Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:9798

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
02-12-2014
Zaaknummer
C/10/409538 / HA ZA 12-841
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg overnameovereenkomst, pandakte en veroordeling met dwangsom. Verjaring dwangsommen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/409538 / HA ZA 12-841

Vonnis van 5 november 2014

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser1],

gevestigd te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser2],

gevestigd te [woonplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser3],

gevestigd te [woonplaats],

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. Ph. Ekering te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde1],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde2],

gevestigd te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. M.R.E. Gelok te Roosendaal.

Partijen zullen hierna [eiser1], [eiser2], [eiser3], [gedaagde1] en [gedaagde2] genoemd worden. [eiser1], [eiser2] en [eiser3] zullen gezamenlijk aangeduid worden als [eiser3] c.s. [gedaagde1] en [gedaagde2] zullen gezamenlijk aangeduid worden als [gedaagde2] c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 3 april 2013 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte vermeerdering van eis in conventie, met producties;

  • -

    de brief van 22 augustus 2013 van mr. Gelok, met producties;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 27 augustus 2013;

  • -

    de conclusie van repliek in conventie, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie tevens houdende akte wijziging/vermeerdering van eis in reconventie, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie tevens houdende akte uitlaten wijziging/vermeerdering van eis.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 28 november 2008 hebben [gedaagde2] en [eiser1] een koopovereenkomst met elkaar gesloten. Daarbij heeft [gedaagde2] 92% van de aandelen in het kapitaal van [eiser2] aan [eiser1] verkocht. Van de koopsom ten bedrage van € 13.133.000,-- is [eiser1] een gedeelte schuldig gebleven. Dat gedeelte diende in overeengekomen termijnen, verhoogd met rente, te worden betaald.

2.2.

Ter zake van de koopsom en het door [eiser1] schuldig gebleven deel daarvan zijn [gedaagde2] en [eiser1] in de artikelen 3 en 4 van de koopovereenkomst het volgende overeengekomen (productie 3 [eiser1] c.s.):

'Artikel 3 Koopsom en betaling

3.1

De koopsom van de Aandelen (de Koopsom) bedraagt € 13.133.000,--.

3.2

Op de datum van levering van de Aandelen zal van de in het vorige lid bedoelde Koopsom worden voldaan de somma van € 7.851.250,--, waarop in mindering strekken bij wijze van verrekening:

- € 2.762.578,50, zijnde 55 % van het door Verkoopster aan te vullen negatief eigen vermogen van de Vennootschap per 31 december 2007, zijnde de voorlopige vaststelling daarvan als bedoeld in artikel 9.5;

- € 500.000,--, zijnde een afkoopsom voor de aan partijen genoegzaam bekende en geen nadere omschrijving behoevende optieregeling van de heer D. [eiser1];

- € 485.786,--, zijnde het saldo per 31 oktober 2007 van diverse posten, zoals gespecificeerd weergegeven op de als bijlage 1 aan deze overeenkomst gehechte opstelling, zijnde de voorlopige vaststelling daarvan als bedoeld in artikel 9.5,

zodat per saldo op de datum van levering van de Aandelen wordt voldaan de somma van € 4.102.885,--. De non-betaling geldt als ontbindende voorwaarde voor de onderhavige transactie. Betaling dient te geschieden op rekeningnummer[rekeningnummer] t.n.v. Verkoopster.

3.3

Het restant van de Koopsom groot € 5.281.750,-- zal schuldig worden gebleven, rentedragend en opeisbaar zijn en worden betaald, onder verrekening van een bedrag van € 1.858.462,--, zijnde 37 % van het door Verkoopster aan te vullen negatief eigen vermogen van de Vennootschap per 31 december 2007, overeenkomstig de weergave in het als bijlage 2 aan deze overeenkomst gehechte overzicht.

Artikel 4 Voorwaarden lening

4.1

Over het in het vorige artikel omschreven schuldig gebleven gedeelte van de Koopsom zal een rentevergoeding worden betaald per maand gebaseerd op het driemaands Euribor tarief zoals telkens vastgesteld op de eerste werkdag van de eerste maand van elk kwartaal, verhoogd met 1,25 %-punt en afgerond op 2 decimalen. Voor de berekening van de rente wordt de maand op 30 dagen en het jaar op 360 dagen gesteld.

Het rentepercentage is derhalve telkens voor drie maanden vast.

4.2

Deze rente zal maandelijks op de laatste dag van de desbetreffende maand door Koopster worden betaald aan Verkoopster, voor het eerst op 31 december 2008, gebaseerd op het Euribortarief op de dag van levering van de Aandelen en te berekenen over de periode van de dag volgend op de levering van de Aandelen tot het einde van de maand.

4.3

Koopster is bevoegd om hetgeen van het schuldig gebleven gedeelte van de Koopsom nog niet is terugbetaald zonder boete of extra rente vervroegd geheel of - mits in ronde sommen van honderdduizend euro - gedeeltelijk terug te betalen.

4.4

De jaarlijkse aflossingen geschieden eveneens op 31 december van de op bijlage 2 weergegeven kalenderjaren, voor het eerst op 31 december 2008.

4.5

Het resterende gedeelte van de Koopsom wordt integraal opeisbaar indien en zodra Koopster enige termijn genoemd in deze overeenkomst c.q. weergeven in het als bijlage 2 aan deze overeenkomst gehechte overzicht niet nakomt.

4.6

Tot zekerheid van de terugbetaling zal er door Koopster voor worden zorggedragen, dat op de datum van levering van de Aandelen aan Verkoopster een tweede pandrecht wordt gegeven op de assurantieportefeuille van[bv] en van de met Koopster gelieerde in de considerans omschreven vennootschappen, alsmede dat in ieder geval één jaartermijn van € 575.000,--, verminderd met de in het desbetreffende jaar over dat jaar betaalde rente, wordt gegarandeerd door Allianz Nederland Schadeverzekering N.V., welke laatstgenoemde vennootschap in verband met het bepaalde in dit lid van dit artikel deze overeenkomst mede ondertekent.

4.7

Koopster staat er jegens Verkoopster voor in en garandeert, dat er geen bijzondere verplichtingen door de Vennootschap en/of haar in de considerans weergegeven deelnemingen dan wel door Koopster zelf worden aangegaan, behoudens voorafgaande toestemming van Verkoopster, die het vorderingsrecht van Verkoopster of de aan haar gegeven zekerheden op enigerlei aantoonbare wijze in negatieve zin kunnen beïnvloeden. Deze garantie eindigt direct na betaling van de laatste schuldig gebleven termijn.'

2.3.

Over vrijwaring [gedaagde1] voor eventuele bestuurdersaansprakelijkheidsclaims zijn partijen in artikel 9.3 van de koopovereenkomst het volgende overeengekomen:

'Koopster vrijwaart zowel de heer M.A.C.F.G. [gedaagde1] in privé als Verkoopster voor alle claims uit hoofde van hun voormalig bestuurderschap bij de Vennootschap en haar deelnemingen, evenwel met uitzondering van de hiervoor in artikel 7 verstrekte garanties. Koopster zal in verband met deze vrijwaring een daartoe strekkende bestuurdersaansprakelijkheidspolis afsluiten en zal des nodig het verweer namens M.A.C.F.G. [gedaagde1] en Verkoopster maar wel in overleg met deze voeren.'

2.4.

Ter zake van nog te verrichten verrekeningen zijn [gedaagde2] en [eiser1] in artikel 9.5 van de koopovereenkomst het volgende overeengekomen:

'De in deze overeenkomst weergegeven bedragen met betrekking tot het negatief eigen vermogen van de Vennootschap per 31 december 2007 en van de verrekenposten als omschreven in bijlage 2, evenals de bedragen weergegeven in de bijlagen bij deze overeenkomst zijn voorlopig, in afwachting van de definitieve vaststelling daarvan door BDO. Eventueel daaruit voortvloeiende correcties zullen worden nabetaald respectievelijk verrekend gelijk met de aflossing die per 31 december 2009 door Koopster moet worden verricht. Tegelijk zullen daarbij worden verrekend bedragen die ten behoeve van Verkoopster zijn betaald of ontvangen na 31 oktober 2008.'

2.5.

Artikel 12.1 van de koopovereenkomst vermeldt het volgende:

'Alle kosten samenhangend met en voortvloeiend uit de onderhavige transactie worden gedragen door Koopster.'

2.6.

Op 11 december 2008 hebben [gedaagde2], [eiser1], [eiser2] en [eiser3], de eerste als 'pandhouder', de twee laatste als 'pandgever', een akte van verpanding met de volgende inhoud ondertekend (productie 4 [eiser1] c.s.):

'in aanmerking nemende:

de pandhouder heeft uit hoofde van een op 28 november 2008 ondertekende koopovereenkomst een vordering op [eiser1] ter grootte van per saldo € 3.423.288,-- exclusief rente.

Tot zekerheid van de betaling daarvan is overeengekomen, dat pandgever de in eigendom aan haar toebehorende verzekeringsportefeuille in de breedste zin van het woord zal verpanden aan pandhouder.

Die verzekeringsportefeuille is evenwel al eerder verpand en wel op 11 december 2008 aan de naamloze vennootschap Allianz Nederland Schadeverzekering NV. De daartoe opgestelde en ondertekende onderhandse akte van verpanding is als bijlage 1 aan deze akte van verpanding gehecht.

verklaren als volgt te zijn overeengekomen:

Artikel 1

Pandgever verpandt hierbij de aan haar in eigendom toebehorende verzekeringsportefeuille inclusief huidige en toekomstige portefeuillerechten, een en ander zoals omschreven in en onder dezelfde voorwaarden als weergegeven in de als bijlage 1 aan deze akte gehechte onderhandse akte.

Artikel 2

Voormelde in artikel 1 omschreven verpanding is een verpanding tweede in rang.

Artikel 3

Aan pandhouder komen dezelfde rechten en plichten toe in de breedste zin des woords als aan de pandhouder in de aangehechte onderhandse akte van verpanding toekomen, welke onderhandse akte van verpanding dan ook hier als letterlijk herhaald en ingelast moet worden beschouwd.'

2.7.

De aangehechte pandakte van Allianz (hierna: de Allianz-pandakte), waarnaar de pandakte tussen partijen verwijst, vermeldt onder meer:

'3. Overeenkomst tot nadere verpanding

3.1.

De Pandgever komt hierbij overeen met ANS om op eerste verzoek van ANS en in ieder geval binnen dertig dagen na het einde van het kalenderjaar, ten gunste van ANS een pandrecht te vestigen op haar Goederen door ondertekening van een aanvullende pandakte goeddeels in de vorm van Bijlage 3 (…)

4 Informatie

4.1

De Pandgever zal op Bijlage 2 hiervan en op elke bijlage bij een aanvullende pandakte specificeren:

a. de naam van elke Verzekeringnemer;

b. de naam en het telefoonnummer van een contactpersoon voor elke Verzekeringnemer;

c. het adres van elke Verzekeringnemer;

d. de verschuldigde premie onder elke verzekeringsovereenkomst, alsmede eventuele andere bedragen die de Verzekeringnemer aan de Pandgever verschuldigd is, en de grondslag daarvoor,

en

e. het polisnummer van elke verzekeringsovereenkomst.

4.2

De Pandgever zal voorts op eerste verzoek van ANS alle bewijzen en bescheiden die op de Goederen betrekking hebben aan ANS verschaffen en alle inlichtingen verstrekken en alle medewerking verlenen welke ANS voor de uitoefening van de rechten voortvloeiende uit of verband houdende met deze Akte nodig mocht oordelen. De Pandgever verplicht zich voorts om alle handelingen te verrichten en alle medewerking te verlenen welke naar het oordeel van ANS redelijkerwijs vereist is voor de uitwinning van de pandrechten die zijn gecreëerd bij deze Akte. De Pandgever zal op verzoek aan ANS kopieën verstrekken van de nota's met betrekking tot de Goederen. Het niet aanleveren van nota's zal de geldigheid van de pandrechten op de Goederen niet aantasten.

4.3

De Pandgever verstrekt ANS het Adressenbestand zowel op papier als in elektronische vorm.

(…)

11 Kosten en schadeloosstelling

11.1

Alle kosten van welke aard dan ook, verbonden aan deze Akte en aan de uitoefening van de rechten van ANS daaruit, zowel in als buiten rechte, waaronder begrepen de kosten van juridische bijstand en proceskosten, de kosten in verband met Artikel 5 (Meerdere zekerheid) en alle kosten gemaakt in verband met de verkoop of inning van de Goederen of een wijziging of aanvulling van of het doen van afstand in verband met deze Akte, zijn voor rekening van de Pandgever.

11.2

De Pandgever verplicht zich ANS schadeloos te stellen met betrekking tot alle kosten, verliezen, handelingen, vorderingen, uitgaven, eisen en aansprakelijkheden door hem ondervonden of aangegaan (dan wel door ieder ander persoon voor wiens handelen of nalaten hij aansprakelijk is) in verband met of voortvloeiende uit deze Akte of als gevolg van een handelen of nalaten in verband met de uitoefening of beoogde uitoefening van rechten uit hoofde van deze Akte of als gevolg van een tekortkoming door de Pandgever van haar verplichtingen in verband met of voortvloeiende uit deze Akte, tenzij de schade is veroorzaakt door grove nalatigheid of opzettelijk wangedrag van ANS zelf.'

2.8.

Tussen partijen is in kort geding geprocedeerd over - kort weergegeven - de informatie die [eiser1] c.s. op grond van de aangegane overeenkomsten aan [gedaagde2] c.s. diende te verstrekken. Dit heeft geleid tot de volgende uitspraken in kort geding:

- een vonnis van 23 april 2010 van de voorzieningenrechter in deze rechtbank, waarbij de volgende veroordeling tegen [eiser1] is uitgesproken (productie 8 [eiser1] c.s.):

'5.1. veroordeelt gedaagde sub 1 tot afgifte van een kopie van de polis van de beweerdelijk ten behoeve van eisers afgesloten bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering, binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;

5.2.

bepaalt dat gedaagde sub 1 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in strijd handelt met het onder 5.1. bepaalde, aan eisers een dwangsom verbeurt van EUR 500,00, tot een maximum van EUR 15.000,00;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.'

- een vonnis van 27 juli 2010 van de voorzieningenrechter in deze rechtbank, waarbij in conventie de volgende veroordeling tegen [eiser1] is uitgesproken (productie 52 [eiser1] c.s.):

'7.1. veroordeelt gedaagde sub 1 tot het afsluiten van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering ten behoeve van eiser sub 1 ter dekking van zijn aansprakelijkheid voortvloeiend uit zijn via eiseres sub 2 uitgeoefende bestuurderschap bij B.V. [eiser2] houdstermaatschappij pcpc-[gedaagde2] en tot het overleggen van een kopie van de polis ten bewijze hiervan, binnen drie weken na betekening van dit vonnis;

7.2.

bepaalt dat gedaagde sub 1 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in strijd handelen met het onder 7.1 bepaalde, aan eisers een dwangsom verbeurt van EUR 500,00 met een maximum van EUR 15.000,00

7.3.

compenseert de kosten in conventie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

7.4.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.'

- een arrest van 6 maart 2012 van het Gerechtshof 's-Gravenhage, waarbij de volgende veroordeling tegen [eiser1] c.s. is uitgesproken (productie 13 [eiser1] c.s.):

'vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover daarbij de vordering II is afgewezen en de proceskosten zijn gecompenseerd;

in zoverre opnieuw recht doende:

veroordeelt [eiser1] c.s. om binnen 21 dagen na betekening van dit arrest aan V- Beheer een pandlijst/borderel (geprint of digitaal) te verstrekken waarop vermeld staan a. de naam van elke verzekeringsnemer b. de naam en het telefoonnummer van een contactpersoon voor elke verzekeringsnemer c. het adres en zo mogelijk het
e-mailadres van elke verzekeringsnemer d. de verschuldigde premie onder elke verzekeringsovereenkomst, alsmede eventuele andere bedragen die de verzekeringsnemer aan de pandgever verschuldigd is, en de grondslag daarvoor e. het polisnummer van elke verzekeringsovereenkomst, f. de naam en het adres van de desbetreffende verzekeraar, zo mogelijk met e-mailadres, telefoonnummer en opgave van de contactpersoon, en in voorkomend geval de volmachtgever;

veroordeelt [eiser1] c.s. om ingaande 1 juli 2012, zolang de hoofdvordering verhoogd met rente niet is voldaan, ieder kwartaal uiterlijk de veertiende werkdag van dat kwartaal aan V-Beheer een pandlijst/borderel (geprint of digitaal) te verstrekken, welke lijst de hiervoor genoemde gegevens - naar de toestand van de eerste dag van dat kwartaal - bevat;

bepaalt dat [eiser1] c.s. een - voor matiging vatbare - dwangsom verbeuren van € 1.000,- voor elke volle dag dat zij met voldoening van een van deze veroordelingen in gebreke blijven, zulks met een maximum van € 2.000.000,-;

veroordeelt [eiser1] c.s. in de kosten van het geding in de eerste instantie, welke kosten tot op heden aan de zijde van V-Beheer c.s. worden bepaald op € 87,93 (dagvaarding) en het bedrag gelijk aan het betaalde griffierecht aan verschotten, alsmede € 816,- aan salaris voor de advocaat;

bekrachtigt het vonnis voor het overige;

veroordeelt [eiser1] c.s. in de kosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van V-Beheer c.s. worden bepaald op € 87,93 (dagvaarding) en € 314,- (griffierecht) aan verschotten, alsmede € 894,- (tarief II, 1 punt) aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de veroordelingen betreft;

wijst af het meer of anders gevorderde.'

- een vonnis van 29 mei 2012 van de voorzieningenrechter in deze rechtbank, waarbij de vorderingen van [eiser1] c.s. om de tenuitvoerlegging van het arrest van het Gerechtshof 's-Gravenhage te verbieden en om eventueel verbeurde dwangsommen te matigen zijn afgewezen (productie 17 [eiser1] c.s.).

- een vonnis van 6 juni 2012 van de voorzieningenrechter in deze rechtbank, waarbij de vordering van [eiser1] c.s. om de tenuitvoerlegging van het arrest van het Gerechtshof 's-Gravenhage te verbieden wederom is afgewezen (productie 21 [eiser1] c.s.).

- een vonnis van 5 juli 2012 van de voorzieningenrechter in deze rechtbank, waarbij de vordering van [eiser1] c.s. om de verdere tenuitvoerlegging van het arrest van het Gerechtshof 's-Gravenhage te verbieden, geclausuleerd is toegewezen (productie 28 [eiser1] c.s.).

2.9.

Op 28 december 2012 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten (productie 1 [gedaagde2] c.s.). Daarin hebben zij - kort weergegeven - afspraken vastgelegd die de strekking hebben dat partijen de geschillen die hen nog verdeeld hielden beslecht wensen te zien in deze bodemprocedure.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser1] c.s. vorderen na wijziging van eis:

'bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat:

I in de pandovereenkomst tussen BV [eiser1] en [gedaagde2] op 11 december 2008 gesloten het pandrecht op de portefeuille verleend is ter meerdere zekerheid van de terugbetaling van een specifiek genoemd bedrag en dat met de voldoening van dat bedrag (en de rente) het pandrecht op de portefeuille is komen te vervallen en daarmee ook de verplichting voor [eiser3] om verdere pandlijsten te verstrekken.

II de vaststelling van BDO als genoemd in artikel 9.5 van de koopovereenkomst niet kan leiden tot een nadere betalingsverplichting van [eiser3] in verband met het niet tijdig, namelijk niet voor 31 december 2009, gereedkomen van die vaststelling.

III aan het rapport van BDO d.d. 24 december 2010 geen waarde kan worden gehecht nu in dit rapport ten onrechte uitgegaan is van het moeten beoordelen van posten in plaats van bedragen.

IV het rapport van BDO zodanig tekort schiet, zowel qua inhoud als qua totstandkoming dat er in het geheel geen waarde aan gehecht mag worden.

V [eiser3] na de betaling op 7 april 2012 geen dwangsommen verbeurd heeft en derhalve na die datum betaalde dwangsommen onverschuldigd betaald zijn en terugbetaald moeten worden.

VI dat [eiser3] uit hoofde van het tussen partijen gewezen kortgeding vonnis d.d. 23 april 2010 (productie 8) geen dwangsommen heeft verbeurd, althans eventueel verbeurde dwangsommen verjaard zijn.

VII dat [eiser3] uit hoofde van het tussen partijen gewezen kortgeding vonnis d.d. 27 juli 2010 geen dwangsommen heeft verbeurd, althans eventueel verbeurde dwangsommen verjaard zijn.

alsmede gedaagde sub 1 en 2, hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen om te voldoen aan:

VIII eiseressen het bedrag van EUR 64.000,00 ter zake ten onrechte door BV [eiser1] aan gedaagden voldane dwangsommen, te vermeerderen met de wettelijke rente over EUR 64.000,00 vanaf 7 juni 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

Alsmede gedaagde sub 2, [gedaagde2], te veroordelen om te voldoen aan:

IX BV [eiser1] het bedrag van EUR 18.950,62 ten aanzien van de doorlopende kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 januari 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

X BV [eiser1] het bedrag van EUR 75.690,00 ten aanzien van het teveel betaalde bedrag aan koopsom in verband met de ten onrechte niet verwerkte voorziening, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 december 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

XI BV [eiser1] het bedrag van EUR 3.154,08 ten aanzien van het teveel betaalde bedrag aan rente in verband met de aanpassing van de verschuldigde koopsom, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

XII BV [eiser1] het bedrag van EUR 139.564,91 - EUR 11.939,99 = EUR 127.624,92 ten aanzien van de gecedeerde vorderingen van de afwikkeling van de rekening courantverhoudingen tussen partijen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 september 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

XIII [eiser3] het bedrag van EUR 15.767,00 ten aanzien van de kosten van haar raadsman, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

XIV [eiser3] het bedrag van EUR 7.721,61 ten aanzien van de kosten van [betrokkene2], te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

XV BV [eiser1] het bedrag van EUR 6.265,35 ten aanzien van de kosten van de heer [betrokkene3], te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding, vermeerderd met de wettelijke rente over de volledige proceskosten, indien niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis aan de veroordeling is voldaan.'

3.2.

[gedaagde2] c.s. voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser1] c.s. in de kosten van de procedure.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde2] c.s. vorderen, na wijziging van eis, [eiser1] c.s.:

'bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan [[gedaagde2] c.s.] te betalen een bedrag ad € 1.794.999.22 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 13 februari 2013 tot de dag der algehele voldoening, en [[eiser1] c.s.] te veroordelen tot betaling van de kosten vanaf 14 februari 2014 als bedoeld in artikel 12.1 van de Koopovereenkomst d.d. 28 november 2008 en de pandakte (Allianz) artikel 11.1en 11.2, nader op te maken bij staat', en [[eiser1] c.s.] 'te verwijzen in de kosten van de procedure'.

3.5.

[eiser1] c.s. voeren verweer en concluderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde2] c.s. hun vorderingen zal ontzeggen, met veroordeling van [gedaagde2] c.s. in de kosten van de procedure in reconventie, deze proceskostenveroordeling te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis aan [eiser1] c.s. is voldaan.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Gelet op het grote aantal vorderingen zal de rechtbank ter bevordering van de leesbaarheid van dit vonnis de te behandelen vorderingen voorafgaande aan de beoordeling van de betreffende vordering nogmaals weergeven.

Ad I. de gevorderde verklaring voor recht dat in de pandovereenkomst die op 11 december 2008 is gesloten tussen [eiser1] en [gedaagde2] het pandrecht op de portefeuille is verleend ter meerdere zekerheid van de terugbetaling van een specifiek genoemd bedrag en dat met de voldoening van dat bedrag (en de rente) het pandrecht op de portefeuille is komen te vervallen en daarmee ook de verplichting voor [eiser3] om verdere pandlijsten te verstrekken

4.2.

[eiser1] c.s. leggen aan deze vordering het volgende ten grondslag. In de akte van verpanding is vermeld dat [gedaagde2] uit hoofde van de op 28 november 2008 ondertekende koopovereenkomst een vordering op [eiser1] heeft ter grootte van per saldo € 3.423.288,-- exclusief rente. [eiser1] heeft dat bedrag voldaan door het overmaken van een slotbetaling op 7 april 2012 van € 1.123.722,--, althans in ieder geval per 15 mei 2012 door het doen van de slotbetaling van een (vergeten) rentetermijn van € 9.143,89. Door deze betalingen is de vordering waarop het pandrecht betrekking had komen te vervallen, waarmee het pandrecht is vervallen.

4.3.

[gedaagde2] c.s. voeren het volgende aan. De pandovereenkomst is niet gesloten tot meerdere zekerheid voor een specifiek bedrag, maar voor de vordering wegens het onbetaald gebleven gedeelte van de koopsom. De omvang van die vordering diende ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst en de akte van verpanding nog nader te worden vastgesteld. Die vordering is door [eiser1] c.s. niet volledig voldaan zodat het pandrecht niet is komen te vervallen. Bij conclusie van dupliek (onder 15 en 16) hebben [gedaagde2] c.s. nader aangevoerd dat de verpanding strekt tot zekerheid van nakoming van alle verplichtingen uit hoofde of in verband met de koopovereenkomst. Daaronder vallen in de visie van [gedaagde2] c.s. de door [eiser3] na te betalen bedragen uit hoofde van de nadere vaststelling van de teveel verrekende voorlopig verrekende betaalstromen, het door [eiser3] nog na te betalen bedrag inzake het teveel verrekende negatief eigen vermogen per 31-12-2007, de kosten van de gerechtelijke procedures, de kosten van juridische bijstand voor [gedaagde2], de verbeurde dwangsommen, de kosten van BDO, een en ander zoals door [gedaagde2] in haar reconventionele vordering is aangegeven.

4.4.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Nu partijen het niet eens zijn over hetgeen zij ter zake van de verpanding zijn overeengekomen, dienen de bewoordingen van de akte van verpanding en van de koopovereenkomst ten aanzien van dit geschilpunt te worden uitgelegd. Bij die uitleg komt het - kort weergegeven - aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de gebruikte bewoordingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de Haviltex-maatstaf).

4.5.

De koopovereenkomst en de akte van verpanding zijn niet door een van partijen opgesteld, maar door een jurist die in gezamenlijke opdracht van partijen heeft getracht de door hen gemaakte afspraken op schrift te stellen, waarbij partijen zich daarover steeds hebben mogen uitlaten. Dat partijen over de in dit kader relevante bewoordingen hebben onderhandeld, is gesteld noch gebleken.

4.6.

Partijen zijn bij het aangaan van de koopovereenkomst overeengekomen dat er een tweede pandrecht zou worden verleend ter verzekering van de (terug)betaling van het resterende bedrag van de overeengekomen koopsom dat was omgezet in een lening. Dit is tot uitdrukking gebracht in artikel 4.6 van de koopovereenkomst. Dat partijen vervolgens hebben beoogd om door middel van de inhoud van de akte van verpanding alsnog iets anders overeen te komen dan uit artikel 4.6 van de koopovereenkomst voortvloeit, is gesteld noch gebleken.

4.7.

Waar de akte van verpanding ter inleiding op de overeengekomen verpanding vermeldt:

'in aanmerking nemende:

de pandhouder heeft uit hoofde van een op 28 november 2008 ondertekende koopovereenkomst een vordering op [eiser1] ter grootte van per saldo € 3.423.288,-- exclusief rente.

Tot zekerheid van de betaling daarvan is overeengekomen, dat pandgever de in eigendom aan haar toebehorende verzekeringsportefeuille in de breedste zin van het woord zal verpanden aan pandhouder.'

is dat naar het oordeel van de rechtbank slechts bedoeld ter individualisering van de vordering. De preciezere omschrijving van die vordering is echter kenbaar uit de inhoud van de meer complexe tekst van de koopovereenkomst. In dit verband is van belang dat beide partijen gelet op de wijze van totstandkoming van de tekst van de koopovereenkomst daarmee goed bekend waren.

4.8.

De rechtbank acht derhalve onjuist zowel de visie van [eiser1] c.s. dat de verpanding een vordering van exact € 3.423.288,-- exclusief rente betreft, als de visie van [gedaagde2] c.s. dat de verpanding - kort weergegeven - alle hiervoor onder 4.3 genoemde denkbare vorderingen op enigerlei wijze samenhangende met de koopovereenkomst zou betreffen. Beide visies zijn gebaseerd op louter een (eenzijdige) uitleg van de tekst van de akte van verpanding met bijlage, waarbij wordt miskend dat voor de uitleg uiteindelijk doorslaggevend is welke betekenis partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de gebruikte bewoordingen mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De te verstrekken zekerheid had ingevolge de gezamenlijke bedoeling van partijen betrekking op de (terug)betaling van het resterende bedrag van de overeengekomen koopsom dat was omgezet in een lening, derhalve niet op een reeds vastgesteld gefixeerd bedrag (visie [eiser1] c.s.) en evenmin op al hetgeen [gedaagde2] ter zake van de koopovereenkomst te vorderen zou kunnen hebben, dat wil zeggen ook anders dan hetgeen zij te vorderen zou hebben ter zake van het in een lening omgezette gedeelte van de koopsom (visie [gedaagde2] c.s.).

4.9.

Nu [eiser1] c.s. en [gedaagde2] c.s. geen feiten of omstandigheden hebben gesteld die zouden kunnen rechtvaardigen dat zij van een andere uitleg van de bewoordingen van de koopovereenkomst en de akte van verpanding mochten uitgaan dan de uitleg die de rechtbank hiervoor als de juiste uitleg heeft aangemerkt, ziet de rechtbank geen aanleiding om hierover bewijsvoering toe te staan. Het oordeel van de rechtbank over de uitleg betreft immers niet een voorshands oordeel op basis van louter de tekst van de bepalingen, maar een definitief oordeel waarbij de stellingen van partijen daarover en de in dat verband overgelegde producties volledig zijn meegewogen.

4.10.

De onder I gevorderde verklaring voor recht is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet toewijsbaar.

Ad II de gevorderde verklaring voor recht dat de vaststelling van BDO als genoemd in artikel 9.5 van de koopovereenkomst niet kan leiden tot een nadere betalingsverplichting van [eiser3] in verband met het niet tijdig, namelijk niet voor 31 december 2009, gereedkomen van die vaststelling

4.11.

[eiser1] c.s. leggen aan deze vordering het volgende ten grondslag. Artikel 9.5 van de koopovereenkomst vermeldt dat de daarin weergegeven bedragen met betrekking tot het negatief eigen vermogen van de vennootschap per 31 december 2007 en van de verrekenposten als omschreven in bijlage 2, evenals de bedragen weergegeven in de bijlagen bij de koopovereenkomst, voorlopig zijn, in afwachting van de definitieve vaststelling daarvan door 'BDO'. De tekst van artikel 9.5 van de koopovereenkomst vervolgt dan met:

'Eventuele daaruit voortvloeiende correcties zullen worden nabetaald respectievelijk verrekend gelijk met de aflossing die per 31 december 2009 door Koopster moet worden verricht. Tegelijk zullen daarbij worden verrekend bedragen die ten behoeve van Verkoopster zijn betaald of ontvangen na 31 oktober 2008.

Een door BDO op te stellen rapportage en de eventueel daaruit voortvloeiende aanpassing van de koopsom had derhalve moeten plaatsvinden vóór 31 december 2009. Nu dat niet is geschied omdat 'het rapport' van BDO van 24 december 2010 dateert, kan er niet meer verrekend worden en kan er geen verplichting tot nabetaling voor [eiser3] meer bestaan, aldus [eiser1] c.s.

4.12.

[gedaagde2] c.s. voeren daartegen het volgende aan. Er is geen fatale termijn afgesproken. Vertraging is ontstaan doordat [eiser3] de facturen van BDO niet betaalde en [gedaagde1] een ernstig auto-ongeval overkwam.

4.13.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. [eiser1] c.s. hebben geen feiten of omstandigheden gesteld die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat partijen zijn overeengekomen dat bij gebreke van het tot stand komen van de BDO-rapportage vóór 31 december 2009 het in artikel 9.5 van de koopovereenkomst bepaalde niet meer zou kunnen worden geëffectueerd. Wat er ook zij van de stelling van [eiser1] c.s. dat het zeer gebruikelijk is om in overnamecontracten een vervaltermijn voor verrekeningen en claims op te nemen, met betrekking tot het BDO-rapport en de eventueel daaruit voortvloeiende correcties zijn partijen geen vervaltermijn overeengekomen. In ieder geval vloeit een dergelijke vervaltermijn niet voort uit de tekst van artikel 9.5 van de koopovereenkomst waarop [eiser1] c.s. zich beroepen.

4.14.

De onder II gevorderde verklaring voor recht is derhalve niet toewijsbaar.

Ad III de verklaring voor recht dat aan het rapport van BDO d.d. 24 december 2010 geen waarde kan worden gehecht nu in dit rapport ten onrechte is uitgegaan van het moeten beoordelen van posten in plaats van bedragen

4.15.

[eiser1] c.s. leggen aan deze vordering het volgende ten grondslag. BDO heeft zich ten onrechte niet aan de tekst van artikel 9.5 van de koopovereenkomst gehouden. De posten waren tussen partijen reeds uitonderhandeld. BDO diende nog slechts te bepalen welke bedragen verrekend dienden te worden. BDO had moeten nagaan of de in bijlage 2 opgenomen voorlopige bedragen juist waren en had moeten beoordelen welke bedragen na 31 oktober 2008 door [eiser3] ten behoeve van [gedaagde2] zijn betaald.

4.16.

[gedaagde2] c.s. voeren het volgende aan. Er is geen arbitrage of bindend advies over de inhoud van de diverse verrekenposten/geldstromen overeengekomen. De tekst van artikel 9.5 van de koopovereenkomst bepaalt uitdrukkelijk en helder dat de verrekenposten evenals de bedragen voorlopig zijn, in afwachting van de definitieve vaststelling daarvan door BDO. Van BDO kan niet verlangd worden dat zij een oordeel geeft over verrekenposten, waarover partijen nog inhoudelijk van mening zouden kunnen verschillen.

4.17.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. In artikel 9.5 van de koopovereenkomst hebben partijen gezamenlijk het volgende doen vastleggen:

'De in deze overeenkomst weergegeven bedragen met betrekking tot het negatief eigen vermogen van de Vennootschap per 31 december 2007 en van de verrekenposten als omschreven in bijlage 2, evenals de bedragen weergegeven in de bijlagen bij deze overeenkomst zijn voorlopig, in afwachting van de definitieve vaststelling daarvan door BDO.'

Anders dan [gedaagde2] c.s. aanvoeren, kan uit die tekst niet worden afgeleid dat niet alleen de bedragen, maar ook de verrekenposten voorlopig waren. Volgens de tekst van de overeenkomst, die door een onafhankelijk jurist is opgesteld en waarmee beide partijen hebben ingestemd, zijn partijen slechts overeengekomen dat de weergegeven bedragen, onder andere ter zake van de genoemde verrekenposten, voorlopig waren.

4.18.

Voor zover [gedaagde2] c.s. hebben willen aanvoeren dat partijen hebben beoogd iets anders overeen te komen dan uit de tekst van de overeenkomst met bijlagen kan worden opgemaakt, is die stelling onvoldoende onderbouwd. Ter comparitie heeft de rechtbank aan [gedaagde1] de vraag voorgelegd waarom hij de overeenkomst heeft ondertekend en de bijlagen heeft geparafeerd als hij het destijds niet eens was met de tekst. Daarop heeft [gedaagde1] geantwoord dat er drie redenen waren waarom er druk op de verkoop stond. De eerste was dat er persoonlijke redenen waren waarom hij wilde verkopen. De tweede was dat P. [eiser1] had aangegeven dat hij zich niet meer gemotiveerd in zou zetten voor de onderneming als de transactie geen doorgang zou vinden. De derde was dat de financierbaarheid van de verkoop van het bedrijf later lastiger zou worden.

4.19.

Dat [gedaagde2] c.s. van oordeel zijn dat zij onder druk, en slechts vanwege die druk, akkoord zijn gegaan met de inhoud van de overeenkomst met bijlagen, brengt niet mee dat thans een uitleg in strijd met de tekst van die overeenkomst geoorloofd is. [gedaagde1] heeft de overeenkomst en de bijlagen daarbij - inclusief de daarop vermelde verrekenposten - en de afspraak dat de bedragen nog definitief dienden te worden vastgesteld door BDO destijds bewust geparafeerd en ondertekend. Kennelijk meenden [gedaagde2] c.s. op dat moment dat dit in haar belang was omdat het alternatief - het mogelijk niet meer kunnen sluiten/financieren van de overeenkomst - (nog) minder aantrekkelijk was. [gedaagde2] c.s. zijn thans gebonden aan de juridische consequenties van de destijds door haar gemaakte commerciële afweging.

4.20.

De onaannemelijkheid van de door [gedaagde2] c.s. bij conclusie van dupliek/repliek verdedigde andersluidende uitleg blijkt uit de volgende geparafraseerde stellingen van [gedaagde2] c.s.:

Op de dag van de ondertekening van de koopovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat BDO de posten en de bedragen definitief voor wat betreft de verrekening, bindend zou vaststellen (conclusie van dupliek/repliek onder 48). Alleen bij overeenstemming of indien deze gebaseerd was op een overeenkomst of een afspraak, kon BDO een post bindend vaststellen. Zo bleven alle mogelijk bronnen van conflict/ontstekings-haarden (wel of geen aanspraak op onkostenvergoeding, salaris, et cetera) buiten de koopovereenkomst, en bleef die "schoon" (conclusie van dupliek/repliek onder 50). Van BDO kon onmogelijk verwacht worden de verschuldigdheid van individuele posten te bepalen, kortom een rechtspositie te bepalen, maar wel of een post als dan niet voor verrekening met de koopsom in aanmerking komt. A. Is er een overeenkomst? Zo ja (bijvoorbeeld de arbeidsovereenkomst die in het geval van [gedaagde1] werd beëindigd op 11 december 2008, (aandeelhoudersvergadering), dan kan er niet verrekend worden. B. Is er overeenstemming? Zo ja, dan kan er wel verrekend worden. C. Bestaat er geen overeenstemming, dan kan de post niet verrekend worden met de koopsom (conclusie van dupliek/repliek onder 57).

In de betekenis die [gedaagde2] c.s. achteraf aan artikel 9.5 van de koopovereenkomst wensen toe te kennen, kon de uitslag van het rapporteren door BDO in praktische zin slechts zijn dat geen enkele post waarvan [gedaagde2] c.s. niet wensten dat die verrekend zou worden, definitief verrekend zou worden. Als [gedaagde2] c.s. niet instemden met verrekening, mocht BDO in de visie van [gedaagde2] c.s. immers slechts constateren dat er geen overeenstemming was. Vervolgens mocht betreffende post definitief niet worden verrekend, werd de koopprijs alsnog dienovereenkomstig verhoogd en diende [eiser3] bij te betalen. Dat [eiser1] c.s. ten tijde van de sluiten van de koopovereenkomst nimmer met opname van een op die wijze uit te leggen bepaling zouden hebben ingestemd, moet [gedaagde2] c.s. steeds duidelijk zijn geweest. [eiser1] c.s. hadden zich immers steeds op het standpunt gesteld dat verrekening van betreffende posten diende plaats te vinden. Het was dan ook evident dat [eiser1] c.s. niet zouden instemmen met een bepaling die tot voorzienbaar effect zou hebben dat de overeengekomen voorlopige verrekening van de door [gedaagde1] geparafeerde verrekenposten nadien in belangrijke mate weer ongedaan zou worden gemaakt.

4.21.

Uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst dient conform de eerdergenoemde Haviltex-maatstaf plaats te vinden. Uit de stellingen van [gedaagde2] c.s. is niet af te leiden dat zij in de gegeven omstandigheden aan de gebruikte bewoordingen redelijkerwijs een andere betekenis mochten toekennen, of dat zij redelijkerwijs iets anders van [eiser1] c.s. mochten verwachten, dan uit de op dit punt duidelijke tekst van de overeenkomst voortvloeit. Dat [gedaagde2] c.s. zich tot het uiteindelijke sluiten van de koopovereenkomst op het standpunt had gesteld dat zij niet akkoord was met verrekening van het salaris [gedaagde1] en andere posten, doet daar niet aan af. Uiteindelijk hebben zij door - zij het mogelijk met tegenzin - de koopovereenkomst te ondertekenen en de bijlagen te paraferen ingestemd met de verrekening van de in de bijlage bij de overeenkomt genoemde verrekenposten en met de bepaling dat de definitief te verrekenen bedragen dienden te worden vastgesteld door BDO. De rechtbank ziet in hetgeen partijen hierover over en weer hebben gesteld geen aanleiding om op dit punt nog bewijsvoering toe te staan.

4.22.

BDO heeft uiteindelijk werkzaamheden in het kader van artikel 9.5 van de koopovereenkomst verricht. BDO, in de persoon van de heer [betrokkene1], heeft op 24 december 2010 een 'Rapportage van bevindingen' uitgebracht. In de begeleidende e-mail van die datum aan de heer P. [eiser1] van [eiser1] c.s. heeft [betrokkene1] echter de volgende kanttekeningen bij de uitgebrachte rapportage gemaakt:

'Hierbij doe ik u onze rapportage van bevindingen toekomen op basis van de aan ons verstrekte opdracht. Vooruitlopend op deze rapportage, schets ik vooraf nog even het kader waarbinnen wij onze rapportage hebben kunnen opstellen.

Onze opdracht hield niet in dat wij accountantscontrole zouden instellen naar de in de Koopovereenkomst en bijlagen opgenomen bedragen. Dit betekent dat wij omtrent de juistheid en volledigheid van de vast te stellen bedragen ons geen oordeel hebben kunnen vormen. Ook hebben wij ons geen oordeel kunnen vormen over de wijze van verrekening van de bedragen; immers in de Koopovereenkomst is niet bepaald welke posten tot verrekening zouden leiden. De koop en verkoop wordt geacht te zijn geëffectueerd per 1 januari 2008. Posten per 31 december 2007 respectievelijk 1 januari 2008, welke voor verrekening tussen partijen in aanmerking kwamen, hebben wij vastgesteld op basis van de definitieve jaarrekening 2007 van B.V. [eiser2] Houdstermaatschappij PCPC-[gedaagde2] te Rotterdam. Verrekende posten, ontstaan in 2008, hebben wij alleen kunnen vaststellen, als omtrent deze posten en de wijze van verrekenen tussen partijen overeenstemming bestond. Bleek dit niet het geval, dan hebben wij deze posten niet kunnen vaststellen als correcte posten en tevens correcte wijze van verrekenen.'

4.23.

Uit de hiervoor geciteerde e-mail blijkt dat in de op 24 december 2010 door BDO uitgebrachte rapportage niet alle in artikel 9.5 van de koopovereenkomst genoemde voorlopige bedragen definitief zijn vastgesteld. BDO heeft geconstateerd dat tussen partijen geen volledige overeenstemming bestond over te verrekenen posten en de wijze van verrekening. Voor zover BDO niet bleek van bestaande overeenstemming, heeft zij betreffende posten niet vastgesteld.

4.24.

Het BDO-rapport van 24 december 2010 heeft op grond van het vorenstaande slechts een beperkte waarde. Hoewel ingevolge artikel 9.5 van de koopovereenkomst de daarin opgenomen voorlopige bedragen definitief zouden worden vastgesteld door BDO bleek dat in praktische zin (vooralsnog) niet mogelijk omdat BDO zich daartoe niet in staat achtte en/of daartoe niet bereid was. De rechtbank is echter van oordeel dat dit praktische probleem rechtstreeks voortvloeide uit de opstelling van [gedaagde2] c.s. jegens BDO, welke opstelling in strijd was met de in het kader van de totstandkoming van de koopovereenkomst gemaakte afspraken.

4.25.

[gedaagde1] heeft zich ook ter comparitie op het standpunt gesteld dat de te verrekenen bedragen altijd een discussiepunt zijn geweest en nog steeds zijn. In de visie van [gedaagde2] c.s., welke visie kennelijk ook aan BDO kenbaar is gemaakt, stond het BDO niet vrij om zich daarover uit te laten. In de visie van [gedaagde2] c.s., zoals ook bij conclusie van dupliek uiteengezet, was de - voor haar zeer gunstige - consequentie van het zich op die punten niet (kunnen/willen) uitlaten van BDO dat eerder voorlopig verrekende bedragen alsnog niet verrekend mochten worden. Immers indien de bedragen niet definitief werden vastgesteld door BDO zou de definitieve koopprijs alsnog aanzienlijk hoger moeten worden vastgesteld. Zoals hiervoor toegelicht, is de rechtbank echter van oordeel dat dit niet was wat partijen over en weer van elkaar mochten verwachten, noch hoe zij de bewoordingen van de koopovereenkomst in redelijkheid mochten begrijpen ten tijde van de ondertekening. Het stond [gedaagde2] c.s. dan ook niet vrij het daarheen te leiden dat BDO zich niet vrij zou voelen de ter afwikkeling van de koopovereenkomst noodzakelijke werkzaamheden te verrichten.

4.26.

Niettegenstaande hetgeen hiervoor is overwogen, is de onder III gevorderde verklaring voor recht niet toewijsbaar. Anders dan de verklaring voor recht inhoudt, is BDO er niet van uitgegaan dat zij posten moest beoordelen in plaats van bedragen. BDO heeft in haar rapportage van 24 december 2010 over de punten waarvan zij op basis van de door [gedaagde2] c.s. geleverde informatie meende dat geen overeenstemming tussen partijen bestond, dat wil zeggen: alle posten waarvan [gedaagde1] zich op het standpunt heeft gesteld dat die niet dienden te worden verrekend, eenvoudigweg geen oordeel willen geven.

Ad IV de verklaring voor recht dat het rapport van BDO zodanig tekort schiet, zowel qua inhoud als qua totstandkoming dat er in het geheel geen waarde aan mag worden gehecht

4.27.

[eiser1] c.s. leggen aan deze vordering het volgende ten grondslag. BDO heeft bij het opstellen van de rapportage de beginselen van hoor en wederhoor niet in acht genomen. De door BDO vervaardigde opstelling was niet deugdelijk, laat staan een registeraccountant waardig. BDO is uitgegaan van achterhaalde gegevens, onjuiste gegevens en onjuiste veronderstellingen. Uiteindelijk heeft BDO ook zelf ingezien dat zij de van haar verlangde werkzaamheden op onjuiste wijze heeft verricht. BDO heeft vervolgens op 5 september 2012 een aanvullende rapportage uitgebracht waaruit blijkt dat [gedaagde2] nog een bedrag aan [eiser3] dient te betalen en niet andersom.

4.28.

[gedaagde2] c.s. voeren het volgende aan. BDO moest de posten niet qua verschuldigdheid beoordelen, maar slechts of deze verrekend mochten worden met de koopsom, en zo ja, tot welk bedrag. Van BDO mocht niet verlangd worden dat zij inhoudelijk een oordeel zou geven over verrekenposten waarover partijen inhoudelijk van mening zouden kunnen verschillen. Voor BDO bestonden geen goede redenen om de eerste door haar uitgebrachte rapportage te herzien. BDO heeft slechts een aanvullende rapport uitgebracht omdat [eiser3] druk op BDO had uitgeoefend door andere registeraccountants in te schakelen, door een klachtprocedure tegen BDO te beginnen en door BDO aansprakelijk te stellen. Ook nadat het aanvullende rapport van 5 september 2012 is uitgebracht, blijft het definitieve rapport van 24 december 2010 van kracht.

4.29.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen, werd met artikel 9.5 van de koopovereenkomst beoogd de in de koopovereenkomst en in de bijlagen daarbij genoemde voorlopige bedragen definitief te doen vaststellen door BDO. In de bewoordingen van [gedaagde2] c.s. zelf (conclusie van antwoord/eis onder 28): 'dat artikel voorzag er in dat er duidelijkheid kwam/zou komen over de exacte koopsom, c.q. het bedrag dat er betaald moest worden'. Nu de rapportage van 24 december 2010 van BDO de gewenste duidelijkheid nog niet verschafte, stond het [eiser1] c.s. vrij om, uiteraard binnen de grenzen van het recht, druk op BDO uit te oefenen opdat BDO - zo mogelijk - alsnog een op artikel 9.5 van de koopovereenkomst gebaseerd bruikbaar rapport zou uitbrengen. Op die basis zou er dan alsnog - in overeenstemming met de tussen partijen gemaakte afspraken - de exacte koopsom kunnen worden vastgesteld.

4.30.

Niettegenstaande hetgeen hiervoor is overwogen, is ook de onder IV gevorderde verklaring voor recht niet toewijsbaar. De rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat het BDO-rapport van 24 december 2010 slechts een beperkte waarde heeft. Op basis van die rapportage konden de in de koopovereenkomst met bijlagen genoemde voorlopige cijfers immers nog niet definitief worden vastgesteld. Dat brengt echter niet mee dat het gerechtvaardigd is voor recht te verklaren dat het rapport van BDO van 24 december 2010 zodanig tekort schiet, zowel qua inhoud als qua totstandkoming dat er in het geheel geen waarde aan mag worden gehecht. Gelet op hetgeen verder in dit vonnis wordt overwogen en beslist, hebben [eiser1] c.s. ook niet voldoende belang bij een dergelijke in de verhouding tussen hen en [gedaagde2] c.s. uit te spreken verklaring voor recht.

Ad V de verklaring voor recht dat [eiser3] na de betaling op 7 april 2012 geen dwangsommen verbeurd heeft en derhalve na die datum betaalde dwangsommen onverschuldigd betaald zijn en terugbetaald moeten worden

4.31.

[eiser1] c.s. leggen aan deze vordering het volgende ten grondslag. [eiser3] heeft op 7 april 2012 een bedrag van ruim 1,1 miljoen euro aan [gedaagde2] betaald. Dat bedrag bestond uit de laatste 2 termijnen en verschenen rente. [gedaagde2] heeft gesteld dat die betaling haar op 10 april 2012 heeft bereikt. Nadien was er geen betalingsverplichting meer aan de zijde van [eiser1] c.s. en is het pandrecht, een accessoir recht, komen te vervallen. Daarmee is dan ook de verplichting tot het verstrekken van gegevens op straffe van een dwangsom als opgenomen in het arrest van 6 maart 2012 van het Gerechtshof 's-Gravenhage komen te vervallen. Voor het geval [eiser1] c.s. niet volledig aan de verplichtingen zouden hebben voldaan omdat er nog een rentebedrag betaald diende te worden dat [eiser3] eerder was vergeten, kan dat bedrag worden beschouwd als te zijn verrekend met de op dat moment reeds bestaande vordering van [eiser3] op [gedaagde2]. [eiser3] heeft destijds een beroep op verrekening gedaan. Zo er nog een vordering van [gedaagde2] op [eiser3] resteerde ter zake van het vergeten rentebedrag rechtvaardigt dat niet het door [eiser1] c.s. verbeuren van dwangsommen. [eiser3] is eerst op 14 mei 2012 op de hoogte gesteld van het vermeend niet nakomen van de volledige betalingsverplichting en heeft het rentebedrag met wettelijke rente (een totaalbedrag van € 10.421,07) op 15 mei 2012 alsnog voldaan. Voor zover tussen 10 april 2012 en 15 mei 2012 dwangsommen zouden zijn verbeurd, dienen die gelet op deze omstandigheden te worden gematigd tot nihil, althans kan [gedaagde2] ter zake daarvan geen betaling vorderen nu dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

4.32.

[gedaagde2] c.s. voeren het volgende aan. De pandovereenkomst is niet gesloten tot meerdere zekerheid voor een specifiek bedrag. Het pandrecht werd gegeven voor het schuldig gebleven gedeelte van de koopsom. Na ontvangst op 10 april 2012 van de betaling door [eiser3] en ook na 15 mei 2012 bestond er nog steeds een aanzienlijke vordering wegens onbetaald gebleven koopsom op [eiser3]. Daarom zijn er ook na die data nog steeds dwangsommen verbeurd. Bij conclusie van dupliek/repliek (onder 79) voeren [gedaagde2] c.s. voorts aan dat het pandrecht ook is gevestigd ter zake van alle kosten die [gedaagde2] heeft moeten maken om [eiser3] door middel van rechtsmaatregelen te dwingen om haar verplichtingen, zoals het afsluiten van een adequate bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering, het verstrekken van een polis en het verstrekken van zodanige pandlijsten dat [gedaagde2] daarmee op een normale manier haar pandrechten had kunnen uitoefenen.

4.33.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. [gedaagde2] c.s. wijzen er terecht op dat uit artikel 4.6 van de koopovereenkomst volgt dat het de bedoeling van partijen was dat er een pandrecht werd verleend ter zake van de (terug)betaling van het door [eiser1] c.s. aan [gedaagde2] schuldig gebleven gedeelte van de koopsom. Met de betaling op 10 april 2012 meenden [eiser1] c.s. het in de considerans van de akte van verpanding nominaal genoemde bedrag met rente te hebben voldaan. Een in de visie van de rechtbank relatief onbelangrijke complicatie is dat dit nadien niet helemaal correct bleek te zijn omdat [eiser3] kennelijk bij aanvang had verzuimd een rentetermijn te voldoen. Nadat dit door [gedaagde2] c.s. ter kennis van [eiser1] c.s. was gebracht, heeft [eiser3] alsnog direct - op 15 mei 2012 - ook die rentetermijn vermeerderd met wettelijke rente voldaan. Dat door het enkele formeel niet tijdig voldaan zijn van die rentetermijn nog dwangsommen verbeurd zouden zijn, zou in de gegeven omstandigheden, een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbare consequentie zijn. Daarom acht de rechtbank die complicatie relatief onbelangrijk en zal de rechtbank daar niet verder op ingaan.

4.34.

[eiser1] c.s. beoogden met de op 10 april 2012 gedane betaling (en de op 15 mei 2012 gedane aanvullende betaling) de schuld volledig af te lossen opdat het pandrecht zou vervallen. Daarmee zou immer een einde komen aan de verplichting van [eiser3] om - ingevolge het arrest van het gerechtshof 's-Gravenhage van 6 maart 2012 (zie hiervoor onder 2.8) op straffe van verbeurte van een substantiële dwangsom - ter zake van dat pandrecht een veelheid aan informatie aan [gedaagde2] te verschaffen, welke informatie in de visie van [eiser1] c.s. van zeer concurrentiegevoelige aard was en waarvan zij niet wensten dat die in het bezit van [gedaagde2] c.s. zou komen.

4.35.

Of het beoogde doel van [eiser1] c.s. om de resterende schuld volledig af te lossen - met direct verval van het pandrecht tot gevolg - werd bereikt, is afhankelijk van het antwoord op de vraag welk bedrag [eiser3] ter zake van het schuldig gebleven gedeelte van de koopsom nog verschuldigd was.

4.36.

In de visie van [gedaagde2] c.s. vloeide uit het BDO-rapport van 24 december 2010 voort dat [eiser1] c.s. nog een substantieel bedrag verschuldigd waren. BDO heeft die rapportage echter uiteindelijk aangevuld met de aanvullende rapportage van 5 september 2012. Beide rapportages dienen, zo blijkt uit de toelichting van BDO, als een geheel te worden aangemerkt, in die zin dat de bevindingen, gerapporteerd onder A. in de aanvullende rapportage in de plaats zijn gekomen voor de bevindingen, vermeld onder A. en C. in de rapportage van 24 december 2010. [eiser1] c.s. hebben uit de aanvullende rapportage geconcludeerd dat deze leidt tot een saldo ten gunste van [eiser1] van € 128.617,45. BDO heeft desgevraagd bevestigd geen rekenkundige onjuistheden te hebben geconstateerd in de naar aanleiding van de BDO-rapportage vervaardigde opstelling van [eiser1] c.s. (productie 63 [eiser1] c.s.).

4.37.

Weliswaar hebben [gedaagde2] c.s. bij conclusie van dupliek weersproken dat [eiser3] de door het pandrecht gedekte vordering volledig had betaald, maar dat verweer mist een deugdelijke onderbouwing. De visie van [gedaagde2] c.s. dat het pandrecht werd 'gevestigd voor alle betalingsverplichtingen die [eiser3] heeft of zal hebben uit hoofde van of in verband met de koopovereenkomst' (conclusie van dupliek/repliek onder 78) acht de rechtbank, zoals hiervoor reeds is uiteengezet, onjuist. Het pandrecht is gevestigd ter zake van de verplichtingen van [eiser3] ter zake van het in een geldlening omgezette onbetaald gebleven gedeelte van de koopsom, niet van alle eventuele verplichtingen uit de koopovereenkomst. De berekening van [gedaagde2] c.s. ten aanzien van hetgeen [eiser3] nog verschuldigd zou zijn ter zake van de geldlening is onjuist nu [gedaagde2] c.s. daarbij uitgaan van louter het rapport van 24 december 2010 van BDO, terwijl BDO dat rapport heeft aangevuld met de aanvullende rapportage van 5 september 2012.

4.38.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat [gedaagde2] c.s. onvoldoende hebben weersproken dat [eiser3] met de op 10 april 2012 gedane betaling het ter zake van de geldlening per saldo nog verschuldigde heeft betaald. Dat betekent dat vanaf dat moment het pandrecht kwam te vervallen en daarmee de verplichting van [eiser3] om daarop betrekking hebbende informatie aan [gedaagde2] te verstrekken. Daarom zijn er vanaf die datum ook geen dwangsommen meer verbeurd ter zake van de veroordeling die is uitgesproken bij het arrest van 6 maart 2012 van het Gerechtshof 's-Gravenhage.

4.39.

Nu [eiser1] c.s. daar voldoende belang bij heeft, zal de onder V gevorderde verklaring voor recht met een enigszins aangepaste inhoud bij eindvonnis worden uitgesproken.

Ad VI de verklaring voor recht dat [eiser3] uit hoofde van het tussen partijen gewezen kortgeding vonnis d.d. 23 april 2010 (productie 8) geen dwangsommen heeft verbeurd, althans eventueel verbeurde dwangsommen verjaard zijn

4.40.

[eiser1] c.s. leggen aan deze vordering onder meer ten grondslag dat tijdig 'een kopie van de polis van de beweerdelijk ten behoeve van eisers afgesloten bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering' is afgegeven.

4.41.

[gedaagde2] c.s. voeren aan dat [eiser1] c.s. weliswaar binnen de in het vonnis gestelde termijn een bestuurdersaansprakelijkheidspolis aan [gedaagde2] c.s. ter hand hebben gesteld, maar dat uit die polis bleek dat het bestuurderschap bij [eiser2] niet verzekerd was. Derhalve was niet voldaan aan het vonnis en zijn dwangsommen verbeurd tot het in het vonnis gestelde maximum van € 15.000,00, aldus [gedaagde2] c.s.

4.42.

De rechtbank zal het primaire gedeelte van de verklaring voor recht op grond van de volgende overwegingen toewijzen.

4.43.

De veroordeling in kort geding hield in (zie hiervoor onder 2.8): 'veroordeelt gedaagde sub 1 tot afgifte van een kopie van de polis van de beweerdelijk ten behoeve van eisers afgesloten bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering, binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;'.

4.44.

Deze veroordeling op straffe van een dwangsom mag niet zo ruim worden uitgelegd dat ook dwangsommen zouden worden verbeurd indien de af te geven polis niet zou voldoen aan de daaraan ingevolge de onderliggende contractuele verhouding te stellen eisen. Indien beoogd was [eiser1] in kort geding te doen veroordelen tot het binnen een bepaalde termijn sluiten van een verzekeringsovereenkomst met een bepaalde inhoud en het overleggen van bewijsstukken dat daaraan was voldaan dan had dat gevorderd moeten worden (hetgeen in een volgend kort geding inderdaad is gebeurd). In dat geval had een veroordeling met een dergelijke inhoud op straffe van een dwangsom kunnen worden uitgesproken.

4.45.

Het voorkomen van een al te ruime uitleg van de veroordeling is ook op grond van de navolgende omstandigheden relevant. De inhoud van de vordering is mede van belang is voor de door de voorzieningenrechter te bepalen termijn waarbinnen aan de eventuele veroordeling op straffe van verbeurte van een dwangsom zal dienen te worden voldaan. Het moeten sluiten van een verzekeringsovereenkomst met een bepaalde inhoud zal in het algemeen meer tijd vergen dan het overleggen van een polis van een bestaande verzekeringsovereenkomst. Nog afgezien daarvan dient het voor een partij die wordt veroordeeld om op straffe van verbeurte van een dwangsom een bepaalde handeling te verrichten uit de inhoud van de veroordeling uiteraard zonder meer duidelijk te zijn welke actie(s) zij dient te ondernemen om te voorkomen dat zij dwangsommen verbeurt. Ook dat brengt mee dat een ruime uitleg van de tekst van de uitgesproken veroordeling niet in de rede ligt.

4.46.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft [eiser1] derhalve uit hoofde van het vonnis in kort geding van 23 april 2010 geen dwangsommen verbeurd. Ten overvloede wijst de rechtbank nog op hetgeen onder 4.50 hierna over verjaring van dwangsommen wordt overwogen. Daaruit vloeit voort dat eventueel verbeurde dwangsommen zouden zijn verjaard.

Ad VII de verklaring voor recht dat [eiser3] uit hoofde van het tussen partijen gewezen kortgeding vonnis d.d. 27 juli 2010 geen dwangsommen heeft verbeurd, althans eventueel verbeurde dwangsommen verjaard zijn

4.47.

[eiser1] c.s. leggen aan deze vordering ten grondslag dat aan deze veroordeling (zie hiervoor onder 2.8) is voldaan door middel van het afgeven van een polis. Voorts stellen zij dat als al dwangsommen verbeurd zouden zijn, deze inmiddels verjaard zijn nu na het opeisbaar worden van eventueel verbeurde dwangsommen, geen rechtsgeldige stuiting binnen zes maanden heeft plaatsgevonden.

4.48.

[gedaagde2] c.s. voeren aan dat het vonnis van 27 juli 2010 op 2 augustus 2010 werd betekend, dat aan de veroordeling binnen drie weken diende te zijn voldaan en dat zulks niet het geval was. Met betrekking tot de gestelde verjaring van dwangsommen wijzen zij erop dat de tenuitvoerlegging van het kortgeding vonnis bij kortgeding vonnis van 19 augustus 2010 werd geschorst tot 1 september 2010. Tegen het vonnis van 27 juli 2010 werd hoger beroep aangetekend. Hangende de appèlprocedure bleef in de visie van [gedaagde2] c.s. de aanspraak op verbeurde dwangsommen intact, en zou een eventuele verjaringstermijn pas weer gaan lopen, na het wijzen van arrest. Op 13 juni 2013 werd dat arrest gewezen. [gedaagde2] c.s. wijzen er voorts op dat bij brief van 28 augustus 2012 de verjaring werd gestuit. De vraag of eventueel verbeurde dwangsommen al dan niet verjaard zijn, kan in de visie van [gedaagde2] c.s. in deze procedure bovendien niet aan de orde komen. Daar staat de inhoud van de vaststellingsovereenkomst aan in de weg.

4.49.

De rechtbank ziet niet in waarom de inhoud van de vaststellingsovereenkomst eraan in de weg zou staan dat de vraag of eventueel verbeurde dwangsommen zijn verjaard in deze procedure aan de orde wordt gesteld. Indien eventueel verbeurde dwangsommen zijn verjaard, is het niet zinvol in te gaan op de vraag of er al dan niet dwangsommen zijn verbeurd. [gedaagde2] c.s. kunnen in dat geval op betaling daarvan immers geen aanspraak meer maken.

4.50.

De rechtbank is van oordeel dat ingevolge het vonnis in kort geding van 27 juli 2010 eventueel verbeurde dwangsommen inderdaad zijn verjaard. Een dwangsom verjaart door verloop van zes maanden na de dag waarop zij verbeurd is (artikel 611g lid 1 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering; Rv). De verjaring was weliswaar geschorst tot 1 september 2010, ingevolge het vonnis in kort geding van 19 augustus 2010, maar het ingestelde hoger beroep tegen het vonnis in kort geding van 27 juli 2010 had - anders dan [gedaagde2] c.s. kennelijk menen - geen schorsende werking ten aanzien van de verjaring van eventueel verbeurde dwangsommen (HR 29 juni 2010, NJ 2013, 508; [uitspraak]). Nu van tijdige stuiting niet is gebleken, is de verjaringstermijn derhalve verstreken.

4.51.

De rechtbank zal in haar eindvonnis voor recht verklaren dat ingevolge het vonnis in kort geding van 27 juli 2010 eventueel verbeurde dwangsommen zijn verjaard.

Ad VIII de gevorderde hoofdelijke veroordeling van [gedaagde2] c.s. om te voldoen aan eiseressen het bedrag van EUR 64.000,00 ter zake ten onrechte door BV [eiser1] aan gedaagden voldane dwangsommen, te vermeerderen met de wettelijke rente over EUR 64.000,00 vanaf 7 juni 2012 tot aan de dag der algehele voldoening

4.52.

[eiser1] c.s. leggen aan deze vordering ten grondslag dat [eiser1] op 7 juni 2012 onder druk van aangekondigde executiemaatregelen voor € 64.000,00 aan vermeend verbeurde dwangsommen (onder protest) aan [gedaagde2] heeft voldaan. Zij vordert deze op grond van onverschuldigde betaling terug, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2012.

4.53.

[gedaagde2] c.s. voeren aan dat het arrest van het gerechtshof 's-Gravenhage van 6 maart 2012 (zie hiervoor onder 2.8) op 13 maart 2012 werd betekend. Binnen 21 dagen na betekening, uiterlijk op 3 april 2012, had [eiser1] aan de veroordeling moeten voldoen. In de visie van [gedaagde2] c.s. heeft [eiser1] over de periode van 4 april 2012 tot en met 6 juni 2012, derhalve gedurende 64 dagen, dwangsommen verbeurd. Het bedrag van € 64.000,00 is naar het oordeel van [gedaagde2] c.s. terecht voldaan.

4.54.

De rechtbank verwijst naar hetgeen zij heeft overwogen en beslist ter zake van de hiervoor behandelde vordering V. Ingevolge het arrest van het gerechtshof 's-Gravenhage van 6 maart 2012 verbeurden [eiser1] c.s. vanaf 4 april 2012 dwangsommen van € 1.000,00 per dag wegens het niet aan [gedaagde2] verstrekken van de informatie tot verstrekking waarvan zij op straffe van die dwangsom waren veroordeeld. Zoals de rechtbank hiervoor onder 4.38 heeft beslist, zijn er als gevolg van het vervallen van het pandrecht op 10 april 2012 vanaf die datum echter geen dwangsommen meer verbeurd. Er zijn derhalve dwangsommen verbeurd over de periode van 4 april 2012 tot en met 9 april 2012, derhalve in totaal € 6.000,00.

4.55.

Kennelijk heeft [eiser1] ter zake van de verbeurde dwangsommen € 64.000,00 betaald aan [gedaagde2]. Daarom zal [gedaagde2] bij eindvonnis worden veroordeeld om een bedrag van € 58.000,00 (€ 64.000,00 - € 6.000,00), vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 7 juni 2012 tot de dag der voldoening terug te betalen aan [eiser1]. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die een hoofdelijke veroordeling daartoe van [gedaagde2] c.s. zouden kunnen rechtvaardigen. Immers, niet in geschil is dat de onverschuldigde betaling aan [gedaagde2] heeft plaatsgevonden en niet aan [gedaagde1].

Ad IX de gevorderde veroordeling van [gedaagde2] om te voldoen aan [eiser1] het bedrag van EUR 18.950,62 ten aanzien van de doorlopende kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 januari 2009 tot aan de dag der algehele voldoening

4.56.

[eiser1] beroept zich ter onderbouwing van deze vordering op een rapport van 3 juli 2012 van [betrokkene2].

4.57.

[gedaagde2] stelt dat zij de onderbouwing van deze vordering niet begrijpt, en dat zij deze betwist.

4.58.

In artikel 9.5 van de koopovereenkomst zijn [gedaagde2] en [eiser1] overeengekomen hoe partijen dienden om te gaan met nog te verrichten verrekeningen (zie hiervoor onder 2.4). Partijen kwamen overeen dat BDO de definitieve bedragen daarvan diende vast te stellen. Dat dit niet zonder problemen is verlopen, volgt uit hetgeen de rechtbank onder 4.27 tot en met 4.30 heeft overwogen. BDO heeft eerst gemeend de van haar verzochte werkzaamheden niet te kunnen verrichten. Later, na daartoe door [eiser1] c.s. uitgeoefende druk, heeft zij dat alsnog gedaan in een door haar uitgebracht aanvullend rapport. Op dat rapport zou [eiser1] zich kunnen beroepen. Zij beroept zich echter niet op dat rapport, maar op een rapport van [betrokkene2] dat op basis van een eenzijdige opdracht van [eiser1] c.s. ten behoeve van [eiser1] c.s. is opgesteld. Met louter een verwijzing naar dat rapport van [betrokkene2] acht de rechtbank deze door [eiser1] ingestelde vordering onvoldoende toegelicht. Derhalve zal deze worden afgewezen.

Ad X de gevorderde veroordeling van [gedaagde2] om te voldoen aan [eiser1] het bedrag van EUR 75.690,00 ten aanzien van het teveel betaalde bedrag aan koopsom in verband met de ten onrechte niet verwerkte voorziening, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 december 2009 tot aan de dag der algehele voldoening

4.59.

Ook ter onderbouwing van deze post beroept [eiser1] zich op het rapport van 3 juli 2012 van [betrokkene2]. Het negatief eigen vermogen had in de visie van [eiser1] negatiever moeten zijn door het effect van de ten onrechte niet opgenomen voorziening. Derhalve had een hogere korting op de koopprijs berekend moeten worden, hetgeen leidt tot een correctie als in de vordering genoemd, aldus [eiser1].

4.60.

[gedaagde2] betwist dat de door [eiser1] bedoelde voorziening had dienen te worden opgenomen. Zij wijst erop dat BDO, na uitvoerige correspondentie, is gebleven bij haar afwijzende standpunt ten aanzien van de in de visie van [eiser1] ten onrechte niet verwerkte voorziening.

4.61.

De rechtbank zal deze vordering afwijzen.

4.62.

[eiser1] kan deze vordering niet baseren op de door BDO uitgebrachte rapporten. BDO heeft geweigerd om ter zake van deze voorziening de door [eiser1] gewenste correctie van de rapportage in de aanvullende rapportage op te nemen.

4.63.

Van de zijde van BDO heeft [betrokkene1] in een brief van 27 januari 2011 aan [eiser3] ter attentie van de heer P. [eiser1] onder meer het volgende medegedeeld:

'Wat opmerkelijk is, is dat u als directie, verantwoordelijk voor de jaarrekening in de jaarrekening 2007 géén rekening houdt met een belastinglatentie en in het kader van de Koopovereenkomst het eigen vermogen zou willen corrigeren. In de samenstellingsverklaring bij de jaarrekening 2007 bevestigt de externe accountant van de vennootschap dat de jaarrekening is samengesteld in overeenstemming met Titel 9 Boek 2 BW. Op blz. 9 van de jaarrekening wordt onder "belastingen" vermeld dat "vennootschapsbelasting is berekend over het resultaat tegen nominale tarieven." Zowel actieve als passieve belastinglatenties zijn niet in aanmerking genomen. In de jaarrekeningen 2006 en 2008 lijkt de grondslag ter bepaling van de post Belastingen consistente wijze te zijn toegepast. Noch de externe accountant van de vennootschap, noch BDO heeft een onderzoek naar de getrouwheid van de jaarrekening ingesteld. In het kader van punt 9.5 van de Koopovereenkomst, hebben wij vastgesteld dat het negatieve vermogen per 31 december 2007 € 4.890.227 bedroeg.'

4.64.

De rechtbank acht in dit verband mede van belang dat partijen in artikel 6.1 van de koopovereenkomst hebben laten opnemen dat door koopster geen due dilligence is uitgevoerd in verband met het feit dat het een management buy out betreft. Uitgangspunt is derhalve dat [eiser1] reeds voor het sluiten van de koopovereenkomst een zodanige kennis van de onderneming en van de financiële administratie daarvan had dat een due dilligence achterwege kon blijven. Tegen deze achtergrond heeft [eiser1] onvoldoende gemotiveerd dat zij niet bekend was met de omstandigheid dat deze voorziening niet was verwerkt en dat zij daarmee ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst redelijkerwijze ook niet bekend kon zijn.

4.65.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, mede gelet op de inhoud van artikel 9.5 van de koopovereenkomst, bestaat er geen grond voor toewijzing van deze vordering.

4.66.

De stelling van [eiser1] - eerst bij conclusie van repliek onder 43 - dat de juridische grondslag voor deze vordering subsidiair gevonden zou kunnen worden in artikel 7.7 van de koopovereenkomst 'aangezien er meer belasting verschuldigd is dan in de jaarrekening is opgenomen', is onvoldoende onderbouwd, zodat deze reeds om die reden niet tot toewijzing van de vordering kan leiden. Daar komt bij dat [gedaagde2] c.s. zich er terecht op hebben beroepen dat vorderingen onder de garanties aan een vervaltermijn zijn gebonden. Ingevolge artikel 7.6 van de koopovereenkomst kon [eiser1] dergelijke vorderingen indienen uiterlijk tot 31 december 2011.

Ad XI de gevorderde veroordeling van [gedaagde2] om te voldoen aan [eiser1] het bedrag van EUR 3.154,08 ten aanzien van het teveel betaalde bedrag aan rente in verband met de aanpassing van de verschuldigde koopsom, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening

4.67.

[eiser1] wijst erop dat er rente is betaald over de schuldig gebleven koopsom. Minder te betalen koopsom leidt tot minder rente. [eiser1] berekent het renteverschil op voornoemd bedrag.

4.68.

[gedaagde2] wijst erop dat er geen grond bestaat voor de gestelde correcties van de koopsom en derhalve evenmin voor correctie van de rente.

4.69.

Uit het voorgaande vloeit voort dat deze vordering dient te worden afgewezen.

Ad XII de gevorderde veroordeling van [gedaagde2] om te voldoen aan [eiser1] het bedrag van EUR 139.564,91 - EUR 11.939,99 = EUR 127.624,92 ten aanzien van de gecedeerde vorderingen van de afwikkeling van de rekening courantverhoudingen tussen partijen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 september 2009 tot aan de dag der algehele voldoening

4.70.

[eiser1] c.s. stellen bij dagvaarding (onder 75) dat het gevorderde bedrag van € 139.564,91 de gecedeerde onbetwiste rekening-courant vorderingen betreft van [eiser3] en [eiser2].

4.71.

Bij conclusie van antwoord in conventie tevens van eis in reconventie (onder 55 tot en met 61) betwist [gedaagde2] de vordering.

4.72.

Bij conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte vermeerdering van eis in conventie (onder 83, 84 en 110) hebben [eiser1] c.s. de vordering verminderd met € 11.939,99. Bij conclusie van repliek onder 45 stellen [eiser1] c.s. dat de onderliggende stukken ter zake reeds alle zijn overgelegd en dat hetgeen hiertegenover is geplaatst door [gedaagde2] niet tot een ander oordeel kan leiden. De stelling dat kwesties dubbel in rekening zijn gebracht wordt in de visie van [eiser1] c.s. weerlegd 'aan de hand van de betreffende stukken'.

4.73.

Bij conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie (onder 115 tot en met 137) motiveert [gedaagde2] haar betwisting van de vordering nader. [gedaagde2] stelt daar (onder 116) dat zij 'probeert de vorderingen van [eiser3] te doorgronden'.

4.74.

In de conclusie van dupliek in reconventie is [gedaagde2], op basis van de stelling dat de 'optelling over en weer bestaat uit diverse onderdelen die ook in de vorderingen in conventie en in reconventie elkaars spiegelbeeld vormen' (conclusie van dupliek in reconventie onder 3) uitvoerig ingegaan op geschilpunten betreffende de conventie, waaronder onder 91 tot en met 107 van die conclusie met betrekking tot de rekening-courant vorderingen. Die stellingen uit het laatste processtuk in reconventie kan de rechtbank in dit vonnis uiteraard niet betrekken bij de beoordeling van het geschil in conventie. Dat zou in strijd zijn met het beginsel van hoor en wederhoor.

4.75.

Voorlopig moet de rechtbank met betrekking tot dit onderdeel van de vorderingen van [eiser1] c.s. en het daartegen door [gedaagde2] c.s. gevoerde verweer helaas de conclusie trekken dat zij de standpunten van geen van beide partijen voldoende kan doorgronden en/of voldoende kan herleiden tot onderliggende bewijsstukken.

4.76.

De rechtbank zal een comparitie van partijen gelasten teneinde over deze vordering en de volgens [eiser1] c.s. spiegelbeeldige vordering in reconventie inlichtingen van partijen te verkrijgen en een minnelijke regeling te beproeven. Binnen vier weken na heden dienen partijen aan de rechtbank - administratie haven en handel, afdeling planningsadministratie, kamer [adres] - te doen toekomen een heldere gezamenlijke puntsgewijze uiteenzetting van hetgeen hen met betrekking tot de rekeningcourantverhoudingen precies verdeeld houdt. Uit de tot dusver gewisselde processtukken is dat voor de rechtbank immers niet eenduidig af te leiden. Nu de mogelijkheid bestaat dat de rechtbank na verkregen inlichtingen van partijen behoefte heeft aan voorlichting door een onafhankelijk accountant worden partijen voorts in de gelegenheid gesteld om uiterlijk veertien dagen voor de zitting daartoe een - bij voorkeur gezamenlijk - voorstel aan de rechtbank te doen (naam of namen van deskundigen en vraagstelling). Gelet op de aan een en ander waarschijnlijk verbonden aanzienlijke kosten zou de rechtbank zich kunnen voorstellen dat partijen trachten (op dit onderdeel) alsnog een regeling in der minne tot stand te brengen.

4.77.

In afwachting van de comparitie van partijen zal de rechtbank iedere verdere beslissing hierover aanhouden.

Ad XIII de gevorderde veroordeling van [gedaagde2] om te voldoen aan [eiser3] het bedrag van EUR 15.767,00 ten aanzien van de kosten van haar raadsman, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening

Ad XIV de gevorderde veroordeling van [gedaagde2] om te voldoen aan [eiser3] het bedrag van EUR 7.721,61 ten aanzien van de kosten van [betrokkene2], te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening

Ad XV de gevorderde veroordeling van [gedaagde2] om te voldoen aan [eiser1] het bedrag van EUR 6.265,35 ten aanzien van de kosten van de heer [betrokkene3], te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening

4.78.

[eiser1] c.s. stellen dat zij om hun vordering overtuigend inzichtelijk te krijgen en om BDO zover te krijgen dat zij haar aanvankelijke rapportage van 24 december 2010 zou herzien aanzienlijke kosten hebben moeten maken. Deze kosten bestonden onder meer uit de door haar gevorderde kosten van haar raadsman, van de door haar ingeschakelde accountant die het [rapport] heeft opgesteld, alsmede de kosten van de door haar ingeschakelde gespecialiseerde accountant, de heer [betrokkene3].

4.79.

[gedaagde2] betwist dat zij de gestelde kosten 'redelijke kosten' in de zin van artikel 6:96 lid 2 BW zijn waarvoor zij aansprakelijk is.

4.80.

Ingevolge lid 3 van artikel 6:96 BW is lid 2 onder a en b niet van toepassing voor zover in het gegeven geval krachtens artikel 241 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn. Dat geldt naar moet worden aangenomen voor een veelheid aan verrichtingen die aan de basis liggen van de door [eiser1] c.s. gevorderde kosten. Partijen hebben voorafgaande aan deze procedure immers een aantal kort gedingen tegen elkaar gevoerd en hoger beroep ingesteld tegen in dat kader gewezen vonnissen. Op verrichtingen in dat kader zijn de regels betreffende de proceskosten van toepassing. Voorts hebben [eiser1] c.s. een klachtprocedure tegen BDO laten voeren. De aan het voeren van een klachtprocedure verbonden kosten gelden in beginsel niet als 'redelijke kosten' in de hiervoor bedoelde zin, ook niet indien die klachtprocedure wordt gevoerd met een ander doel dan louter tuchtrechtelijke beoordeling van het handelen of nalaten van de partij over wie wordt geklaagd.

