft de rechtbank in het bijzonder acht geslagen op het rapport van J.L.M. Dinjens, psychiater, van 22 januari 2013 en het rapport van S.G. Vitale, GZ-psycholoog, van 28 januari 2013. De rapporten van deze deskundigen zijn meer dan een jaar oud en voldoen niet aan het actualiteitsvereiste van artikel 37, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. De verdediging heeft gezegd niet in te stemmen met het gebruik van deze rapportages. Om die reden zal de rechtbank het advies van deze deskundigen met betrekking tot de mogelijke interventies binnen het juridische kader niet overnemen. Wel neemt de rechtbank de conclusie met betrekking tot de mate van toerekeningsvatbaarheid over nu het actualiteitsvereiste uit artikel 37 deze conclusie niet raakt. Zowel de psychiater als de psycholoog adviseren de verdachte te beschouwen als verminderd toerekeningsvatbaar. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt deze tot de hare.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte in aanmerking genomen dat verdachte blijkens een op haar naam gesteld Uittreksel Justitiële Documentatie van 21 oktober 2014 niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. De rechtbank heeft tevens meegewogen dat de bewezenverklaarde feiten reeds enige tijd geleden hebben plaatsgevonden.

Gelet op de straffen die de rechtbank in soortgelijke zaken pleegt op te leggen, doet de door de verdediging bepleite geheel voorwaardelijke gevangenisstraf al dan niet in combinatie met een werkstraf geen recht aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten. De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf van geruime duur passend is. De rechtbank ziet geen aanleiding een deel van deze straf in voorwaardelijke vorm op te leggen nu uit het voortgangsverslag van de reclassering d.d. 13 oktober 2014 blijkt dat verdachte onvoldoende gemotiveerd is mee te werken aan verdere behandeling en begeleiding.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij 1] ter zake van het

onder 1 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van €22.974,94 aan materiële schade en een bedrag van €1.250,00 aan immateriële schade.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van €15.980,24 te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier vordert de toewijzing van de posten genummerd 1, 2, 3, 4, 6, 7 en 16. Met betrekking tot de posten 8, 9, 10, 11 en 12 verzoekt de officier van justitie deze te schatten op het gezamenlijke bedrag van €100,00.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de posten

5, 13, 14 wegens een onvoldoende nauwkeurige onderbouwing en van post 15, omdat deze post een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren.

De raadsman van verdachte heeft de niet ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering bepleit wegens een onevenredige belasting van het strafgeding en wegens een onvoldoende nauwkeurige onderbouwing.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks schade is toegebracht en de rechtbank van mening is dat de posten op de vordering met de nummers 1, 2, 3, 4, 15 en 16 genoegzaam zijn onderbouwd, zullen deze, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen. De posten 8, 9, 10, 11 en 12 schat de rechtbank op een gezamenlijk bedrag van €100,00.

Met betrekking tot de gevorderde post 6 (factuur ambulancezorg ad €562,77 + €84,42) en post 7 (medische kosten Maasstad ziekenhuis ad €11.916,06) heeft de verdediging aangevoerd dat de benadeelde partij zich voor haar ziektekosten had dienen te verzekeren en dat, nu zij dit gedurende zes maanden heeft nagelaten, deze kosten voor haar eigen risico dienen te komen.

De rechtbank overweegt als volgt. De plicht tot het afsluiten van een zorgverzekering strekt niet tot bescherming van aansprakelijke derden tegen schadeclaims. Daar komt bij dat de benadeelde partij, ook indien zij wel een verzekering had afgesloten, ervoor zou hebben kunnen kiezen uitsluitend verdachte aan te spreken tot vergoeding van de schade. Dat het dan voor de hand zou hebben gelegen dat zij haar zorgverzekeraar zou hebben aangesproken doet hieraan niet af. Bovendien zou de zorgverzekeraar na vergoeding van de medische kosten op grond van artikel 7:962 van het Burgerlijk Wetboek zijn gesubrogeerd in het recht op schadevergoeding van de benadeelde partij jegens verdachte en aldus regres op verdachte hebben kunnen nemen tot het uitgekeerde bedrag. De stelling van de verdediging dat deze ziektekosten voor eigen risico van de benadeelde partij dienen te komen, wordt dan ook niet gevolgd. Voor het overige zijn deze posten niet betwist. De rechtbank zal dit onderdeel van de vordering dan ook toewijzen, voor zover deze haar niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De buitengerechtelijke incassokosten ad €84,42 wegens te late betaling van de factuur ad € 562,77 van AmbulanceZorg Rotterdam-Rijnmond zijn niet zonder meer aan te merken als rechtstreeks ontstaan door de poging tot doodslag, zodat deze kosten zullen worden afgewezen. Het toewijsbare deel voor post 6 komt hiermee op €562,77 en voor post 7 op €11.916,06.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat in het midden kan blijven of een deel van de schade valt toe te rekenen aan het niet verzekerd zijn door de benadeelde partij. De uiteenlopende ernst van de (eventueel) gemaakte fouten (het door de verdachte met een mes meermalen steken van aangeefster; het zich niet verzekeren door aangeefster) maakt dat de vergoedingsplicht geheel in stand dient te blijven.

De behandeling van het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de posten 5, 13 en 14, levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De vordering wordt toegewezen tot een totaalbedrag van €23.667,82, vermeerderd met de wettelijke rente.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij 4] ter zake van het

onder 5 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van €250,00 aan immateriële schade.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij te vermeerderen met de wettelijke rente en tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 5 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze worden toegewezen.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij 5] ter zake van het

onder 6 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van €186,40 aan materiële schade en een bedrag van €250,00 aan immateriële schade.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij te vermeerderen met de wettelijke rente en tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 6 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze worden toegewezen.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 138, 287, 300, 304 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair impliciet subsidiair, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis;

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van €23.667,82 (drieëntwintigduizend zeshonderdzevenenzestig euro en tweeëntachtig cent), bestaande uit €22.417,82 aan materiële schade en €1.250,00 aan immateriële schade;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 juli 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;

bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen €23.667,82 (drieëntwintigduizend zeshonderdzevenenzestig euro en tweeëntachtig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 juli 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening;

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van €23.667,82 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 153 (honderd drieënvijftig) dagen. De toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] toe tot een bedrag van €250,00 (tweehonderdvijftig euro), bestaande uit immateriële schade;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen €250,00 (tweehonderdvijftig euro);

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van €250,00 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 5 (vijf) dagen.

De toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] toe tot een bedrag van €336,40 (driehonderdzesendertig euro en veertig cent), bestaande uit €186,40 aan materiële schade en €150,00 aan immateriële schade;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen €336,40 (driehonderdzesendertig euro en veertig cent);

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van

€336,40 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 6 (zes) dagen.

De toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.A.C. Prins, voorzitter,

en mrs. M.A.J.M. Jansen en D.L. Spierings, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.C. Pagano Mirani, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 november 2014.

Bijlage I bij vonnis van 25 november 2014:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Onder parketnummer 10/691139-12

1. Primair

zij op of omstreeks 26 juli 2012 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een persoon genaamd [benadeelde partij 1] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [benadeelde partij 1] meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een mes in de hals en/of de romp, in elk geval het bovenlichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

zij op of omstreeks 26 juli 2012 te Rotterdam aan een persoon genaamd [benadeelde partij 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten vier steekwonden (met als gevolg blijvende littekens)en/of (een) bloeding(en) uit (een) (slag)ader(s)), heeft toegebracht, door die [benadeelde partij 1] opzettelijk meermalen met een mes te steken;

Meer subsidiair

zij op of omstreeks 26 juli 2012 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde partij 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde partij 1] meermalen met een mes heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

zij op of omstreeks 23 juli 2012 te Capelle aan den IJssel opzettelijk en wederrechtelijk zeven, althans een of meer, ruit(en) (van een woning aan de [adres]en/of een oven en/of een magnetron en/of een wasmachine en/of een koelkast en/of kleding en/of schoeisel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan woningbouwvereniging Havensteder en/of [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3.

zij op of omstreeks 23 juli 2012 te Capelle aan den IJssel wederrechtelijk is binnengedrongen in een woning gelegen [adres] en in gebruik bij [benadeelde partij 2], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, immers heeft zij, verdachte, met een hamer, in elk geval een hard voorwerp, een ruit van voornoemde woning

ingeslagen/kapot geslagen en/of is zij, verdachte, via de aldus ontstane opening die woning naar binnen gegaan/geklommen;

Onder parketnummer 10/691139-12-A

4.

zij op of omstreeks 16 september 2013 te Rotterdam, opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [benadeelde partij 3], arrestantenverzorger van de politie Rotterdam-Rijnmond, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in een hand en/of een knie, althans been, heeft gebeten, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

5.

zij op of omstreeks 16 september 2013 te Rotterdam, opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [benadeelde partij 4], bijzonder opsporingsambtenaar van de politie Rotterdam-Rijnmond, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in een hand heeft gebeten en/of tegen een been heeft getrapt en/of geschopt, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

6.

zij op of omstreeks 16 september 2013 te Rotterdam, opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [benadeelde partij 5], opsporingsambtenaar van de politie Rotterdam-Rijnmond, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in een hand heeft gebeten, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.