Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:9851

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
10/766052-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Faillisementsfraude. Feitelijke leiding geven aan bedrieglijke bankbreuk. Art. 341 en 51 Sr. Curator stelt zich als bp ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers in het faillissement.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/766052-14

Datum uitspraak: 3 december 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte 1],

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres 1],
raadsman [raadsman], advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 19 november 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie [officier van justitie] heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, met bevel dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.



BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

[de vrouw], handelend onder naam[bedrijf], zijnde een eenmanszaak, die bij vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 8 oktober 2013 in staat van faillissement is verklaard, in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 19 mei 2014, te Rotterdam,

ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting ten opzichte van

- het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en- het bewaren, en te voorschijn brengen van de bescheiden in dat artikel bedoeld,

immers heeft die [de vrouw], handelend onder naam[bedrijf], zijnde een eenmanszaak, met dat opzet

- niet een zodanige administratie laten voeren, dat daaruit te allen tijde de rechten en de verplichtingen van die eenmanszaak konden worden gekend, en- niet alle administratie van voornoemde eenmanszaak afgegeven en ter beschikking gesteld aan de curator,

zulks terwijl hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

NADERE BEWIJSOVERWEGING

Namens de verdachte is vrijspraak van het primair ten laste gelegde bepleit. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte op 1 oktober 2012 een hartaanval heeft gehad en dat hij in de periode daarna veel lichamelijke maar ook psychische klachten heeft gehad. Desondanks is hij doorgegaan met werken voor[bedrijf]. Dat heeft geleid tot vele slordigheden in de door hem gevoerde bedrijfsadministratie. De verdachte heeft een deel van die administratie in een garagebox opgeslagen. Hij heeft deze garagebox samen met een vriend leeggeruimd en de administratie is toen waarschijnlijk weggegooid. De verdachte was zich daar niet van bewust door zijn geestelijke gesteldheid. Het andere deel van de administratie had hij opgeslagen in de kelderbox van zijn woning, maar dat was op enig moment verdwenen. De verdachte heeft de administratie niet kunnen aanleveren bij de curator, maar dat is niet opzettelijk gebeurd. Er is geen sprake van handelen van de verdachte ter bedrieglijke verkorting van de rechter van zijn schuldeisers, aldus de verdediging.

De rechtbank overweegt het volgende.

Voor een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde is vereist dat de verdachte opzet heeft gehad op de verkorting van de rechten van de schuldeisers, waarbij voorwaardelijk opzet voldoende is. Voor het bewijs van voorwaardelijk opzet is tenminste vereist dat de handelingen van de verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan.

De verdachte was werkzaam als bedrijfsleider bij[bedrijf] en voerde tevens de administratie voor het bedrijf. De verdachte heeft twee keer eerder een faillissement van zijn eigen eenmanszaak meegemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank behoorde de verdachte derhalve te weten dat op hem de wettelijke verplichting rustte om de administratie van een bedrijf meerdere jaren te bewaren, onder meer omdat in het geval dat het bedrijf failliet zou gaan, de curator zonder een (deugdelijke) administratie geen volledig zicht zou hebben op de baten en lasten alsmede vermogensbestanddelen van de gefailleerde en de curator als gevolg daarvan niet zou weten wat hij aan wie kon toedelen. Hetgeen tot gevolg zou kunnen hebben dat schuldeisers daardoor zouden worden benadeeld.

Dat er een grote kans was dat het bedrijf failliet zou gaan, moet voor de verdachte duidelijk zijn geweest. Hij heeft verklaard dat het sinds 1 oktober 2012 financieel steeds slechter ging met het bedrijf vanwege zijn slechte gezondheid en omdat er nauwelijks werk voor hem was. Hij heeft naar eigen zeggen een jaar lang “zijn kop in het zand gestoken”.

Desondanks heeft de verdachte er niets aan gedaan om de administratie van[bedrijf] zorgvuldig te bewaren. Integendeel, hij was erbij aanwezig toen een deel van de administratie (waarschijnlijk) werd weggegooid en hij heeft (in ieder geval) niets gedaan om te voorkomen dat de administratie in het ongerede raakte. Het feit dat hij een moeilijke periode doormaakte wegens gezondheids- en privéproblematiek doet hier niets aan af.

Door het niet (zorgvuldig) bewaren van de administratie van[bedrijf], en zelfs een deel daarvan weg te gooien, heeft de verdachte, zeker gezien zijn eerdere ervaringen met het failliet gaan van een bedrijf, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de schuldeisers hierdoor in het faillissement zouden kunnen worden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzet, in

voorwaardelijke zin, heeft gehad op de verkorting van de rechter van de schuldeisers.
Het verweer wordt derhalve verworpen.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

feitelijke leiding geven aan bedrieglijke bankbreuk.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan bedrieglijke bankbreuk. Hij heeft de administratie gevoerd voor het bedrijf waar hij bedrijfsleider van was, maar deze administratie, in strijd met de wettelijke verplichtingen daartoe, niet bewaard, waarschijnlijk zelfs deels weggegooid, en daardoor, nadat het bedrijf failliet was gegaan, de administratie niet ter beschikking kunnen stellen aan de curator.