4.81.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de door [eiser1] c.s. gevorderde kosten ter zake van de inschakeling van haar raadsman en de inschakeling van accountants reeds op de hiervoor genoemde gronden in belangrijke mate niet kwalificeren als voor separate vergoeding in aanmerking komende redelijke kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 BW. In afwachting van de comparitie van partijen en de nadere beoordeling van de vordering betreffende de afwikkeling van de rekening-courant vordering zal de rechtbank iedere verdere beslissing hierover echter aanhouden.

in reconventie

4.82.

Aan het in reconventie door [gedaagde2] gevorderde bedrag liggen, na vermeerdering van eis, een aantal te onderscheiden vorderingen ten grondslag. De rechtbank zal die vorderingen en de daartegen gevoerde verweren hierna een voor een behandelen.

Het gevorderde bedrag van € 1.452.959,01

4.83.

[gedaagde2] noemt deze vordering bij conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie onder 61. Zij stelt dat uit de door haar overgelegde cijferopstelling blijkt dat zij dit bedrag van [eiser3] te vorderen heeft, indien ervan uit wordt gegaan dat BDO niets (geen post) heeft vastgesteld.

4.84.

Het door [gedaagde2] gekozen uitgangspunt is niet juist. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij in conventie heeft overwogen en beslist over de uitleg van artikel 9.5 van de koopovereenkomst en over de voldoening van de koopsom door [eiser1] c.s. (zie hiervoor in conventie onder 4.15 tot en met 4.25, 4.29, 4.36, 4.37 en 4.38). De stelling van [gedaagde2] dat de koopsom niet volledig is voldaan, is gebaseerd op het onjuiste uitgangspunt dat geen betekenis toekomt aan de aanvullende rapportage van 5 september 2012 van BDO.

4.85.

De rechtbank verwijst verder naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen onder 4.75 en 4.76. Deze vordering in reconventie staat ook in de visie van [eiser1] c.s. ten dele in verband met de vordering die in conventie onder 4.70 tot en met 4.77 is behandeld. Derhalve ligt het in de rede de verdere beoordeling van deze vordering aan te houden tot na de comparitie van partijen.

4.86.

In afwachting van de comparitie van partijen zal de rechtbank iedere verdere beslissing hierover aanhouden.

Het gevorderde bedrag van € 110.684,69

4.87.

Bij conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie, tevens houdende akte wijziging/vermeerdering van eis in reconventie onder 172 (2e) heeft [gedaagde2] haar vorderingen in reconventie vermeerderd met drie bedragen, waaronder het bedrag van € 110.684,69. De toelichting van [gedaagde2] op laatstgenoemde vordering, bij voornoemde conclusie onder 166 luidt als volgt:

'Omdat [gedaagde2] bij nader inzien ook niet begrijpt waarom de zakelijke kosten voor het afgeven van bankgaranties voor haar rekening moeten komen, wil [gedaagde2] haar vordering vermeerderen met € 18.151,21, € 23.205,-, € 34.153,-, € 4.682,03, € 4.201,18, € 25.808,59 en 4 x (120,92) is totaal € 110.684,69, verhoogd met de wettelijke rente.'

4.88.

De reactie van [eiser1] c.s. bij conclusie van dupliek in reconventie onder 155 luidt als volgt:

'De bankgaranties zijn gesteld in verband met een procedure tussen [gedaagde1] en [gedaagde2] en haar voormalig medeaandeelhouder [bv] Aangezien [gedaagde2] geen saldo had om een bankgarantie te stellen moest er een garantie ten laste van de houdstermaatschappij gesteld worden. De onderliggende juridische kwestie tussen [gedaagde1] en [gedaagde2] en haar medeaandeelhouder had niets met [eiser3] te maken en al deze ter zake gemaakte kosten zijn dus kosten voor rekening van [gedaagde2].'

4.89.

De rechtbank zal deze vordering afwijzen. De onderbouwing van de vordering is dermate gebrekkig dat beoordeling ervan nauwelijks mogelijk is. Weliswaar is uit de reactie van [eiser1] c.s. iets meer af te leiden over de achtergrond van de kennelijk gestelde bankgaranties. Ook dat leidt echter niet tot toewijsbaarheid van deze vordering.

Het gevorderde bedrag van € 153.165,52

4.90.

[gedaagde2] onderbouwt deze vordering onder 167 tot en met 170 van haar conclusie van dupliek/repliek als volgt. Haar raadsman heeft tot 14 februari 2014 in verband met de vele kort gedingen, appèlprocedures en de onderhavige bodemprocedure in totaal € 153.165,52 aan [gedaagde2] in rekening gebracht. De werkzaamheden van de raadsman hebben betrekking op verplichtingen die voortvloeien uit de aandelentransactie/de koopovereenkomst. De artikelen 11.1 en 11.2 van de Allianz-pandakte bepalen specifiek voor de pandrechten dat kosten van handelen of nalaten van pandgever ([eiser3]) voor rekening van [eiser3] komen, maar artikel 12.1 van de koopovereenkomst bepaalt in het algemeen dat alle kosten die voortvloeien uit de koopovereenkomst voor rekening van [eiser3] zijn. In ieder geval betreffen deze kosten in de visie van [gedaagde2] schade die door [eiser3] op grond van onrechtmatige daad en misbruik van procesrecht dient te worden vergoed.

4.91.

[eiser1] c.s. voeren aan dat [gedaagde2] aan de betreffende clausules een verkeerde uitleg geeft. In de visie van [eiser1] c.s. is geen sprake van kosten die voortvloeien uit de overeenkomsten, maar zijn de kosten het gevolg van eenzijdige keuzes van [gedaagde2] die voor haar rekening dienen te blijven. Voor zover de door [gedaagde2] genoemde bepalingen al het door [gedaagde2] gewenste resultaat zouden kunnen hebben, zou nakoming naar het oordeel van [eiser1] c.s. naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn gezien de onderwerpen waarover [gedaagde2] meende ruzie te moeten maken, het gebrek aan ieder belang bij de bedoelde vorderingen, alsmede de omstandigheid dat ten aanzien van de procedures reeds proceskostenveroordelingen zijn gevolgd.

4.92.

De rechtbank zal deze vordering afwijzen. Uit de gestelde en gebleken feiten en omstandigheden kan niet worden afgeleid dat [eiser3] onrechtmatig jegens [gedaagde2] heeft gehandeld en/of misbruik van procesrecht heeft gemaakt. Waar in artikel 12.1 van de koopovereenkomst is bepaald: 'Alle kosten samenhangend met en voortvloeiend uit de onderhavige transactie worden gedragen door Koopster', is evident dat dit niet zo moet worden uitgelegd dat in geval van eventuele toekomstige geschillen tussen partijen ter zake van uit de koopovereenkomst voortvloeiende verplichtingen alle door [gedaagde2] te maken proceskosten zouden dienen te worden gedragen door [eiser3]. Artikel 11.1 van de Allianz-pandakte heeft weliswaar een ruimere strekking, maar heeft uiteraard slechts betrekking op de verpandingsproblematiek. [gedaagde2] heeft in haar vordering echter geen onderscheid gemaakt tussen kosten die zij op grond van artikel 12.1 van de koopovereenkomst dan wel artikel 11.1 van de Allianz-pandakte zou willen verhalen. [eiser1] c.s. wijzen er bovendien terecht op dat in de vele procedures waaraan de kosten kennelijk zijn gespendeerd proceskostenveroordelingen zijn uitgesproken. Het lag op de weg van [gedaagde2] om destijds in die procedures aanspraak te maken op veroordelingen van [eiser3] in de volledige proceskosten. Opmerking verdient wel dat in dat geval (ambtshalve) matiging van bedongen kosten had kunnen plaatsvinden ex artikel 242 Rv. In ieder geval bieden de door [gedaagde2] gestelde feiten en omstandigheden geen aanknopingspunt voor het thans alsnog aan [gedaagde2] toewijzen van (extra) kostenvergoedingen zoals door haar gevorderd.

Het gevorderde bedrag van € 77.190

4.93.

[gedaagde2] onderbouwt deze vordering onder 171 en 172 (1e) van haar conclusie van dupliek/repliek als volgt. Het tot 14 februari 2014 door haar raadsman bestede aantal uren bedroeg 498. De heer [gedaagde1] heeft nog meer uren besteed. Een vergoeding van € 155,00 per uur over 498 uur is redelijk en billijk. Derhalve in totaal € 77.190,00.

4.94.

[eiser1] c.s. voeren aan dat de tijd die een procespartij betrokken is bij een procedure per definitie voor eigen rekening komt. Voorts betwisten zij het opgegeven aantal uren en het tarief.

4.95.

Hetgeen hiervoor onder 4.92 is overwogen is ook van toepassing op deze vordering. De rechtbank zal deze vordering derhalve eveneens afwijzen.

De gevorderde veroordeling tot betaling van de kosten vanaf 14 februari 2014 als bedoeld in artikel 12.1 van de Koopovereenkomst d.d. 28 november 2008 en de pandakte (Allianz) artikel 11.1en 11.2, nader op te maken bij staat

4.96.

Achtergrond van deze vordering is kennelijk dat [gedaagde2] van oordeel is dat er ook na 14 februari 2014 nog kosten als bedoeld in de hiervoor genoemde artikelen gemaakt zouden worden.

4.97.

[eiser1] c.s. voeren aan dat deze vordering in het lichaam van de conclusie van dupliek/repliek niet is toegelicht.

4.98.

De rechtbank zal deze vordering afwijzen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen en beslist vloeit voort dat er geen grond is om aan te nemen dat [gedaagde2] vanaf 14 februari 2014 kosten zal maken die op grond van de genoemde artikelen op [eiser3] verhaalbaar zouden zijn. Bovendien vallen schadevergoedingsverplichtingen uit hoofde van een rechtshandeling buiten de regeling van artikel 612 Rv zodat de rechtbank ter zake van deze vordering reeds om die reden geen veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat zou kunnen toewijzen.

in conventie en in reconventie

Comparitie van partijen

4.99.

Zoals hiervoor onder 4.76 en 4.85 overwogen zal de rechtbank een comparitie van partijen gelasten opdat partijen inlichtingen verschaffen en om een schikking te beproeven. Onder 4.76 heeft de rechtbank aangegeven wat zij in het kader van de voorbereiding van de comparitie van partijen van partijen (gezamenlijk) verwacht. Ter comparitie zal de nader door partijen te verstekken informatie en zullen de resterende geschilpunten in conventie en in reconventie worden doorgenomen.

4.100. Het staat partijen vrij om zich ter comparitie te doen vergezellen door een accountant. De partij die van die mogelijkheid gebruik wenst te maken dient dat uiterlijk veertien dagen voor de zitting aan de rechtbank (Administratie haven en handel, afdeling planningsadministratie, kamer [adres]) en de wederpartij kenbaar te maken.

4.101. De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1.

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan het Wilhelminaplein 100/125 op dinsdag 17 februari 2015 van 13.00 tot 16.00 uur,

5.2.

bepaalt dat [gedaagde1] dan in persoon aanwezig moet zijn en dat ieder van de overige partijen dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

5.3.

bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank - Administratie haven en handel, afdeling planningsadministratie, kamer [adres] - om een nadere dat- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle betrokken partijen in de maanden januari, februari, maart en april 2015,

5.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman, mr. T. Boesman en mr. A.A. Muilwijk-Schaaij en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2014.

[1729/2309/2053]