De verdachte heeft zich bij het plegen van dit feit niets aangetrokken van de belangen van anderen. Door zijn handelen heeft de verdachte het de curator onmogelijk gemaakt om het faillissement op de juiste wijze af te wikkelen en correct te kunnen vaststellen wat er onder welke schuldeiser moet worden verdeeld.

Op een dergelijk feit is het opleggen van een taakstraf op zijn plaats.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen taakstraf is in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 13 oktober 2014 niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Gelet op de straffen die rechtsprekende instanties in vergelijkbare gevallen plegen op te leggen, ziet de rechtbank aanleiding om tot een iets lagere straf te komen dan de officier van justitie heeft geëist.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [curator], in de hoedanigheid van curator van[de vrouw], ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers in het faillissement van[bedrijf], domicilie kiezend te Rotterdam, ter zake van het primair ten laste gelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 337.475,58 aan materiële schade.

De rechtbank overweegt als volgt.

De vordering van de curator ziet op een aantal posten.

Vast is komen te staan dat aan [benadeelde] door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht. De verdachte heeft deze post niet betwist. Het ter zake gevorderde bedrag van € 2.140,06 is derhalve toewijsbaar.

Voor de overige, wel betwiste, posten geldt dat de behandeling daarvan een te groot beslag op het strafproces zou leggen. Vastgesteld moet immers worden in welke positie de boedel en de schuldeisers zouden hebben verkeerd, indien de administratie wel beschikbaar was geweest en dat is niet zonder complicaties.

Voor wat betreft de post ‘kosten curator’ kan nog opgemerkt worden dat als de administratie wel beschikbaar was geweest, de curator ook tijd en geld kwijt was geweest aan het onderzoek daarvan, terwijl bovendien de gevorderde kosten niet zijn onderbouwd.

De curator zal daarom ten aanzien van deze posten niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Nu partijen over en weer deels in het gelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 51 en 341 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen.

wijst de vordering van de benadeelde partij [curator], in de hoedanigheid van curator van [de vrouw], ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers in het faillissement van[bedrijf], domicilie kiezend te Rotterdam, toe tot een bedrag van € 2.140,06 (tweeduizendhonderdveertig euro en zes cent), en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 2.140,06 (tweeduizendhonderdveertig euro en zes cent); beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 2.140,06 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 31 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. Leyenaar-Holleman, voorzitter,

en mrs. N. Doorduijn en V. Mul , rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K. Aagaard, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 december 2014.

Bijlage I bij vonnis van 3 december 2014:

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

[de vrouw], handelend onder naam[bedrijf],

zijnde een eenmanszaak, die bij vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 8 oktober 2013 in staat van faillissement is/was verklaard, in of omstreeks de periode van 1 oktober 2012 tot en met 19 mei 2014, te Rotterdam, in elk geval in Nederland,

ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeiser(s) niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting(en) ten opzichte van

- het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of

- het bewaren, en/of te voorschijn brengen van de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld,

immers heeft die [de vrouw], handelend onder naam[bedrijf], zijnde een eenmanszaak, met dat opzet

- niet een zodanige administratie gevoerd, althans laten voeren, dat daaruit te allen tijde de rechten en de verplichtingen van die eenmanszaak konden worden gekend, en/of

- niet alle administratie van voornoemde eenmanszaak afgegeven en/of ter beschikking gesteld aan de curator, zulks terwijl hij, verdachte, tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);

art 51 Wetboek van Strafrecht

art 341 ahf/ond a ahf/sub 4° Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

[de vrouw], handelend onder naam[bedrijf], zijnde een eenmanszaak, die bij vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 8 oktober 2013 in staat van faillissement is/was verklaard, in of omstreeks de periode 8 oktober 2013 tot en met 19 mei 2014 te Rotterdam, althans in Nederland,

de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers waarmee verdachte ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek een administratie gevoerd heeft, en/of de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers die verdachte ingevolge dat artikel bewaard heeft, niet in ongeschonden staat te voorschijn heeft gebracht,

immers heeft die [de vrouw], handelend onder naam [bedrijf]

[bedrijf], zijnde een eenmanszaak, geen (volledige) administratie uitgeleverd/overhandigd aan de door de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam in bovengenoemd faillissement aangestelde curator, zulks terwijl hij, verdachte, tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);

art 51 Wetboek van Strafrecht

art 340 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht